Mozes in de shebeen

Door Mozambique naar Malawi. Het was geen prettige motortocht. Het waaide hard, het was koud en in de namiddag begon het ook nog te regenen. Bij de Mozambikaanse grenspost in Zobue word ik bestormd door de geldwisselaars. “Tweehonderd kwacha voor een dollar!” Gewoonlijk heb ik me voorbereid op de confrontatie met geldwisselaars – ik heb de koersen in dollars en euro’s paraat en een lijstje van ronde bedragen in mijn hoofd – maar deze keer niet. Vanwege het slechte weer. Dan wordt het snel rekenen: een euro is ongeveer honderdtachtig kwacha en een dollar is ongeveer een euro dertig zodat ik voor een dollar ongeveer tweehonderdveertig kwacha moet krijgen (ik maak een rekenfout). “Voor een dollar wil ik tweehonderdveertig kwacha hebben.” Het wordt een discussie en vooral gedoe met alternatieve voorstellen maar dan “Oké, tweehonderdveertig kwacha”. Het hoeft voor mij niet meer, ik heb er geen zin meer in. Mijn humeur heeft geleden onder het gedoe en vooral onder de regen. Zo makkelijk kom je van een geldwisselaar niet af: “Boss, het is een goede prijs, die krijg je in Malawi niet” – nou dan maar niet – en “Boss, je hebt kwacha’s nodig om de verzekering te betalen” – ik hoef geen verzekering meer af te sluiten want ik heb de Comesa Yellow Card – en “Boss, toe nu, ik moet ook leven.” Doorgaans ben ik voor die argumenten gevoelig – vooral voor het laatste argument want in tegenstelling tot wat het lijkt, de geldhandel is geen big business – maar nu niet; het loket van mijn hart is bij regen gesloten. Zelfs de Mozambikaanse politie bemoeit zich er mee: “Waarom wil je niet kopen? Het is een goede prijs!” Die bemoeienis maakt me wantrouwig want politie en geldwisselaars zijn geen vrienden. Als ik de Mozambikaanse grenspost verlaat lees ik op de muur achter de post – achter de post! – in koeienletters “De handel in goederen en valuta is bij deze grenspost strikt verboden.” Daar bij die Mozambikaanse grenspost, daar stinkt iets. De Malawische grenspost is in Mwanza, drie kilometer verderop, en daar is ook een filiaal van de Standard Bank met een geldautomaat en achter het raam hangt het bord met de koersen: honderdvijfenvijftig kwacha voor een dollar bij aankoop van kwacha en honderdeenenzestig kwacha per dollar bij verkoop (mijn rekenfout: een dollar is niet een euro dertig maar een euro is een dollar dertig).

De formaliteiten bij de Malawiaanse grenspost zijn eenvoudig, het visum is zelfs gratis, en ik had er snel zaken kunnen doen als ik bij de douane niet in de verkeerde rij had aangesloten. Het was de rij voor het loket ‘moving goods’. Zo’n loket had ik nog niet eerder gezien maar als mijn motor iets is, dan toch een ‘moving good’. De rij voor dat loket is lang: allemaal buspassagiers met grote tassen en dozen. In die rij ben ik een zonderling: een blanke met een rugzakje en een helm in de hand. Ik voel wel, er klopt iets niet. Na een tijdje spreekt iemand mij aan: “Zit u ook in die bus?” Nee, ik sta in de rij om mijn motor in te klaren. ‘Moving goods’ blijken televisietoestellen, wasmachines, horloges en kleding; goederen die ik gewoonlijk niet beweeg. Het loket ‘temporary import vehicles’ is om de hoek.

De avond is inmiddels gevallen, het wordt donker en het regent nog steeds. Ik zal Blantyre vandaag niet halen. Ik rijd als het even kan niet in het donker, zeker niet met regen en bovendien werkt alleen het dimlicht van de motor. De lamp voor het gewoon en groot licht is kapot of er is een draad los. Ik zal in Mwanza overnachten. Na wat zoeken kom ik terecht bij Limbikani Lodge & Restaurant, “for clean rooms and delicious meals at reasonable prices”. Heel aanlokkelijk ziet Limbikani er niet uit: de poort is donker, het erf een modderpoel door de regen en uit de bijbehorende shebeen klinkt keiharde muziek. Maar het is donker, het regent, het is koud en ze hebben een kamer, zelfs een ‘suite’ voor vijftienhonderd kwacha (tien dollar). De ‘suite’ is een huisje op het achtererf in een netjes aangelegde tuin met cementen looppaden. Het achtererf staat stikvol huisjes; Limbikani blijkt groot. De ‘suite’ vraagt enig voorstellingsvermogen: een lege kamer met twee plastic stoelen, een slaapkamer met een bed en een klamboe, een douche en een toilet waar je alleen dwars op kunt zitten omdat de ruimte te klein is. Mozes laat me de suite zien en stelt de blanke gerust: “Hiernaast logeert een Française.” (Mozes: “Ik zorg voor de klanten.” “Ben je assistent-manager?” “Ja” zegt Mozes, verheugd over de strelende titel, “ik ben de assistent.”) Tussen mij en Mozes klikt het – hij laat het ‘boss’ vallen en noemt mij ‘Mathew’ – en de suite is schoon (“for clean rooms…”) en de aanwezigheid van een klamboe geeft mij het laatste argument want er zijn muggen. Mozes: “Dus je neemt de suite? En als je morgen wil douchen …” “Ik wil nu douchen!” “… dan breng ik warm water.” Nu pas merk ik op dat het een pannetjesdouche is. Mozes is vlug terug met een vorstelijk grote emmer met echt heet water. “En na het douchen ga je een biertje drinken in de shebeen en daarna eten en ondertussen zoek ik een leuk meisje voor je.” Op het nachtkastje ligt de bijbel; zoals gebruikelijk in Afrika, alleen het Nieuwe Testament. Dat is voor de Afrikaanse zeden heel verstandig want de profeten van het Oude Testament predikten hel en verdoemenis over prostitutie maar Jezus in het Nieuwe Testament is opmerkelijk mild over de Zonde des Vlezes. Jezus toonde veel grotere afkeer van schijnnette mensen en dat roept de vraag op waarom veel christenen toch vooral schijnnetjes willen zijn. Het woord en de praktijk zijn vaak spiegelbeelden van elkaar.

Ik zoek mijn heil in de shebeen. Een shebeen is, netjes gezegd, een bar of café maar de benaming ‘zuipkeet’ doet meer recht aan de werkelijkheid. Shebeens zijn overal in Afrika maar alleen in het zuidelijk deel van Afrika heten die gelegenheden zo. Een shebeen ziet er ongeveer als volgt uit. Een kale ruimte met, als het meezit, langs de wanden ruw houten banken (als het tegenzit moet je staan) en een even ruw houten bar en daarachter een vrieskist die als het meezit ook vriest (als het tegenzit heb je lauw bier), een televisie, een cd-speler en loeigrote boxen die heel vervormd geluid geven omdat de volumeknop helemaal is opengedraaid; TL-verlichting, soms gekleurd. Shebeens worden altijd gerund door een vrouw. Ik ben in elk geval nog nooit in een shebeen geweest met een vent achter de bar. Mannen zijn daarvoor niet geschikt, die zuipen mee. Er zijn wat variaties op het thema ‘shebeen’: het kan tevens bottlestore zijn of kruidenierszaak of alle drie functies tezamen en bij die varianten is de bar afgesloten met tralies en kippengaas, dient als toonbank en de transacties worden door een luikje afgehandeld. Behalve shebeens zijn er in Afrika ook nightclubs; dat is hetzelfde als een shebeen maar dan met pulserend licht en hoeren.

Als ik binnenkom draaien alle hoofden naar mij en het gewauwel valt even stil waardoor de muziek nog oorverdovender is: een blanke, ik ben het enig witte puntje in een zwarte zuipkeet. Ik ben liever in een shebeen dan in een cocktailbar want ik houd meer van bier dan van cocktails. Er hangen twee jongens aan de bar en ze drinken bier uit piepkleine glaasjes want “dan word je sneller dronken.” Ze zijn het al. Ze willen een praatje maar ik kan slechthorendheid voorwenden om ze boven het loeiende boxengeluid niet te hoeven verstaan. Gelukkig zijn een paar anderen nog in redelijke staat. Een is een Zimbabwaan en de anderen Malawiërs. “Wij moeten de Mozambikanen niet” zegt de Zimbabwaan. De Malawiërs knikken instemmend. “Waarom moeten jullie de Mozambikanen niet?” “Nou, gewoon, ze zijn zo … eh… vreselijk langzaam.” De Malawiërs knikken instemmend. Daar kan ik niet zo goed tegen. Ik: “Ik vind alle Afrikanen erg langzaam.” Er valt een stilte; alleen een blanke kan zich zo’n opmerking permitteren. Dan zegt een van de Malawiërs: “Maar de Mozambikanen zijn echt héél erg langzaam.” Gelukkig komt Mozes binnen, posteert zich naast mij aan de toog. Hij wil een biertje, van mij want we zijn vrienden. Aan iedereen vertelt hij dat ik Mathew heet en uit Nederland kom, zodat ik steeds meer vrienden krijg en dat is niet goed voor mijn portemonnee. Ik drink tersluiks nog een tweede biertje en dan snel de aftocht blazen. Mozes: “Geef je me nog een biertje?”

Ik ga terug naar mijn suite, maak de knoop in de klamboe los en kruip in bed. Het bed heeft een diepe kuil die gevormd is door al mijn voorgangers en omdat er twee matrassen bovenop elkaar zijn gestapeld met allebei een kuil is de kuil dubbel diep. Omdat al mijn voorgangers, net als ik, langdurig op de rand van het bed hebben gezeten heeft de dubbel diepe kuil aan een zijde een opening. Probeer daar maar eens een plek op te vinden. Ik zoek er een op de rand van de kuil en waar ik de minste kans loop slapend uit de dubbel diepe kuil te vallen. ’s Ochtends ontbijt ik in het restaurant, voor drie dollar: opgewarmde spiegeleieren en opgewarmde frieten en een boterham met margarine en een kop instantkoffie van Ricoffee (een kwart cichorei). “… and delicious meals…” Mozes draagt mijn bagage en ik belaad de motor. Bij het vertrek geven we elkaar een Afrikaanse hand, met de duimen in elkaar gehaakt. Hij zegt: “Ik vond het leuk dat je hier was, goede reis en kom nog eens terug.”

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s