Umasizakhe

“Dus jij wil Umasizakhe bezoeken?” vraagt Terrence. Terrence en zijn vrouw Nita runnen Le Jardin Backpackers in Graaff-Reinet. Graaff-Reinet: wit gepleisterde huizen met in Hollands groen geschilderd houtwerk – “Dat is verplicht” zegt Terrence – langs stille straten omzoomd met acaciabomen. In het centrum staat de grote Nederduits gereformeerde kerk, die een kopie zou zijn van de kathedraal van Salisbury. Er tegenover, aan de overzijde van het park, het stadhuis dat doet denken aan een Italiaans palazzo maar een Hollandse gevel heeft. In de Kerkstraat bevindt zich het gerechtsgebouw, waar veel zwarte mensen bij de deuropening rondhangen, en de bibliotheek en andere voorname gebouwen. Het pronkstuk van Graaff-Reinet is het Reinet Huis, de voormalige pastorie van de gereformeerde kerk en nu het stadsmuseum: een juweel van Hollands Classicisme. Dat is Graaff-Reinet: in-keurig en heel eerbiedwaardig, de op drie na oudste stad van Zuid Afrika. En na negen uur ’s avonds uitgestorven; dat hoort bij in-keurig. En blank behalve voor de deur van het gerechtsgebouw en aan het einde van Caledon Street waar de PEP, de Spar, de Choprite en de banken zijn gevestigd. Er lopen zwarte mensen door de stad maar ze lopen alsof ze er niet thuishoren, aarzelend als vreemdelingen. Het is niet hun stad, ze wonen er niet.

Reinet Huis

Het Reinet Huis: een juweel van Hollands classisisme.

Ze wonen in Umasizakhe, het township voor de zwarte mensen. Graaff-Reinet heeft nóg een township, Kroonvale, waar de gekleurde mensen wonen. Blank, zwart, gekleurd: ieder op zijn eigen plaats, apart; dat is óók Graaff-Reinet. Het Museum voor de Recente Zuid-Afrikaanse Geschiedenis in de Kerkstraat legt uit hoe het zo gekomen is, in troosteloze zwartwit foto’s en hartverscheurende verhalen. “Ik woonde in Middle Street, in het centrum van de stad. Het huis was van mij. Op een dag kreeg ik een ontruimingsbevel. Ik kon het niet geloven. Ik kon niet geloven dat ze me uit mijn eigen huis zouden zetten. Ik ben gewoon gaan slapen maar de volgende dag kwam de politie en zette mij, mijn gezin en mijn huisraad op straat. Omdat ik het niet kon geloven had ik niets voorbereid. Ik ben bij mijn broer ingetrokken die in het township een huisje had met twee kamers. Ik moest een lening afsluiten om zelf een huis te bouwen. Ik werd ziek en kon de lening niet terugbetalen. Het was heel moeilijk.” Het verhaal van onrecht en bureaucratische gewetenloosheid is niet bijzonder in Zuid Afrika. Hetzelfde is de bewoners van District Six in Kaapstad overkomen en van honderden andere plaatsen. In Zuid Afrika is geen stad, groot of klein, zonder een of meer townships. Umasizakhe is helemaal niet bijzonder – Soweto bij Johannesburg is de trekpleister voor politieke correctheid – en daarom wil het ik bezoeken.

“Dus jij wil Umasizakhe bezoeken?” vraagt Terrence. “Ik regel wat voor je.” Hij gaat bellen en komt terug met een papiertje met daarop de namen ‘Rocco’ en ‘Tessa’ en een telefoonnummer. “Morgenochtend wacht een van die twee je op, op de hoek bij de kerk.” Op de hoek bij de kerk, niet bij Le Jardin. Ik vraag niet waarom, waarschijnlijk liever neutraal terrein. Dus sta ik om negen uur ’s ochtends op de hoek bij de kerk, sta daar om kwart over negen nog en om half tien zonder Rocco of Tessa te hebben ontmoet en dan bel ik maar eens het opgegeven telefoonnummer. Een meisjestem: “Oké. U staat daar. Ik ben er in vijf minuten.” Terrence komt: “Ze bellen dat ze je niet kunnen vinden maar je staat op de afgesproken plek.” Hij loopt rond de kerk, komt terug: “Niemand te zien.” Terrence moppert: “Nou bezorg ik ze werk, kunnen ze geld verdienen, komen ze niet!” Ik ben laconiek, gewend aan Afrikaanse afspraken; het gaat vaak zo: er komt iets of iemand tussen. Uiteindelijk komt toch Tessa.

Tessa en ik lopen Caledon Street uit. Voor de geldautomaten van de banken staan lange rijen. Tessa: “Vandaag keert de sociale dienst uit. Sommige mensen staan hier al om zes uur ’s ochtends.” De sociale dienst keert uit aan moeders met kinderen en aan bejaarden, Zuid Afrika kent geen werkloosheidsuitkering. Terrence, later: “De overheid betaalt elke moeder met kinderen zeshonderd rand per maand. Daarom wil een meisje zo snel mogelijk moeder worden. Vaak wonen meer gezinnen in één huis, dan hebben ze samen zo’n tweeduizend rand. Dat is genoeg en hoeven ze niet te werken.” Nita: “Ik ben tegen die uitkeringen. Er is geen waardering voor geld dat je niet zelf hebt verdiend. Dat wordt over de balk gegooid. Onze tuinman werkt drie halve dagen per week. Halve dagen! Ik heb mijn hele leven gewerkt, voltijds, bij de bank.”

“Het township is niet ver van hier.” Meestal ligt een township op flinke afstand van de blanke stad maar Umasizakhe zit bijna aan Graaff-Reinet vast. Bijna: de strook niemandsland is niet breder dan tweehonderd meter. Toch gescheiden. In de lege ruimte tussen Graaff-Reinet en Umasizakhe staat een monument. “Voor de slachtoffers van de strijd tegen de Apartheid.” verklaart Tessa “Voor degenen die door de politiekogels zijn gedood en ook voor de verbranden.” Collaborateurs, echte en vermeende, werd een autoband om de hals gehangen, overgoten met benzine en in brand gestoken. Ik herinner me de televisiebeelden: schokkerig en vaag, een menigte en in die menigte een brandende gedaante. Het waren afschuwelijke beelden. Tessa: “Ik was nog een kind maar ik herinner me het nog goed. Ik zag het.” De politiedoden en de verbranden delen samen een monument: verzoening in de zwarte gemeenschap.

“Umasizakhe is geen erg township en het is er ook niet gevaarlijk.” Tessa kan het weten: ze woont er, is er geboren en opgegroeid, kent iedereen. Ze wordt gegroet – ook door de opgeschoten jongens – groet terug, maakt een praatje, informeert naar dit of dat. “Dus ik had ook zonder jou het township kunnen bezoeken?” Ze bemonstert me van opzij, om te zien of ik het meen, glimlacht: “Je hebt een nogal dure camera.” Het was een van mijn vragen bij onze ontmoeting: kan ik mijn camera meenemen en foto’s maken? “Natuurlijk” zei ze “Je kunt foto’s maken waar je wil. Als je mensen wil fotograferen, dan zal ik het voor je vragen.” Ik heb ook met haar afgesproken dat ik woningen kan bezoeken omdat ik wil weten hoe de mensen leven. Umasizakhe maakt geen deplorabele indruk. De hoofdstraat is geasfalteerd en ook de zijstraten, op een paar na. “Daar wonen aanhangers van het PAC. Het ANC heeft de meerderheid in het gemeentebestuur.” Robert Mangalisu Sobukwe, de stichter van het Pan African Congress en voorman van de Black Consience Movement, is hier geboren, heeft er gewoond – voor zover hij niet op Robbeneiland of op een andere plaats gevangen zat – en is er begraven. Met Robert Sobukwe heeft Umasizakhe en Graaff-Reinet een paragraaf in het Zuid-Afrikaanse geschiedenisboek. Het is blijkbaar niet voldoende om het ANC-bestuur te vermurwen ook de straten van de PAC-aanhangers te asfalteren. Tessa wijst me het huis van Sobukwe: “Men wil er een museum van maken maar het gemeentebestuur houdt dat tegen.” Het huis is bescheiden maar steekt qua verzorging en fleurigheid af tegen de huizen in de omgeving. Het is eigen bouw. Ook Tessa’s familie heeft haar huis zelf gebouwd: roze geschilderd met een betegelde veranda en een betegelde trap. Ze woont er met haar moeder, grootmoeder, zussen en een kinderschaar. Ik heb er geen volwassen mannen gezien. Tessa heeft drie kinderen en is gescheiden: “Hij sloeg me en ik mocht niet werken maar ik wilde mijn eigen leven opbouwen. Hij is vertrokken naar Johannesburg.” Behalve de zelfbouw zijn er drie soorten huizen in Umasizakhe: de huizen die door de overheid in de Apartheidstijd zijn gebouwd – geen water, geen elektriciteit, latrine op het erf en de waterpomp in de straat – en krotten van golfplaat, plastic en karton – Tessa: “Die mensen wachten op een nieuw huis. De overheid vertelt niet wanneer dat huis zal worden gebouwd want als je een datum noemt, dan moet je je daaraan houden.” – en de huizen die door de overheid na de Apartheidstijd zijn gebouwd. Dat zijn er niet erg veel en het is werkelijk uiterst eenvoudige bouw: enkelsteens bakstenen muren, een zinken golfplaten dak, geen plafond. Met dat zinken dak en zonder plafond moet het in huis ’s zomers ovenheet zijn en ’s winters ijskoud. Slecht gebouwd ook: ruw gemetseld, scheuren, grote kieren in de muren bij de aansluiting met de dakspanten. De indeling: een woonkamer met een open keukentje, twee piepkleine slaapkamers, gecombineerde douche- en toiletruimte. Tessa: “De mensen zijn er tevreden mee want ze kwamen uit een krot en nu hebben ze een echt stenen huis met elektriciteit, waterleiding en toilet. De mensen hoeven niet meer naar een stinkende latrine en niet meer naar de pomp in de straat.” Terrence, later: “Je hebt het gezien: slechte bouw. Die huizen uit de Apartheidstijd, die staan er over een eeuw nog; degelijk gebouwd. Geen elektriciteit en water? Toen ze werden gebouwd had niemand elektriciteit en water!” De woonomstandigheden in Umasizakhe vallen me eigenlijk mee, het is pover maar het gaat, op de shacks na maar daarvan zijn er niet heel veel. Ik heb erger gezien. Wat me opvalt: er is geen straatverlichting. Dat wil zeggen: geen lantaarns langs de weg maar wel een paar enorme masten met bovenin een ring van lampen, als op een parkeerterrein of op een vliegveld. Tessa: “Die masten zijn geplaatst in de tijd van de strijd. Het was hier ’s avonds aardedonker, de politie kon niets zien, ze kende de weg niet en liep in hinderlagen. Daarom hebben ze die masten geplaatst. We hebben daardoor nu natuurlijk wel verlichting.” Na Umasizakhe let ik er op: in elk township staan zulke lichtmasten. Het licht van de Apartheid.

Township Umasizakhe

Het township Umasizakhe met op de achtergrond het licht van de Apartheid.

Ik wil de gemeenschapsvoorzieningen zien: de kliniek, de school, het bejaardencentrum. In de kliniek werken twee verpleegsters en eenmaal per week komt de dokter. De wachtruimte zit vol. “We maken geen afspraken.” legt een van de verpleegsters uit “De mensen komen de afspraken niet na; ze komen pas als ze weer last hebben.” Veel tuberculose, huidaandoeningen en andere ziekten die met HIV en AIDS samenhangen. Een kwart, misschien wel veertig procent van de bewoners van Umasizakhe is met HIV besmet of heeft AIDS. “Vorig weekend hadden we hier zeven begrafenissen.” vertelt Tessa. Als in andere Afrikaanse landen wordt in het weekend begraven. “Allemaal jonge mensen. Ze luisteren niet naar de voorlichting. Ze gebruiken geen condoom.” Ik: “Een condoom is een onding. Herinner je nog toen je achttien was en je wilde wat? Wat deed je toen?” Tessa lacht maar ik weet niet zeker of ik haar aan iets prettigs of juist iets onprettigs herinner. De school is een mooi degelijk gebouw, gebouwd met steun van de Europese Unie. Bij de school is een moestuin en er worden schoolmaaltijden verzorgd. Komt honger voor in Umasizakhe? “Veel kinderen krijgen thuis niet te eten. Het geld gaat op aan drank en drugs.” De school is overigens gesloten want de leraren staken voor hoger loon. Terrence, later: “De leraren staken? De leraren van de school hier tegenover krijgen hetzelfde loon en staken niet!” Hij bedoelt de Union Primary School, de school voor de gegoeden, waaraan de ouders kunnen bijdragen. De kinderen van die school dragen uniformen met een jasje en een strooien hoedje. Als ze je passeren nemen ze beleefd hun hoed af. De bejaarden van Umasizakhe tref ik aan in het bijgebouw van de kerk. Aan de middagmaaltijd: maïspap, geen groenten, geen vlees. Ze knikken me vriendelijk toe, ik mag foto’s maken en ze lachen als ik ze het resultaat laat zien op het schermpje van de camera. Dat zijn de mensen wier leven is verwoest door de Apartheid. Tessa: “Het is natuurlijk niet veel maar ze krijgen te eten, ontmoeten elkaar, kunnen televisie kijken en er worden ook activiteiten georganiseerd. Ze leren lezen en schrijven. Dan kunnen ze hun naam schrijven op het papier van de sociale dienst en zijn ze onafhankelijk.”

Umasizakhe, bejaarden aan de maaltijd.

Bejaarden van Umasizakhe aan de maaltijd; een beetje geluk na een verwoest leven.

Terrence, na mijn bezoek aan Umasizakhe: “Jij denkt dat ik terug wil naar de tijd van de Apartheid! Geef het maar toe! Maar ik was altijd tegen Apartheid, ik heb mijn hele leven op de liberalen gestemd. In een democratie moet iedereen kunnen stemmen. Dat hebben we bereikt. In 1994 werd Zuid Afrika eindelijk een democratie.” “Wat heb je toen gedaan?” “Wat bedoel je?” “Nou, ben je naar die mensen in Umasizakhe gegaan en heb je gezegd ‘gefeliciteerd’ en ‘sorry’ of zo?” Terrence: “Moet dat dan? Doe niet zo gek. Dat doe je in je eigen land toch ook niet?” Voor blanken was het na 1994 business as usual maar voor zwarte mensen moest het toen beginnen.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s