De vrijheid van Kaapstad

Ik heb er tegenop gezien, tegen aankomen in Kaapstad! Ik was bang voor de emotionele klap, de ontreddering van lachen en huilen tegelijkertijd. Lachen omdat ik het gedaan heb en huilen omdat het gedaan is. Daarom bleef ik een maand in Namibië zodat de emotionele ontlading geleidelijk plaats kon vinden. Ik reed in zeven maanden tweeëndertigduizend kilometer. Ik reed door Marokko, Mauritanië, Mali, Burkina Faso, Ghana, Togo, Benin, Nigeria, Kameroen, Gabon, Congo Brazzaville, Congo Kinshasa, Angola, Namibië en Zuid Afrika naar Kaapstad. Ik reed door de woestijn, de Sahel, de droge tropen, de natte tropen, de savanne en weer de woestijn. Ik zwoegde over pistes, soms meter voor meter mijn weg zoekend. Stof en zand, kuilen en wasbord. Het deed pijn. En dorst, dat was misschien wel het ergst. Ik heb vrijwel continu dorst gehad, een eeuwig zeurende dorst. Door hitte en inspanning verloor ik zoveel vocht dat er niet tegenop te drinken viel. Ik reed all the way down. Veel Afrikanen konden het niet geloven: “Gereden? Dat kan helemaal niet. Tussen Europa en Afrika ligt een grote zee!” Toeristen in Namibië vroegen “Hoe heb je die motor hier gekregen? Heb je hem verscheept? Wat … gereden? Dat is ongelofelijk! Is dat te doen?” Het is te doen want ik heb het gedaan. De waarzegger van Rhumsiki, die de toekomst leest met hulp van een krab, voorspelde: “Jij komt aan in Kaapstad, zonder probleem.” Ik ben in Kaapstad. Mijn naam kan in het boekje bij hen die de westelijke route door Afrika hebben gedaan. Ben ik een macho? Ben ik een held? Ik ben een gewoon huis-tuin-en-keuken mens, weliswaar een op een motor. Zo een die de piste neemt zoals die komt, eerder bidt dan vloekt, de motor onderhoudt en de was doet zoals ik ook thuis de was doe. Gewoon volhouden.

2015110444

Zicht op Kaapstad vanaf de Tafelberg

Kaapstad: ik voel me er thuis, een echte stad. Nouakchott, Bamako, Yaoundé, zelfs Accra zijn geen steden maar grote dorpen met zand, kippen en geiten in de straten. Brazzaville heeft potentieel allure en zal het maken als de vrede blijft en het herstel doorzet. Abuja is een variant van Brasilia maar kan niet in de schaduw ervan staan; business architectuur. Windhoek is een provinciestad. Maar Kaapstad is een echte stad, een Europese metropool zoals San Francisco: een compacte stad met een centrum en met alles wat een stad moet hebben: winkels en warenhuizen, shopping malls en supermarkten, kroegen en restaurants, hotels en hostels, terrassen, bioscopen en theaters. Bij een tweedehands boekhandel vind ik Kapuschinski’s The Emperor (over de val van Haile Selassie), bij een ander The Other – een verzameling van lezingen die Kapuchinski hield over het thema ‘Ik en de ander’ – en bij Exclusive Books een uitgave van The Shadow of the Sun dat ik thuis in Nederland al in de boekenkast heb staan. Ik heb weer leesvoer. Het lichaam voed ik bij Hudson’s Burger Joint, met een hip jong publiek, bij Guido’s (Italiaans) of bij Spur Steak Ranch. Aan het eten kun je aflezen dat Zuid Afrika een blue collar land is zoals de Verenigde Staten: te veel en te dik en te dik is een variant op te veel. De minestronesoep bij Guido’s is te dik om soep te zijn. De pasta carbonara is er te dik, dankzij bindmiddel, bevat gehakt in plaats van buikspek en champignons die er niet in horen. Bij Hudson’s kun je alle hamburgers krijgen in twee maten: twee en een half ons en drie en een half ons. Als je niet uitdrukkelijk de kleine bestelt krijg je de grote. Daar horen vanzelfsprekend toppings bij en side dishes. Te veel. Ontbijten doe ik bij Sofia’s in Kloof Street. Sofia’s Special: twee spiegeleieren met bacon op toast en marmelade en boter en twee koppen koffie voor vier en een halve euro. Er loopt daar, bij Sofia’s, een ei van een ober rond. “Waarmee kan ik u van dienst zijn?” “Met een Sofia’s Special, alstublieft.” “Héél goed! En hoe wilt u de eieren?” “Zacht alstublieft.” “Excellente keuze!” Het gaat om een ei, ei!

Long Street is de toeristengoot van Kaapstad met heel veel restaurants, bars, souvenirwinkels en travel agencies. Er zijn heel sjieke bars die ‘lounge’ worden genoemd met vaste vloerbedekking, stoelen met armleuningen en meisjes met schorten in de bediening. Geen plaats voor mij. Ik vind vaste vloerbedekking geen geschikte ondergrond voor een drinkgelag, stoelen met armleuningen is het meubilair waarin je je tante ontvangt en die meisjes kan ik niet uit elkaar houden. Ik was stamgast bij Bob’s Bar; dat wil zeggen: de barman groet met een kort hoofdknikje – dan ben je gekend – zoals goede barmannen plegen te doen. Hij weet welk merk bier ik drink (Boston’s, dat is de goedkoopste) en welke whisky (MacQueens, dat is ook de goedkoopste) en vraagt alleen of ik een enkele of een dubbele shot wil (een dubbele). Er staat een poolbiljart dat voortdurend bezet is en waarover veel geruzied wordt, in de hoek een gokkast en er hangt een luidruchtig flatscreen. Dat is de inventaris van Bob’s Bar, naast de bar natuurlijk. Geen vaste vloerbedekking, geen stoelen met armleuningen maar hangtafels. Bob’s heeft bijpassend publiek: kantoorklerken en werklui, dikke kerels met goudkleurige horloges, leeuwennegers (die types die in Amsterdam roepen “respect, man!” die roepen hier “take it easy, broe!”), oude mannen en vrouwen zonder gebit, verlopen nichten, gezette lesbo’s, opgeschilderde hoeren, studenten. De huisregels hangen bij Bob’s aan de muur. Het poolbiljart mag alleen gebruikt worden als je ook een consumptie neemt. Petjes en capuchons moeten worden afgedaan en de portier ziet daar streng op toe. Het is verboden bij klanten te bedelen om een drankje of een sigaret. Daaraan wordt niet de hand gehouden want het is de openingszet van de hoeren: “Schat, heb je een sigaret voor me? Dank je, darling. Waar vandaan? …” De dames zorgen voor extra omzet. Het is niet moeilijk aan de praat te komen met de hoeren, de oude mannen, de dikke kerels, de verlopen nichten. “Ik een nicht? Welnee, mijn vader wel maar ik niet hoor. Wel geprobeerd, net als de drugs.” Van drugs moet ik niets hebben; ik gebruik alcohol, cafeïne en nicotine en dat is genoeg. De afkeuring moet van mijn gezicht te lezen zijn. “Ja, jullie in Holland, jullie zijn ons ver vooruit. Je moet begrijpen: hier in Zuid Afrika, hier mocht helemaal niks. Dus probeerde je alles wat verboden was, zoals de drugs. Nu is er vrijheid en ben ik alweer jaren clean.”

Er is nog een gelegenheid waar ik graag kom: The Bronx aan de Somerset Avenue. Een gelegenheid met die naam is doorgaans geen gelegenheid waar je je moeder mee naar toe zult nemen. Er gedijt daar veel dat slecht gedijt in daglicht. Niet in The Bronx aan de Somerset; dat is een vrolijke gaybar met berennichten in leer en met baard, fashion nichten in fleurige kleding en een uilenbril op de neus, relnichten. Blank en zwart, man en vrouw; heel gewoon. Achter de tap staan kauwgum kauwende jongens met een lijf waarop Australische surfers patent hebben: evenveel spieren als vet. Als het warm wordt trekken ze hun T-shirt uit en kun je hun torso met tatoeages bewonderen. The Bronx heeft twee dansvloeren met spiegelwanden want ho’s onderscheiden zich niet zozeer van he’s doordat ze op mannen vallen maar vooral omdat ze veel belangstelling hebben voor zichzelf. Geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, dat wil je graag weten; ik weet daar alles van. Op de hoek van de bar staat een danspaal. Ik heb nog nooit mannen zien paaldansen maar hier wel. Ik bezie een donkere jongen die heupdanst aan de paal op het supersnelle ritme van de house en daarbij nog weet te jongleren met zijn hoedje. Uitgelaten vrolijk, prettig egocentrisch zonder pathologie. Dat is The Bronx en dat is Kaapstad. Vergelijk dat eens met Miami Beach waar de terrassen vol zitten met nichtenstellen met allemaal hetzelfde uitgestreken smoelwerk. Allemaal lang geleden gearriveerd en over de vrijheid is een patina gekomen. Het kan nog veel erger: in een oud nummer van Vrij Nederland las ik een artikel over de opkomst van extreemrechts in homokringen. Vreselijk! Wilders Adepten, NationalNichten, SS-Schwulen. Ze zijn vergeten waar ze vandaan komen of misschien waren ze al gearriveerd nog voor ze geboren waren. Ik ben opgegroeid in de tijd dat de vrijheid nog veroverd moest worden, de tijd van psychiaters en politiecontroles. Ik deed vrijwilligerswerk bij het COC, verkocht consumptiebonnen bij de ingang. Jacques V., die de leiding had, zei “Vanavond komen er twee heren in lange regenjassen. Als ze er zijn, waarschuw me dan even.” Geen potloodventers maar de zedenpolitie. Wij namen het op voor de minderheden, voor de Antillianen (leuke jongens waren dat!) en ook voor de pedo’s en de allochtonen. Dat is nu anders, deels hebben de pedo’s en de allochtone jongeren dat aan zichzelf te danken maar het is ook anders omdat de vrijheid vanzelfsprekend is geworden; je hoeft er niks meer voor te doen. Niet in Kaapstad, hier is de vrijheid nog vers, vrolijk en uitgelaten.

Welvaart gedijt in vrijheid en welvarend is Kaapstad! In de straten rijden Mercedessen en BMW’s en ik zag zelfs een Lamborghini. BMW en Harley Davidson leveren het leeuwendeel van de motoren op de weg. Te midden van het havenbedrijf is The Waterfront verrezen, een shopping mall met luxe winkels waar je de spullen kunt kopen die je eigenlijk niet nodig hebt, met restaurants en terrassen, met hotels en appartementen en er is ook een aquarium. Het is helemaal en vogue om te investeren in het land van Nelson Mandela, bij voorkeur in het hippe Kaapstad en minder graag in Pretoria – te boers – of Johannesburg, te crimineel. En de toeristen komen in drommen naar het land van de nieuwe vrijheid, want dat is nu politiek heel correct. Ouderen en backpackers brengen het geld met karrenvrachten binnen; de restaurants, cafés en terrassen langs Long Street en in The Waterfront puilen uit. En dan komt ook nog het wereldkampioenschap voetbal er aan en wat dat allemaal gaat opbrengen …. Kaapstad gloeit van de koorts. Er is een spiksplinternieuw stadion verrezen, er wordt meer asfalt gelegd dan ik in heel Afrika ben tegengekomen, er zijn voetgangerslichten geplaatst met grote knoppen die het ook doen, er worden sleuven gegraven voor nieuwe glasvezelkabels, overal hoor je de drilboor en de bulldozer, parken en plantsoenen worden vernieuwd. Wauw … het gaat bééstachtig goed! Voor de overwegend blanke middenklasse en de bovenlaag van de samenleving. Niet door oneerlijkheid of corruptie maar dat zijn de mensen die de nieuwe kansen van de Post-Apartheid het snelst en het best hebben weten te benutten. De mensen van de ondernemingen en de banken zijn ook de mensen van de Mercedessen, de BMW’s en de restaurants. Voor de overwegend zwarte lagere klassen is het kleingeld. Dat zijn de obers, de parkeerwachters, de bewakers, de straatvegers (want Kaapstad moet schoon zijn!), de politieagenten, de schoenpoetsers, de krantenverkopers; kortom: de mensen die voor een karig loon lange dagen maken. De daklozen, de bedelaars, de verslaafden, de gestoorden, de straatkinderen krijgen de kruimels van de tafel. Voor hen zijn er, voor de duur van de kampioenschappen, opvangprogramma’s want die mensen wil je niet op straat hebben bij zo’n wereldfestijn. Niet iedereen is tevreden met de kruimels en zoekt wegen om meer van de tafel te krijgen en daarom is de criminaliteit on the rise. En zo ontstaat in het Post-Apartheid tijdperk de bizarre situatie dat in Long Street mager betaalde overwegend zwarte politieagenten de overwegend blanke jeunesse dorée beschermt tegen overwegend zwarte straatrovers en zakkenrollers.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s