Niets te zien?

De B1 is de ruggengraat van het Namibische geasfalteerde wegenstelsel en loopt van de grens met Angola in het noorden over Windhoek naar de grens met Zuid-Afrika in het zuiden. Daaraan hangen nog wat asfaltdraden: de B8 van Windhoek over Rundu naar Katima Mullilo aan het einde van de Caprivistrip, de B2 van Okahandja naar Swakopmund, de B6 naar Botswana, de B4 die loopt van Keetmanshoop naar Lüderitz en de B3 van Grunau naar Upington in Zuid-Afrika. Dat is het hele geasfalteerde wegenstelsel van een land dat zo groot is als Frankrijk! Alle andere wegen zijn gravel roads; ik geef de voorkeur aan het Vlaamse woord ‘piste’ vanwege de associatie met acrobatiek, dat recht doet aan het rijden over die wegen. Overigens zijn de Namibische pistes onvergelijkelijk veel beter dat die welke ik in West en Centraal Afrika heb gereden, dankzij het grinddek, behalve in het noorden van Namibië. De regen was vorig jaar en dit jaar overvloedig – in Zuid Angola is de Cunene buiten haar oevers getreden en heeft grote gebieden onder water gezet en in de Caprivistrip stond de Okavango tot aan de rand – en heeft de toplaag uitgespoeld zodat er gemeen grote stenen uit het wegdek steken en de zachte onderlaag hopeloos is gewasbord.

Ik nam de C28 van Windhoek naar Swakopmund: driehonderdvijftig kilometer achtbaan – heuvel op, heuvel af, naar links en naar rechts – waarop ik met gemak tachtig kilometer per uur haal behalve bij de voorden. Daar rem ik af want ze zijn steil en op de bodem ligt vaak zand. Ik trek een stevig stofspoor. De savanne van het Khomas Hochland: geel gras, struiken en lage bomen. Langs de weg lopen troepen bavianen die demonstratief hun kont naar de motorrijder keren. Een groep struisvogels steekt de weg over, elegant als ballerina’s met hoog opgetrokken tutu’s. Antilopen vluchten voor de motorrijder uit. Daar waar het Hochland eindigt in een steilrand en over gaat in de vlakte die afloopt naar de kust, daar eindigt ook de savanne, begint de grassteppe en daarna komt de kustwoestijn. Langs de rand van het Hochland drijven inktzwarte onweerswolken met regenbaarden. Het ruikt naar regen; ik zwijn tussen twee buien door. Nog veertig kilometer van de kust ruik ik de zee, de geur van schelpen en zeewier.

Onweerswolk met regenbaard

Langs de rand van het Hochland drijven inktzwarte onweerswolken met regenbaarden.

Van Swakopmund langs de kust loopt de C34 naar het noorden tot Terrace Bay. Niet verder want daar begint het gesloten natuurgebied van Skeleton Coast. De C34 is een “salt road”, verhard met zout en teer. Zo’n wegdek heb ik nooit eerder gereden. Er staat een harde wind uit het zuidwesten en die brengt de kou mee van de Benguela Stroom voor de kust. Voor het eerst sinds maanden heb ik het koud; ik draag mijn windjack. Er hangt dichte mist die in de loop van de ochtend wel optrekt maar niet helemaal verdwijnt. Links de oceaan, rechts de woestijn. Een lange rechte weg waarlangs niets is te zien. Niets te zien? Ik passeer Wlotzkasbaken, Jakkalsputz en Henties Baai, winderige plaatsen, niet meer dan een ordeloze verzameling huizen in pasteltinten met watertanks ernaast. Waarvan leven de mensen hier? Henties Baai moet het hebben van de toeristen op weg naar het noorden of naar het oosten, naar Cape Cross of naar Uis en de Brandberg, en van sportvissers die over de C34 rijden op weg naar hun favoriete stek in grote pick-ups met hengels als reuzen voelsprieten op de neus. Niets te zien? Langs de weg staan kruisen waar God een mens riep zoals langs alle rechte wegen in de woestijn en de steppe waar niets te zien is. God is daar barmhartig, sust de geroepene in slaap of verblindt voor de naderende dood van de tankauto. Karl Holz werd geroepen op 26 augustus 1999. De inscriptie op het houten kruis is is bijna uitgewist door de wind en het zout. Niets te zien? In de branding ligt de gestrande Zeila, een trawler. Ook door God geroepen. Heel lang geleden kan het niet gebeurd zijn: het schip is nog intact, niet uiteengeslagen door de golven, niet door mensen beroofd van antennes en masten. Niets te zien? Veertig kilometer voorbij Henties Baai ligt Cape Cross, een eenzame kaap bewoond door een enorme kolonie pelsrobben. Het zeewater schuimt er gelig groen van de poep en het stinkt er afschuwelijk. In 1486 landde Diego Cão op de kaap, richtte er een padrão op, een stenen kruis – vandaar “Cape Cross” – voor God en de koning van Portugal en zeker ook om te melden “Ik was hier”. Er staat nu een replica; het origineel zou te zien zijn in een museum in Windhoek maar niemand weet waar. Pal ernaast plantten de Duitsers in 1895 hun eigen kruis, misschien voor Gott und Kaiser maar dat staat er niet bij. Diego en zijn mannen waren helden. Ze dankten God omdat ze het er levend vanaf gebracht hadden. Ze zullen in hun broek gescheten hebben want het idee dat de aarde een bol is waar je niet af kunt vallen was nieuw en niet bewezen; Magelhaen bewees het door om de aarde te zeilen. De bewondering die ik voor Diego en zijn mannen heb, kan ik niet hebben voor de Duitsers; voor hen was het vanzelfsprekend dat je niet van de aarde kunt vallen. Hun kruis, naast dat van Diego Cão, is een ‘me too’.

Kruis langs de weg

Op deze plaats riep God Karl Holz.

Het wrak van de Zeila

Het wrak van de Zeila

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s