Over blank en zwart en alles wat daar tussen is

Ik ben in Namibië! Het is gelukt, ik heb het einddoel weliswaar nog niet bereikt maar ik ben er door! Ik voel de roes van de wielrenner die weet dat hij de Tour gewonnen heeft maar de laatste etappe nog moet doen. Van het noorden van Namibië naar Kaapstad is nog tweeduizend kilometer en het zal een zegetocht zijn. Ik weet het zeker. Ik reisde zes maanden door West Afrika, van noord naar zuid. Waarom? Om te zien hoe het daar met de mensen gaat.

Zwart Afrika begint abrupt, bij de grens tussen Mauritanië en Mali. Mauritanië heeft weliswaar een zwarte bevolking maar een Arabisch-blanke bovenlaag die de cultuur bepaalt en aan de economische touwtjes trekt. Zwart Afrika eindigt even abrupt, bij de grens tussen Angola en Namibië. Namibië heeft een zwarte meerderheid maar een Europees-blanke bovenlaag die de cultuur bepaalt en aan de economische touwtjes trekt. Tussen die twee grenzen is zwart de norm, vanzelfsprekend. Buiten de toeristenplaatsen was ik vaak de enige blanke. Menigmaal heb ik kinderen opgewonden horen roepen “un blanc, un blanc!” Ik ben aangesproken met ‘monsieur le blanc’, met ‘white man’, met ‘wibo’ dat vermoedelijk een verbastering is van ‘white boy’, met ‘chef’ en ‘boss’, zelfs met ‘papa’. Zwart Afrika is bijzonder en complex voor de Europeaan, vol van dubbelheden. Dubbel is de wijze waarop ik door Afrikanen, in het algemeen gesproken, ben bejegend. De Afrikaan is ervan overtuigd dat de blanke zonder hulp hopeloos zal verdwalen, zal verongelukken, in zeven sloten tegelijk zal lopen. De blanke is in Afrika zwak, kan niets dragen, kan niets verdragen, wordt gauw ziek. Daarom kan ik tussen die twee grenzen geen stap verzetten zonder hulp, zonder gids. Tegelijkertijd wordt erg tegen de Europeaan opgezien: ‘chef’, ‘papa’, ‘boss’. De Europeaan is rijk, weet meer, kan meer. In Nigeria hoorde ik de verzuchting “Misschien zouden we eens moeten denken aan een vorm van rekolonisatie want zo gaat het niet langer.” Dat is schokkend. Blank staat voor succes. Daarom zijn er in Afrika middeltjes te koop om de huid te bleken. Daarom wil men graag gezien worden met een blanke: “Ze kijken naar ons omdat ik met een blanke loop” stelde Charles vergenoegd vast. Daarom wil politiekorporaal Pukuma met mij op de foto. De korporaal zei ook “Het is plezierig met blanken om te gaan want ze zijn minder complex.” Tegenover de bewondering staat argwaan. Vooral in Nigeria is gevraagd hoe het staat met het racisme in Europa. Eigenlijk gaat het niet om het racisme in Europa – want Europa is ver weg – maar om de overtuiging geaccepteerd te zijn, geaccepteerd als mens onder de mensen. Nigerianen twijfelen aan die acceptatie.

Ik zeg gemakkelijk “Ik kan goed overweg met de Afrikanen, ik heb geen last van het zwart-blank gedoe.” Zo gemakkelijk is het niet. Er is een grote afstand tussen de Afrikaanse en Europese cultuur – verschillende beelden, waarden, opvattingen – maar de cultuurkloof is voor mij niet de eerste oorzaak van de vaak ongemakkelijke omgang. Het is zwart en blank, kleur, dat de relatie tussen ‘mij’ en ‘zij’ onder druk zet: ik kan ze niet uit elkaar houden. De donkere huidskleur is zo overweldigend dat het brein de onderscheidende kenmerken niet opmerkt. Allemaal hetzelfde, een donkere muur. Van welke ober moet ik mijn wisselgeld terugkrijgen? Is dat de gids met wie ik gisteren heb afgesproken? Ik probeer ze te onderscheiden aan het hemd, het kettinkje rond hals of pols maar dan hebben ze weer een ander hemd aangetrokken. Afrikanen weten het: blanken kunnen zwarten niet onderscheiden. Hoe erg de verhouding wordt belast is afhankelijk van de wijze waarop Afrikanen erop reageren; of iemand zich afgewezen voelt en dat probeert te negeren waardoor de claim op de omgang alleen maar groter wordt of dat iemand de omgang bevrijdt met een lach “Ik was het waarmee je hebt afgesproken. Je herkent me niet!” Afrikanen kunnen ook niet altijd blanken onderscheiden. Ik informeerde voor een toerist hoe laat zijn four-wheel drive zou vertrekken. De chauffeur, verbaasd: “Dat heb ik u toch zojuist gezegd, om vier uur!” Hij verwarde mij met de toerist. Onderscheiden, mensen als individuen herkennen, is een probleem van blank én zwart. Ter verontschuldiging van mijn eigen onvermogen: de Afrikaan hoeft maar een paar blanken uit elkaar te houden terwijl ik onderscheid moet zien te maken in een donkere massa. Dat lukt na verloop van tijd, als het brein gewend is. Er zijn grote verschillen in huidskleur: van koffiekleurig via chocolade en de gouden kleur van motorolie naar bleekbruin. De een heeft flaporen en een snor, de ander een platte neus, de derde een terugwijkende kin of is opvallend knap.

Mensen herkennen is een probleem, van voorbijgaande aard, gezichten lezen een ander. Ik moet het hebben van gezichten lezen om karakters en intenties te peilen. Met Ierse Rob reisde ik door Congo en Angola, tot halverwege de piste tussen N’Zeto en Caxito. Daar hebben we afscheid genomen. Rob was op de piste veel sneller – behendiger of roekelozer – en had haast. Ik had vrede met het afscheid want op Robs gezicht las ik ongeduld en ergernis. Dat is geen goed gezelschap op de piste. Op de gezichten van Afrikanen lees ik niets of het zou gereserveerdheid en scepsis zijn. Zelfs op het gezicht van Charles las ik weinig zodat ik af moest gaan op woord en daad. Misschien zijn Afrikanen, door de bot genomen, wel gereserveerd en sceptisch; ik weet het niet.

In de Afrikaanse landen zijn hotels doorgaans in handen van blanken. Van hen hoor ik over Afrikanen: ze kunnen niet rekenen, ze kunnen niet plannen, ze kunnen niet organiseren en “Nama’s zijn lui.” Altijd ‘ze’ en in combinatie met ‘niet’ of iets negatiefs. Ik noem dat expatpraat en heb er een gloeiende hekel aan. Als ik eens probeer “Ze zijn geweldig gekleed” of “Het gaat best goed” of ”Ik trof in Kumasi een heel kundige monteur” dan krijg ik te horen “Voor dat pak hebben ze hun bed verkocht” of “Wel een brommer maar hun kinderen hebben niet te eten” of “Je bent er toch wel bij gebleven, hè?” Altijd negatief. Het zijn blanke ogen die naar een zwarte omgeving kijken. Ik begrijp het wel: zij proberen het dagelijkse leven te leiden met Europese waarden van werken, vooruitzien, geld verdienen. Ik ben maar een passant, ik heb gemakkelijk praten. Ik kan vooral slecht tegen ‘ze kunnen niet organiseren’ want ik ben een organisatiemens. Alles is altijd georganiseerd en zo goed als nodig is maar je moet je afvragen met welk doel. In Rusland is alles erop gericht het systeem in stand te houden, de organisatie is daar doel op zichzelf. Daarom kan ik in het hotel geen ontbijt krijgen want de kas van de vorige avond is nog niet opgemaakt. Daarom ruziën twee obers over aan wiens tafel ik zal zitten want ze willen allebei hun tafels op orde houden. In de Arabische wereld gaat het erom een broer, neef of oom aan werk te helpen en daarom zijn er ontzettend veel paperassen en klappers. Werk voor één wordt zo uitgebreid dat het door twee gedaan moet worden. In Nederland proberen managers werk voor twee zo te organiseren dat het gedaan kan worden door één. Dat noemen ze ‘efficiënt’. De organisatie van een ambassade heeft een ontmoedigend oogmerk: je moet je eerst melden en inschrijven bij de wacht aan de poort, daarna moet je je melden en inschrijven bij de receptie waar je een nummertje krijgt, dan ga je naar de wachtkamer totdat je nummer – wanneer? – wordt afgeroepen, lever je bij de balie je visumaanvraag in en mag je woensdag terugkomen. Aanvragen alleen op maandag en donderdag tussen 09.30 en 12.30, afhalen op woensdag en vrijdag na drieën. In Afrikaanse landen is bureaucratie een sociaal gebeuren, een theaterstuk van de vertegenwoordiger van de staat met de burger als figurant in een daarbij passend decor van paperassen en met publiek. Het gaat niet om de regel, niet om de wet, niet om de administratie – dat is allemaal bijzaak – maar om de handeling, de gunst van de ambtenaar, vertegenwoordiger van de staat. Zou de ambtenaar volgens de regels, zonder omhaal, een visum uitschrijven of een verblijfsvergunning afgeven dan is hij een pennenlikker of een stempelaar maar géén autoriteit en de staat dus ook niet. Het bevestigen van de autoriteit is de bedoeling van het theater en daarom is er ook publiek, anders zou niemand de autoriteit kunnen zien. Ik verzeker: ‘ze’ kunnen geweldig organiseren.

‘Niet kunnen’ is een verklaring voor ‘niet doen’, een waargenomen feit. Ik neem aan dat de uitspraken van die expats ergens over gaan, dat ze ervaren dat er niet wordt gerekend, gepland, georganiseerd – niet naar de maatstaf van de expat – en daarvoor zoeken ze de verklaring in ‘niet kunnen’, een gebrek. Ik geloof niet in het bestaan van een collectief gebrek. Ik zoek liever de verklaring in de beleving van nut en noodzaak en dat is afhankelijk van de betekenis die mensen geven aan zichzelf en hun omgeving. Europeanen, Russen, Chinezen, Arabieren, Afrikanen: ze hebben allemaal eigen wereldbeelden. Voor een Europeaan heeft het begrip ‘vrijheid’ de betekenis van ‘jezelf kunnen zijn, zelf beslissen’, voor een Rus ‘doen wat je wil’ en een Arabier denkt bij ‘vrijheid’ aan het buiten de huisdeur houden van de overheid. Verschillende betekenissen van vrijheid. Europeanen en Afrikanen geven niet dezelfde betekenis aan ‘tijd’. Een Europeaan is erg gericht op de toekomst. Wij schuiven het heden naar de toekomst; dat heet een ‘afspraak’. Als die afspraak in het heden dreigt te komen dan verschuiven we hem weer, hup, verder de toekomst in. Europeanen zijn zó gericht op de toekomst dat zelfs het verleden rijp voor de toekomst wordt gemaakt. Dat noemen we ‘monumentenzorg’. Plannen en organiseren is gericht op de toekomst. Daar hebben Afrikanen niet zoveel mee, die zijn meer gericht op het heden, hier en nu. ‘Goed’ is goed genoeg voor nu. Lekt het dak, dan leg je er een extra golfplaatje op. Stort het huis in, dan bouw je een nieuw huis. Afrikanen hebben niets met monumentenzorg. In Europa is het gezin de hoeksteen van de samenleving, in Afrika de familie. Het gezin – vader, moeder, kinderen: dat is toekomst. De familie – neven, ooms, tantes: dat is een mengsel van heden en verleden. Het heden is zó belangrijk dat het verleden aan het heden meedoet: voorouders tellen mee, maken deel uit van de familie, de doden doen mee. Overal op de wereld kennen mensen de wachtstand: ze gaan hangen, liggen of slapen; ze doden de tijd. Afrikanen zijn de enige mensen die ik heb ontmoet die in staat lijken de tijd in zichzelf stil te zetten: ze verstenen en de blik wordt glazig. Ze doden de tijd niet, de tijd bestaat gewoon niet totdat er weer iets gebeurt en dan is er weer tijd. Europeanen zijn slaaf van de tijd maar Afrikanen hebben haar bedwongen.

Hoe ervaar ik de ander? In 2004 bezocht ik Japan en schreef over dat land: “het lijkt alsof ik in een spiegel kijk. Ik zie mijn beeld en dat beeld maakt dezelfde gebaren als ik. Bijna dezelfde gebaren: als ik mijn hand optil doet het spiegelbeeld dat ook maar iets later of iets anders. Als ik lach, lacht het terug maar het is niet precies dezelfde lach. Ik denk in een spiegel te kijken, denk mijzelf te zien maar als ik goed kijk, dan zie ik: het is geen spiegelbeeld, het is een ander. Dat is hallucinerend.” De Japanse cultuur lijkt oppervlakkig op de onze maar onder die huid zit iets volkomen anders. In Afrika heb ik de omgekeerde ervaring: ik zie een ander, een volkomen ander met andere huidskleur, andere kleren, andere gebaren, andere lach. Maar als ik goed kijk, merk ik dat ik in een spiegel kijk, een sterk vervormende spiegel maar een spiegel: die ander, dat ben ik! Die ervaring is net zo hallucinerend als de Japanse. Dat niet te lezen uitgestreken gelaat, dat is ook mijn gelaat want ik ben op mijn hoede (op zijn minst omdat ik bang ben dat iets weer geld gaat kosten). Dat geldt voor de meeste, misschien wel alle, ervaringen in Afrika. Ik zag de corruptie in Nigeria en de myriaden directoraten, raden, boards die daarvoor evenzoveel aangrijpingspunten zijn. Nederland grossiert ook in raden, boards en projectgroepen die allemaal een secretaresse hebben, een vergadertafel met leren stoelen en natuurlijk een onkostenrekening. Nigeria is een spiegel. Allemaal spiegels: die ander ben ik, die andere samenleving is mijn samenleving. In de Afrikaanse landen waar weinig of geen blanken zijn, zoals in Nigeria en in de binnenlanden van Gabon en Congo, waar de mensen me aanspreken met ‘wibo’ of ‘papa’, waar de kinderen terug hollen naar het dorp en opgewonden roepen “un blanc, un blanc”, daar word ik plotseling onderscheiden, afgezonderd. Opeens is niet mijn omgeving zwart maar ben ik heel erg blank. Dat is ook een hallucinerende spiegelervaring.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s