SWAPO Werner

Ik zou zo graag eens echte Afrikaners willen zien, racisten, echte diehard racisten. Het is een fascinatie, even onschuldig als die van mensen die naar Artis gaan om de gorilla te zien. Gewoon, om lekker te griezelen en te zeggen “goh, ze bestaan nog.” Ik zou Eugene Terre’Blanche willen zien, de leider van de Afrikaner Weerstandsbeweging, die zich onsterfelijk belachelijk maakte door voor het oog van de televisiecamera van zijn paard te vallen en daarmee heel zwart Afrika een finest hour bezorgde. Ik zal Terre’Blanche niet kunnen zien want hij is dood, vermoord op zijn eigen boerderij. Hij zou zijn moord hebben kunnen aangrijpen als bewijs van gelijk: “Zie je nou wel? Dat gebeurt er als we ons niet scheiden van de zwarten.” Afrikanen die ik naar Eugene Terre’Blanche heb gevraagd zeiden: “Na die val was hij voor ons geen boeman meer maar een vrolijke noot. Die dood heeft hij niet verdiend.” Een dinosaurus vergeef je dat hij brult.

Ik zal Terre’Blanche niet kunnen zien maar aan het tafeltje naast mij in het restaurant van Ngandu Safari Lodge zitten er twee die naar zijn beeld zijn geschapen. Gezet, stevige buik, baard, hemd, korte broek en halfhoge sokken in veldschoenen. Tussen hen in zit een moddervet hondje. Ik zou graag een foto van ze willen maken. Die kan ik dan op mijn website plaatsen met als onderschrift “Bijna uitgestorven: typisch blanke racisten in zuidelijk Afrika.” Maar ik kan toch moeilijk op mensen afstappen en vragen “Mag ik een foto van u maken want u ziet er zo typisch racistisch uit?” Dat kan niet. Ik zou moeten vragen “Mag ik van u een foto maken want u heeft zo’n karakteristiek voorkomen?” en dat is een halve leugen want ze zijn wel karakteristiek maar dan voor iets dat ik niet wil zeggen. Daar houd ik niet van. Geen foto.

Met een van de twee maak ik kennis. Met Werner. Hij heeft mij aan mijn motor zien sleutelen, een motor met een Nederlands kenteken, en hij komt voor een praatje. Hoe ik in Namibië ben gekomen en of reizen door Afrika niet heel gevaarlijk is? Ik word sip van die vraag, menigmaal gesteld door Duitse toeristen die drie weken Namibië doen in een four-wheel drive en van dat avontuur hoog opgeven. En nu komt er nog bij: zie je wel, had ik het niet gedacht? Ik: “Is reizen in Namibië gevaarlijk?” Hij lacht, begrijpt wat ik bedoel: “Nee, natuurlijk niet.” Ik sta oog in oog met het type dat ik altijd al eens van dichtbij had willen bekijken. We hebben een gesprekje over motortechniek, over de digitale ontwikkelingen daarin en over de bruikbaarheid van digitale motortechniek in Afrika. Hij wijst naar zijn Mercedes bedrijfsbusje. “Daar zit inmiddels de zesde computer in, die dingen zijn niet bestand tegen de hitte en het stof.” Werner wil weg uit Afrika. “Ik ben vijftig en ik heb er genoeg van. Ik ben hier geboren, mijn vader is hier geboren en mijn grootvader maar ik wil weg. Ik heb genoeg van het zand, van het gedoe, van de onhygiënische toestanden in de ziekenhuizen. De arbeidsproductiviteit ligt hier ongelofelijk laag. Vier man doen hier wat in Europa één man doet. Ik wil orde en werken. Mijn voet is gebroken en moet geopereerd worden en over een paar jaar heb ik nieuwe heupen nodig. Dat kan hier allemaal niet. Ik wil naar Europa, naar Duitsland want mijn vrouw is Duitse, of misschien naar Rusland.” “Naar Rusland? Daar is ook geen orde en alles lekt er!” “Ik heb in Moskou gestudeerd.” Een blanke in zuidelijk Afrika studeert aan de universiteit van Witwatersrand of van Stellenbosch, eventueel in Princeton of in Leiden maar níet in Moskou. Er gaat in mijn hoofd een attentiebelletje rinkelen. “Hoe kwam u in Moskou terecht?”

Werner: “Ik was lid van SWAPO. Ik was de eerste blanke soldaat van SWAPO.” Werner vertelt zijn verhaal. “Ik zat op school, gewoon gemengd, blank en zwart. We voetbalden samen en waren vrienden. Toen kwamen de Zuid-Afrikanen. Na de vakantie was onze school in tweeën gedeeld met prikkeldraad. Een deel voor de blanken en een deel voor de zwarten. Wij hadden het beste deel. Plotseling waren we vijanden. Ik vond dat niks maar wat kun je doen? Na de school moest ik in dienst want er was dienstplicht en er was oorlog. We vochten aan de grens met Angola. De kameraad naast me sneuvelde. Toen heb ik mijn identiteitsplaatje om zijn hals gehangen en ben overgelopen. Tweeduizend kilometer heb ik met SWAPO door Angola gelopen. De Zuid-Afrikanen zaten ons achterna. Mijn voeten waren opgezwollen door het zand. De zandkorrels dringen langzaam in de huid en veroorzaken ontstekingen. Daarom heb ik zo’n hekel aan zand. In Moskou heb ik mijn ingenieursdiploma gehaald. Ik ben afgestudeerd op silicium, op zand, hahaha!” Ik: “U hebt wel een heel moedig besluit genomen.” Werner: “Och, dat is een groot woord. Ik was zeventien en dan overzie je dat niet.”

Hij vraagt “Zou ik misschien naar Nederland kunnen? Denk je dat ze me daar willen opereren? Ik heb geen verzekering, zie je.” De vraag “Zou ik naar Nederland kunnen?” is me vaak gesteld. Door Afrikanen. Werner is de eerste blanke met die vraag.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Zuidelijk Afrika en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s