Namibië versus Suidwes Afrika

Namibië is van zwart en blank en ze delen samen geschiedenis. De eerste blanke ontmoet ik aan de grens, nog in Angola, bij het loket van het immigratiekantoor. Hij werkt in Huambo en gaat voor familiebezoek naar Johannesburg. Een lange man met grijzend licht golvend haar, een korte baard en een verlegen gelaatsuitdrukking. Het type ‘welzijnswerker’ uit de jaren zeventig die is aangesteld voor de begeleiding maar de controle al lang verloren heeft. Hij kijkt naar het gedrang voor het loket, verlegen, verloren, machteloos. “Ze dringen voor. Als u aan de beurt wil komen, dan moet u uw paspoort op de balie leggen.” Afrikanen dringen altijd voor, net als Arabieren. Ik wring tussen twee vrouwen door en leg mijn paspoort op de balie. Als ik terugkom van de douane staat de blanke nog bij dat loket.

Voorbij de grens begint de lange weg naar Tsumeb, driehonderd kilometer verderop. Nog honderd kilometer voor Tsumeb pakken de wolken samen tot een gitzwarte onweerswolk die door de bliksem stroboscopisch paars wordt verlicht. Het begint te regenen, te stortregenen en er is nergens een plaats om te schuilen. Geen huis, geen afdak, geen boom. Ik passeer een bord “Sachsenheim Guestfarm”. Geen Tsumeb maar Sachsenheim. Ik sla af, het spoor over en daarachter staat een hoge omheining met een hek waarop het bordje “open” hangt. Achter het hek staat een bord met “Sachsenheim 1.5 km” en “Sie kommen als Fremde und gehen als Freund.” Na anderhalve kilometer komt er weer een omheining die de eigenlijke boerderij omgeeft. Erop hangt een bord met de tekst “You enter this premisses on your own risk.” Daar wonen Gerd en Maria Sachse.

Gerd is een grote stevig gebouwde man met grijs krullend haar en toegeknepen ogen. Hemd en korte broek. Mijn hand verdwijnt volledig in de zijne; enorme eeltige handen. Een boer. Hij zou een model kunnen zijn voor een beeldhouwwerk op de Afsluitdijk, behalve die korte broek natuurlijk. Maria is rond, rondborstig en vrolijk kordaat. Met mij spreken Gerd en Maria Duits, onder elkaar en tegen de zwarte arbeiders Afrikaans. Ze wonen daar met hun kinderen, drie waakhonden en een poedel. Die waakhonden zijn uiterst aaibaar. Voor mij, niet voor de arbeiders. Die worden begroet met woedend geblaf en aangevlogen. Een arbeider springt in de laadbak van de pick-up totdat Gerd de honden heeft gekalmeerd en weggestuurd. “Goed zo, braaf zo.” Tegen mij: “De honden houden niet van zwarten en ze bijten hoor!” Het personeel is heel bedeesd, wacht op orders van de baas die ze, met pet in de hand, ook zo aanspreken: “Baas”. Dit is het koninkrijk Sachsenheim, de omgang als die tussen een absoluut vorst en zijn onderdanen. De geschiedenis van Sachsenheim lees ik op een geplastificeerde kaart in mijn bungalow. Gerd’s vader, Herman Sachse, is de boerderij begonnen in 1946. Er was helemaal niets, alleen wildernis met leeuwen en slangen en veel parasieten want het was een nat gebied. Vader Herman heeft in 1947 de grond gekocht, “van de Engelse koningin”. In 1987 heeft Gerd de boerderij van zijn vader overgenomen. Omdat het boerenbedrijf te weinig opbracht zijn ze in de toeristenbusiness gestapt. Sachsenheim ligt bijna recht tegenover de weg die naar het Etosha Park leidt. “Alles” zegt Gerd “heb ik zelf opgebouwd. Alle bungalows. Ik heb de droom van mijn moeder verwezenlijkt.” Gerd mag boer zijn, hij heeft architectentalent. De bungalows zijn erg mooi, met veel oog voor detail gebouwd en ingericht, net als het hoofdgebouw en de tuinen. Die hele boerderij is een volkomen vreemde eend, een Europese eend in de Afrikaanse bijt. De doucheruimte in de bungalow is zorgvuldig afgewerkt met natuurstenen platen. De toilettafel is ingebouwd in een gemetseld muurtje en de stenen daarvan zijn donkerbruin geschilderd en de voegen lichtgrijs. In de muur is een loodgietersluik aangebracht, een houten schot waarop het muurpatroon van stenen en voegen heel precies is aangebracht. In een Afrikaans hotel heeft het bad natuurlijk ook een loodgietersopening. Die is soms afgesloten met een ruwhouten plank, vaker open en daarachter huist een gezin kakkerlakken of een kikker want de afvoer lekt. Goed genoeg. Gerd en Maria nemen geen genoegen met ‘goed genoeg’. Alles is afgewerkt, zelfs de kaart met de geschiedenis van Sachsenheim is geplastificeerd.

Die kaart met dat “gekocht van de Engelse koningin” verwijst naar Gerds zorgen. Het zou de verdediging kunnen zijn in een toekomstige rechtszaak. Er zijn ambtenaren gekomen. De boerderij zou misschien onteigend worden en de grond gegeven aan de Bosjesmannen die uit het naburige Etosha Park zijn gezet. “Ik heb gezegd: ‘Jullie kunnen opmeten wat je wil maar ik verkoop niet. De grond is van mij en Namibië is nog steeds een rechtstaat.’” Het is het enige positieve dat ik Gerd over Namibië heb horen zeggen. Tot nu toe is er niets gebeurd; de ambtenaren zijn niet teruggekomen. “De verkiezingen” zegt Gerd “en misschien heeft de regering geleerd van andere onteigeningen waar de grond verdeeld is onder de zwarten. Weet je hoeveel daar geproduceerd wordt? Nul komma niks! En die mensen moeten onderhouden worden door de staat.” Gerd en Maria hebben zich ingebunkerd, met hun honden binnen hun omheiningen, weg van de hoofdweg. Zoveel mogelijk Namibië buitengesloten, binnen bestaat gewoon Suidwes Afrika. Gerd en Maria zijn hartelijke mensen maar vreselijk bang. Ik hoop dat ze de moed vinden Namibië een beetje binnen te laten en Suidwes Afrika een beetje af te bouwen. Ik denk dat ze daarmee de beste kans hebben op hun eigen wereld die ik hen gun. Bij het afrekenen werkt de creditkaartlezer niet. De lijn is mousetot. Maria schrijft voor mij de rekening uit met het adres van de Standard Bank in Tsumeb en hun rekeningnummer: “Betaal maar bij de bank.” Als ik later bel om te vertellen dat ik de rekening heb betaald zegt Maria: “Fijn, bedankt. Kom nog eens langs want we vonden het leuk.”

Maria zei: “Ga niet naar Grootfontein. Allemaal zwarten daar. Ga naar Tsumeb. Daar vind je alles wat je nodig hebt.” Ik ging naar Tsumeb. Tsumeb heeft een heel Duitse Nederduits gereformeerde kerk waar in hele noten wordt gezongen, een vervallen kerk met Hollandse gevel van de Assembly of God waar ritmisch wordt gezongen, een keurig onderhouden park en een hoofdstraat als van een provinciestadje in het middenwesten van de Verenigde Staten: lage betonnen gebouwen van bescheiden moderne architectuur die bedrijven en winkels huisvesten, ook een Biergarten en een Bäckerei. In het park, op de hoek van Main Street die nu President Avenue heet en OMEG Street die nu Dr. Sam Nujoma Drive heet – de geschiedenis heeft de bordjes verhangen – en tegenover de Sint Barbara kerk, op die voorname plaats in het centrum van Tsumeb staat een monument in de vorm van een afgeknotte piramide met een soldatenhelm er bovenop. Op de zijde die naar God’s Huis is gericht staat “We will remember them”, “Ons sal hulle onthou” en “Euch zum gedenken”. De drie talen van de kolonisator. De herdenkingstekst staat er niet in een van de lokale talen; voor de sprekers daarvan is het monument niet bedoeld. De barman van het Minen Hotel aan de overkant van het park zegt niet te weten waar het monument voor staat: het herdenkt de gesneuvelde Duitse soldaten van de Herero oorlog in het begin van de twintigste eeuw. De Herero en de Nama kwamen in opstand tegen de beroving van hun land en vrijheid door de Duitse kolonisator. Het waren geen katten om zonder handschoenen aan te pakken – heel bedreven in guerrillatactieken – en Duitse soldaten sneuvelden bij bosjes. Max Muller uit Bräuersdorf was vijfentwintig toen hij stierf “Mit Gott für Kaiser und Reich” op de winderige vlakte van Seeis en ligt daar op het oorlogskerkhof begraven. Paul Kluth ook; die werd tweeëntwintig, met dank aan de keizer. Voor hen zijn er monumenten zoals in Tsumeb. Generaal Lothar von Trotha pakte de opstand Duits kordaat aan, gaf een Vernichtungsbefehl. Tachtig procent van de Herero en de Nama kwam om: doodgeschoten, door uitputting in de woestijn of in een concentratiekamp. Voor hen vond ik geen monument. Misschien hebben Herero en Nama geen monument nodig, hebben ze genoeg aan de dubbele betekenis van “Ons sal hulle onthou”.

Duits monument Tsumeb

“Ons sal hulle onthou”

Aan de overkant van het park ligt het Minen hotel met een bar en een restaurant. Het bier is pilsener van de tap, het eten is Duits, de voertaal is Duits, de opschriften zijn Duits en de televisie staat afgestemd op de Deutsche Welle. Ik ben er getuige van de reflexen van Suidwes Afrika. De blanke barman tegen de zwarte ober: “Hé, waar ga je met die fles mineraalwater naar toe? Een klant heeft erom gevraagd? Eerst aan mij vragen! Ik ben hier de baas, jij niet. Begrepen?” Ik heb mijn biertje op het terras gedronken. Ons sal hulle onthou!

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Zuidelijk Afrika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s