De oversteek

De voornaamste attractie van restaurant Mami Wata in Brazzaville is het terras dat uitziet over de Congo. Het wateroppervlak is glad op wat rimpels en wervelingen na, niet verstoord door schepen of zelfs maar kano’s, en spiegelt oudroze in het avondlicht. Aan de overkant is het silhouet van Kinshasa zichtbaar, donker tegen feloranje hemel, een silhouet van hoogbouw. Aan die overkant staat misschien ook iemand te kijken naar de verre oever. Die ziet geen silhouet van hoogbouw, op de enige kantoortoren in het centrum na. Kinshasa en Brazzaville zijn ongelijke hoofdsteden: wie ‘Congo’ zegt, zegt ‘Kinshasa’ nooit ‘Brazzaville’. Twee hoofdsteden, elk op hun eigen oever; waarschijnlijk zijn er op de wereld geen twee hoofdsteden die zó dicht bij elkaar liggen en tegelijkertijd zó slecht verbonden zijn. Er is geen brug, alleen een veerverbinding, vijfmaal per dag. De oversteek tussen beide is een onderneming. “Samen is beter” zegt Olivier, de manager van hotel Hippocampe, “Dan kun je elkaar in het oog houden.” ‘Samen’ slaat op de overlanders die in de afgelopen weken bij Hippocampe zijn binnengedruppeld: Clive en Taniya met hun Landrover en Matt, Rob en ik op motoren. Ik ben geen liefhebber van reisgroepen, zelfs maar voor een oversteek, maar Olivier zegt “Samen is beter”.

De veerverbinding lijkt de enige motor voor bedrijvigheid in de haven en de verklaring voor de menigte: mensen die de veerboot zullen nemen, autoriteiten van allerlei pluimage, rondhangers op zoek naar een kans en heel veel invaliden, vooral poliolijders en ook geamputeerden. Die invaliden hebben er hun broodwinning: in hun karretjes vervoeren ze goederen, het zijn microvrachtauto’s. De meeste hebben handtrappers maar niet een heeft een ketting en ze worden voortgeduwd door een kluwen helpers met de invaliden als vorsten op de bok. Waar in de wereld hebben invaliden een monopolie? Charles: “Allemaal zakkenrollers en dieven.” Een politieagente slaat de menigte gade. Ze heeft een knuppel in de hand en daarmee wijst ze af en toe naar een karretje. Ze verdrijft de helpers, trekt de lading van het karretje, prikt met haar knuppel in de jurk van de invalide om te voelen of daaronder iets verborgen is en ontdekt zo nog een doos en een pan. De pan houdt ze. Textiel wordt gesmokkeld naar Kinshasa en pannen naar Brazzaville. De autoriteiten nemen hun deel van de smokkelwaar.

De immigratiedienst is verborgen achter een metalen poort zonder opschrift. Een jongeman wijst de weg en verklaart zichzelf tot helper. Hij zorgt voor de administratie van de Carnets bij de douane, bewerkstelligt dat Matt die geen Carnet heeft toch kan vertrekken, koopt de kaartjes voor de boot. Dertigduizend frank wil hij en drieduizend frank commissie toe maar aan de kaartjes hangt een kwitantie en daarop staat het totaalbedrag van negentienduizendvijfhonderd frank. Het is zaterdag, legt de helper uit, en dan is de veerboot eigenlijk alleen bestemd voor de invaliden en daarom heeft hij extra betaald en vooral de Landrover was erg duur. Zo’n reisgroep, zelfs maar gevormd voor de oversteek, da’s niks: Taniya en Matt protesteren, willen niet meer betalen dan op de kwitantie staat en al helemaal geen commissie. Het is zinloos: de kaartjes zijn gekocht en het protesteren maakt de helper bokkig. Hij kan wraak nemen. Uiteindelijk gaan Taniya en Matt toch akkoord behalve met de commissie. Die betaal ik, buiten het zicht van de groep en de omstanders, want het is een behulpzame jongen en je weet niet of je hem nog nodig hebt. Betaal nóóit in het bijzijn van anderen want dat veroorzaakt een enorm gedoe. “U betaalt hem teveel” meent de een, “U betaalt wel hem maar mij niet terwijl ik u ook heb geholpen” klaagt de ander. Doe dat nooit! Ik kijk onze helper eens aan: “Zijn er nog meer kosten?” “Nee” bezweert hij “dit is alles.”

De poort naar de aanlegplaats gaat open. Charles en ik nemen afscheid. Ik ben geëmotioneerd want ik ben op hem gesteld geraakt; we zijn vrienden geworden. Afscheid nemen hoort bij reizen maar doet pijn. Charles is een Afrikaan op wiens gezicht emotie moeilijk te lezen valt. Zijn emotie voel ik in woorden: hij zal e-mailen uit Bangui en uit Monrovia als hij daar aangekomen is, ik moet beslist naar Liberia komen want het is een mooi land, het is geen afscheid voor altijd. We omhelzen elkaar, wensen elkaar goede reis en vermanen elkaar vooral goed voor onszelf te zorgen. De helper komt de pijn van het afscheid bekorten. We moeten nú vertrekken want de auto en de motoren moeten het eerst op de boot. Achter de poort staat een vent die toegangskaartjes verkoopt want de aanlegplaats is privéterrein. Ik roep de helper – “Luister, dat gaat zo niet” – en laat hem het probleem oplossen. Ik heb mijn handen vol: het talud naar de boot is steil en belegd met kinderkopjes en over dat talud wringt een mensenmassa naar boven met pakken en dozen en zakken op de nek, diep voorover gebogen zodat ze mij niet zien. Het lukt op de veerboot te komen zonder te vallen of te worden omgeduwd. Het dek raakt vol, vol met invalidenkarretjes en helpers en dozen en pakken en zakken en ook de gangboorden raken vol passagiers. Die komen niet alleen via het talud maar ook met kano’s langszij en hijsen zich aan boord. Zwartvaarders. De bootsman slaat ze met zijn knuppel weer terug het water in. De toenemende drukte maakt het steeds moeilijker bij de boorden te komen, het is onbegonnen werk en uiteindelijk geeft hij op. De veerboot is barstensvol mensen; de enigen met een beetje ruimte zijn de invaliden in hun karretjes. Het is heet, vochtig en windstil. Er hangt een doordringende geur van diesel, zweet en urine. Kinderen moeten piesen. Op de laadklep zit een man met een hesje van het Rode Kruis. “Ik ben van de gezondheidsdienst.” zegt hij “Mijn taak is te voorkomen dat infectieziekten worden uitgewisseld.” Hij moet een buitengewoon laconieke instelling hebben; een inventarisatie in mijn directe omgeving: invaliden met polio, een man met een arm in vuil verband en een wond zonder verband, kinderen met ronde kale plekken op het hoofd – ringworm – en kinderen met ooginfecties, hoesters met vast en zeker tuberculose, bloeddoorlopen gele ogen van de malaria, een flauw gevallen vrouw, mogelijk een koortslijder. Hoeveel door mij niet herkende ziekten zullen er nog meereizen tussen Brazzaville en Kinshasa? Eindelijk vaart de veerboot af. In de menigte op de kade moet ergens Charles staan. Door de nevel is Kinshasa aan de overkant te zien in grijze contouren. Gedurende de overtocht vindt het tweede bedrijf van het pandemonium plaats: het herpakken. Zakken en dozen worden open gemaakt, invaliden worden opgetild om er pakken textiel onder te schuiven, vrouwen bergen textiel onder hun rokken, mannen onder hun hemd. Pannen naar Brazzaville, textiel naar Kinshasa.

Na een uur komt de veerboot bij de aanlegsteiger in Kinshasa. Hoofdstad van een mislukte staat, van een land in wanorde? De ontscheping is in elk geval ordelijker dan de inscheping dankzij een rij agenten. Ik werk de bureaucratie af die hier gewoon functioneert: de immigratiedienst, de douane, de politie. De kamer van de immigratieambtenaar is gemeubileerd met een bureau, twee stoelen – een voor de ambtenaar en een voor de vreemdeling – en twee houten banken. De muren zijn ooit vrolijk geel geschilderd maar dat is vaal en vuil geworden en boven de banken tekent zich een langwerpige donkere vlek af waar God-weet-hoeveel hoofden tegen de muur hebben geleund. In een hoek liggen ordners hoog opgetast met daarin de vreemdelingenadministratie. Dat bureaucratisch mortuarium is krom getrokken, heeft stof gevangen, is bevlekt geraakt en met de muur verbonden door spinnenwebben. Toevallige passanten en nieuwsgierigen vullen de banken en de deuropening. Bureaucratie is een sociaal gebeuren in Afrika, theater, gratis voorstelling. De immigratieambtenaar wil veel weten. Hoe ik heet natuurlijk en uit welk land ik kom en het paspoortnummer en of ik getrouwd ben en hoeveel kinderen ik heb en hoe mijn vader heet en hoe mijn moeder heet en door welke landen ik heb gereisd en wat mijn bestemming zal zijn en …. Hij schrijft het op, met balpen op de helft van een A4tje dat hij ervoor doormidden heeft gescheurd, de andere helft is voor de volgende klant. Ook mijn papier zal deel uit maken van het mortuarium, ik zal administratief worden bijgezet in de hoek van een kamer van het immigratiekantoor in de haven van Kinshasa. Ik heb daar eeuwig leven. In Afrika gaat het niet om de gegevens maar om het ritueel dat leidt tot de beslissing en om het contact. Ik informeer ook naar zijn vader en moeder, naar zijn kinderen, naar hun gezondheid. Hij heeft er twee en wil er vier, niet meer “want ik ben modern”. Dat laatste is vast en zeker niet alleen voor mij bedoeld maar vooral voor het publiek: de vertegenwoordiger van de staat als voorbeeld. Het vraag- en antwoordspel tussen de immigratieambtenaar en mij wordt gade geslagen en becommentarieerd door de schare nieuwsgierigen op de banken en in de deuropening. Niets is privé. De ambtenaar zet het inreisstempel in mijn paspoort en daarmee is de voorstelling afgelopen. Het publiek verlaat het schouwtoneel; ik had erop gerekend dat ze zouden klappen.

De desinfectiedienst is de laatste akte in het overtochttheater. Ik ben nog nooit bij een desinfectiedienst geweest. Voorgangers schreven me erover: “De desinfectie van je motor stelt niks voor en ze vragen er zestig dollar voor. Betaal niets en als je er niet onderuit kunt komen, betaal dan niet meer dan twintig dollar.” Een reisgroep, da’s niks. Matt en Taniya werpen zich op als woordvoerders en ze zijn mordicus tegen de desinfectie: nergens voor nodig, honderden mensen arriveren met vreselijke ziekten en worden niet gedesinfecteerd. Dat ‘nergens voor nodig’ is erg dom, ontkent het belang van de desinfecteerders. Die halen er boeken bij en brochures van de Verenigde Naties waarin staat dat desinfectie van voertuigen helpt de verspreiding van parasieten en uitheemse ziekten te voorkomen. Het wordt een woordenwisseling tussen onze woordvoerders en de woordvoerder van de desinfecteerders, een kleine pinnige vrouw. Ik heb me afzijdig gehouden van het gedoe maar maak uiteindelijk toch gebruik van een van de ijzige stiltes in de woordenwisseling: “Het gaat niet om het desinfecteren, het gaat om de prijs.” De woordvoerster van de desinfecteerders veert verheugt op “Ah, u begrijpt het! Desinfecteren moet en dat kost geld voor de spuit en het middel maar daarover kunnen we praten.” Dat is wat ik wil horen, ik wil onderhandelen. Ik: “Wat stelt u voor?’ Zij: “Zestig dollar voor de auto en twintig per motor.” De informatie van mijn voorgangers indachtig – “Betaal niet meer dan twintig dollar” – is dat een aantrekkelijke opening. “Ik vind dat erg veel. Ik stel u voor: dertig voor de auto en dertig voor de motoren, zestig dollar in totaal.” De desinfectiedame hapt onmiddellijk; misschien is ze blij nog iets te vangen, misschien is ze blij van het gedoe af te zijn. Matt sist dat ik de groep verbroken heb en weigert mee te doen en Rob in zijn kielzog weigert ook. Dus wordt alleen mijn motor gedesinfecteerd, voor tien dollar, en de Landrover. De desinfectie stelt inderdaad niets voor: een mannetje in een witte jas op rubberen laarzen en rubberen handschoenen aan spuit een zeepsopachtig goedje op de banden. Ik betaal de desinfectie en krijg, verhip, een keurige kwitantie. Clive, Taniya en ik kunnen vertrekken, Matt en Rob blijven achter. Ze arriveren een uur later bij het Centre d’Accueil Protestant. Ze zijn gezwicht en hebben tien dollar betaald “omdat jij het groepsstandpunt verlaten hebt.” ’s Avonds geeft Matt in het restaurant een veelvoud uit.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s