Geluk bij ’n ongeluk

Van Yaoundé naar Bitam net over de grens met Gabon is een peulenschil. Een mooie weg: mooi asfalt, mooi bochtig, door een mooi boslandschap. Aan de grens mezelf en de motor uitschrijven en aan de andere kant weer inschrijven; peulenschil. Van Bitam in de richting van Libreville is net zo’n peulenschil. Vlak voor Alémbé, waar de piste begint waar ik zo tegen opzie, passeer ik de evenaar. Er staat een bord om de plek te markeren en ik heb een GPS die de plaats van de evenaar precies, op drie meter nauwkeurig, aangeeft: nul graden, nul minuten, nul seconden. Vijf meter verderop is er al weer een boogseconde bijgekomen. Het bord staat niet precies op de evenaar maar twee seconden op het noordelijk halfrond. Met de passage van de evenaar verlaat ik het halfrond waar ik thuishoor. Zo ervaar ik de evenaar. Ach, het is maar een denkbeeldige lijn, er zijn zoveel lijnen en grenzen. De zon staat er niet recht boven maar boven een andere denkbeeldige lijn, ergens in het zuiden. Of het heet is op de evenaar? Het is er koel want de weg gaat door het bos en het heeft geregend. De hemel is blauw en in dat blauw drijven grote witte wolkkastelen.

Bord markeert de evenaar.

Volgens mijn GPS staat het bord niet op de evenaar maar twee boogseconden op het noordelijk halfrond.

Er is ook een mysterieus wolkje aan mijn eigen hemel gekomen: mijn rechter broekspijp is vochtig aan de onderzijde en op de rechter jerrycan rusten een paar druppels die groenig glanzen in het zonlicht. Wat is dat? Ben ik door een plas gereden? Is het olie? Water is niet groen en olie is goudkleurig, bruin of zwart. Welke vloeistof is groen? Zoals gewoonlijk valt het inzicht als een kwartje: vorkolie! Er moet een lek zijn in de rechter vorkvering! Met een lekke vorkvering ga ik niet de piste op. Ik besluit door te rijden naar Ndjolé om daar het probleem te onderzoeken. Er is daar een katholieke missiepost die onderdak aan reizigers verschaft. Mijn onderkomen is een vochtig hok met slakken in de douche en grote platte spinnen maar het is een goede plek om het probleem te onderzoeken zonder schare omstanders. Ik maak de beschermhoes van het rechter vorkbeen los. Het been is wel vettig – de kering zweet een beetje – maar er is geen olielek. Het linker vorkbeen is keurig droog. Geen vorklekkage. De groene druppels, die nog steeds op de jerrycan liggen, voelen niet olieachtig maar geleiachtig aan. Wat is groen en vormt een gelei? Het is koelvloeistof; het reservoir van het koelsysteem is leeg. Er is geen lek in de radiator maar in de leiding naar het reservoir; als ik de motor start valt er af en toe een druppel naar beneden. Het lek zit ergens achter de tank. Ik besluit dat de lekkage niet erg genoeg is om in Libreville te verhelpen. Ik kan er de piste mee op. Er is misschien nog een probleem – komt de motor in zijn tweede mankementencyclus?: de motor heeft een lichte neiging tot deinen. Of verbeeld ik me dat? Ik besluit dat ik me het verbeeld. Ik kan de piste op. De volgende dag rijd ik terug naar Alémbé, naar de afslag waar de piste begint. Er staat een bord “Lopé hotel 98 km”.

Over de piste tot aan het Parque National de Lopé is mij verteld: wasbord, kuilen maar te doen. Er is veel wasbord en er zijn veel kuilen en de weg gaat steil helling op en af, is erg bochtig en in de hoge buitenbochten ligt veel grind. Maar het is te doen. Langzaam, langzaam. De piste loopt door het bos, is soms niet breder dan vier meter. Het is er heet en vochtig en lawaaiig. Het tropisch bos herbergt een orkest voor experimentele muziek: de cicaden maken het geluid van zingende zagen – zwelt aan, stopt abrupt, begint overnieuw – kikkers spelen de baspartij – wraahoek, wraahoek – en vogels leveren de ijle fluit. Ergens breekt een tak. Na zestig kilometer openen zich de deuren van het bos. Voor me ligt een brug over de rivier die de grens van het Parque National markeert en achter die rivier golft de groene savanne. Mooi! Over zestig kilometer heb ik drie uren gedaan; gemiddeld twintig kilometer per uur en dat is goed. Na de brug ligt er een prima piste, hard en vlak, en de overige veertig kilometer overbrug ik in minder dan een uur. Ik blijf een dag in Lopé voor de bosolifanten (niet gezien) en de buffels (veel gezien) en om de motor te inspecteren want er is wel degelijk wat aan de hand; het deinen is geen verbeelding heb ik op de bospiste ervaren. Ik verhoog de uitgaande demping van de schokbreker tot bijna het maximum. Het lijkt te helpen.

De piste tussen Lopé en Lastourville.

De piste tussen Lopé en Lastourville: hard en vlak, weinig wasbord, een enkele kuil.

De piste tussen Lopé en Lastourville zou redelijk te doen zijn. Ik weet niet wat anderen verstaan onder “redelijk te doen”, ik vind de piste geweldig: hard en vlak als voor Lopé, weinig wasbord, een enkele kuil. Ik haal zestig, zeventig soms wel tachtig kilometer en laat een lang stofspoor achter. De tweehonderd kilometer naar Lastourville overbrug ik in minder dan vier uren en kom er vroeg in de middag aan. In Lastourville ervaar ik een mirakel: de bediende van het tankstation weet zesentwintig liter in mijn 25-liter tank te persen. Hij houdt vol dat de pompmeter correct registreert en eist volledige betaling. Het hotel in Lastourville, dat volgens het verroeste bord ooit drie sterren bezat, is volledig uitgewoond en daarom besluit ik door te rijden tot Franceville. Nog maar honderdtwintig kilometer piste en daarna nog zestig kilometer asfalt en de mensen zeggen over de piste: “probleemloos”. Ik rijd Lastourville uit, de helling op naar het plateau, en kom terecht in de eerste erosiegeul. Ik zie de geul – het is maar een geultje – maar reageer te traag. Het voorwiel komt in de geul, het stuur slaat om en dan is er op een helling geen houden meer aan. Ik maak een flinke smak. Is dit mijn eerste ervaring met erosiegeulen? Welnee, maar ervaring moet worden wakker gemaakt en vallen is een probate wekker. Gelukkig komt er een busje aan en de passagiers helpen de motor overeind te zetten. De chauffeur wast het bloed van mijn handen – Waarom draag ik geen handschoenen? Omdat die gestolen zijn in Ngaoundere – en daarna met benzine tegen de bacteriën. De schade aan de motor is aanzienlijk maar oppervlakkig: de kuip is zwaar bekrast, de bevestiging van het knipperlicht is gescheurd en een van de bevestigingspunten van het dashboard is afgebroken. Dat is de prijs voor wakker worden. De piste is allesbehalve “probleemloos”; het is een catastrofe: het leemdek is versneden door erosiegeulen – die beginnen klein maar worden al gauw tot mini-canyons – en er zijn heel diepe sporen met steil oplopende randen. Ik moet niet in die geulen of sporen terecht komen. Het zou nog erger zijn als het zou gaan regenen en de leem glibberig wordt. Het gaat regenen. “God, nu even niet!” Het houdt weer op met regenen. De honderdtwintig kilometer piste leg ik af, meter voor meter mijn weg zoekend tussen geulen en sporen, in vijf uren en bereik bij het vallen van de avond Moanda waar het asfalt begint. God hervat de zegening van het land waaraan Hij begonnen was maar om mijnentwille een middag inhield. Er valt een stortbui die meer dan een uur aanhoudt. Daar kan ik niet wachten want het is nog zestig kilometer naar Franceville en het wordt donker. Ik kom er om zeven uur ’s avonds aan; drijfnat.

Hotel Beverly Hills is zo’n Afrikaans middenklasse hotel met de eigenaardigheden en gebreken waaraan ik gewend ben geraakt. Ik heb er een grote kamer en in die kamer hangt een kroonluchter met één lamp; de rest van de fittingen is afgebroken. Er hangt er ook een in de badkamer, ook met één lamp. Er staat een koelkast in mijn kamer maar er is geen stopcontact. De televisie geeft wel geluid maar geen beeld, misschien omdat de schotelantenne niet goed is afgesteld. Het bed is goed (en schoon) en de airco werkt bevredigend. Minder enthousiast ben ik over de vaste vloerbedekking omdat in Afrika een stofzuiger vrijwel onbekend is. In de douche zijn de warme en koude kranen verwisseld en als ik de koude kraan opendraai komt er ook water uit de kraan van de wasbak. De douchekop ontbreekt. Het hotel heeft een restaurant maar ik kan er niet eten. De receptionist legt uit: de kok heeft meegedaan aan de ronde van Bongo – hij maakt met zijn handen de beweging van ronddraaiende trappers – en is daarvan heel moe en daarom niet gekomen. Nee, ik kan de volgende morgen niet ontbijten en nee, het is onmogelijk om een kopje nescafé te serveren; de kok, hé… Het is niet erg want er is een uitstekend restaurant in Franceville, Au Bord de Mer, op zeshonderd kilometer van de zee. Ik kan er salade aux crevettes krijgen, tournedos en Franse wijn. De clientèle?  Geen toeristen, want die zijn er niet in Franceville, een paar expats en vooral Gabonese middenklasse. Gabon produceert een beetje olie. Ik ontbijt met croissants, pain au chocolat en echte koffie bij de patisserie aan de overkant. Ik ben er een dag gebleven, vanwege het restaurant en de patisserie, om de gevolgen van de val te herstellen en, eigenlijk vooral, om de beproeving van de piste tussen Leconi en Oyo nog even voor me uit te schuiven. Van die piste heb ik wakker gelegen. In Yaoundé ontmoette ik een Noor die van zuid naar noord reist en dus de piste heeft gedaan: zestien uur over de 140 kilometer tussen Oyo en Okoyo en negen uur over de 120 kilometer tussen Okoyo en Leconi; diepe sporen, diep zand, meermalen de motor moeten uitgraven; “Let vooral op de vrachtauto’s. Die stoppen niet voor je; als ze zouden stoppen lopen ze vast”.  Ik heb heel slecht geslapen en schijterij gekregen van de spanning.

De weg van Franceville over Bongoville naar Leconi aan de grens met Congo is in prima staat. Omar Bongo, de vader van de huidige president, komt uit Bongoville – dat niet voor niets zo heet – en daarom is de weg geasfalteerd. De president van Congo komt uit Oyo en daarom is de weg van Oyo naar Brazzaville geasfalteerd. Presidenten rijden niet graag over pistes. Was er een president gekomen uit Leteky, tussen Leconi en Oyo, dan zou ook de piste zijn geasfalteerd. In Leconi sla ik voor de zekerheid twee flessen water in, twee pakjes sigaretten en een pak crackers. De  baas van het tankstation zegt “Het is zwaar. Rust uit in elk dorp”. Iemand wijst me de verkeerde weg naar de grens. Het asfalt gaat voortijdig over in een zandweg. Omdat ik bang ben voor zand rem ik af en dat is mijn geluk. De motor begint op het zand heftig te deinen en te stuiteren, is bijna niet onder controle te houden. Het is alle hens aan dek: gas dicht, koppeling laten slippen, achterrem pompen. Het is de schokbreker die niet functioneert. De boodschap is niet mis te verstaan: zo kan ik niet de piste op. Ik draai om, terug naar Leconi naar het tankstation om raad. De pomphouder: “Ga naar de burgemeester en vraag om een pick-up die je naar Oyo brengt.” Hij stuurt zijn hulpje mee die voor mij het woord doet. De burgemeester reageert alsof hij dagelijks het verzoek krijgt een pick-up te leveren. Hij gaat bellen en even later komt er een pick-up met drie mannen. Hoeveel gaat dat kosten? De woordvoerder van het driemanschap denkt even na en zegt dan “tweehonderdduizend franc”. Dat is driehonderd euro en dat is een hoop geld maar zonder die pick-up krijg ik mijn motor niet uit Leconi. Ik kan niet terug, naar Libreville om een oplossing te zoeken, want ik en de motor zijn al uitgeschreven. De pick-up dus. In de laadbak staan twee grote kunststof vaten met diesel (ze lekken) en daar tussen wordt mijn motor geperst en vastgezet met een sjorband.

De pick-up op de piste

De pick-up op de Congolese piste, het makkelijke deel.

Daar gaan we. De eerste twintig kilometer, tot de grens, is een peulenschil: asfalt. We rijden honderdtien, honderdtwintig kilometer per uur want Oyo ligt tweehonderdzestig kilometer verderop en de afspraak is: in één dag naar Oyo. De slagboom markeert de grens, het einde van het Gabonese asfalt en het begin van de Congolese piste. En wat voor piste! Twee niet verdiepte sporen van hard geel zand door een groen savanneland en daarboven een blauwe hemel. Geel, groen, blauw. Ik verbijt me dat ik die mooie piste niet zelf rijd en vraag me af waarom ik eigenlijk voor driehonderd euro in pick-up zit met drie Afrikanen. Waarom heb eigenlijk drie van die kerels nodig? Het antwoord komt want de piste verslechtert snel: de sporen verdiepen met een hoge zandrug er tussen, worden kuilig, waaieren uiteen. Paden splitsen af, komen terug. De piste ziet er uit alsof een colonne tanks pirouettes heeft gedraaid. Hoe moet je hier de weg, de beste route vinden? Dat is de taak van de navigator die tussen mij en de chauffeur zit: “Dit pad op. Hier rechts af.” De derde zit op de dieselvaten en let op de lading en is vooral de uitkijk: “Er komt een vrachtwagen aan!”, “Diepe kuil recht voor”, “het pad links is geblokkeerd.” Ze hebben het druk met z’n drieën. Ik leer hoe je pick-up over een zandpiste stuurt: zigzag, van links naar rechts in het spoor, en zo hard mogelijk anders loopt de pick-up vast op de middenrichel. Zeventig, tachtig kilometer per uur zie ik op de teller en de pick-up hangt soms zo steil tegen de sporen dat ik bang ben er uit te vallen. Overleven we dit? De navigator lacht: “U bent bang!” Ik kijk in het spiegeltje naar mijn motor. Die zit muurvast gesjord, geeft geen krimp. Ondanks stuurmanskunst loopt de pick-up geregeld vast in het zand. Ook dan zijn drie man nodig om te scheppen en te wrikken. Hoe zou ik mijn motor uitgraven zonder schep? Hoe had ik mijn weg gevonden in het labyrint van paden? De spaarzame dorpen langs deze piste zijn verzamelingen rieten hutten zonder verkooppunten; hier komt de bakker en de drankenhandel niet. Het probleem met de schokbreker is een geluk bij een ongeluk.

Het Congolese immigratiekantoor

Het Congolese immigratiekantoor

201012581

De Congolese immigratieambtenaar achter zijn bureau

Twintig kilometer voorbij de grens is de immigratiedienst ondergebracht in een rieten hut. De ambtenaar wordt uit het dorp opgetrommeld – ik hoor kinderen roepen “un blanc, un blanc”. Hij opent zijn kantoor door de rieten deur te verwijderen, zet het met plastic overtrokken tafeltje recht, schikt het Congolese vlaggetje, de stempeldoos, twee stempels en vier schoolschriften. Op de bovenste twee staat “Entree étrangères” – dat is voor mij – en “Entree locales” – dat is voor mijn metgezellen. Minutieus pent hij de gegevens van mijn paspoort en het visum in zijn schrift. Veertig kilometer verderop, in het dorp Lekety, zetelt de douane in een lemen huisje. De douanier: “Het wordt druk. Gisteren kwam er een terreinwagen voorbij en twee motorrijders en vandaag bent u hier.” In Lekety maak ik de mooiste mensenfoto’s van mijn Afrikaanse reis tot nu toe. Vier kinderen. De kleinste verschuilt zich achter de groten, bang voor de blanke vreemdeling. Het snoepje dat ik omhoog houdt komt hij aarzelend halen. Hij likt aan het cellofaan. Een van de anderen, met meer snoepervaring, haalt het er voor hem af. Hij likt voorzichtig aan het snoepje en dan … hij straalt! Lekker! Het ijs is gebroken, we hebben contact. Ik maak een foto van het viertal. Op de foto zit de kleine gehurkt, de schoudertjes ver naar achteren, ingespannen kijkend naar de camera. Wat gaat er gebeuren? Ik maak nog een close-up en op die foto plooit hij zijn innemendste glimlach. Een fotomodel is geboren. De oudste wil eigenlijk geen snoepje – want dat is voor kinderen – neemt het toch aan, wil mijn handtekening in zijn schoolschrift en mijn emailadres. Is er een internetverbinding in Lekety? Nee, maar er is iemand met een computer uit Brazzaville gekomen. Die is weliswaar weer weg maar komt misschien terug. De verbinding met de wereld is de droom van een jongen uit Lekety.

Een fotomodel is geboren.

Een fotomodel is geboren!

In de middag bereiken we Okoyo. “Draai het raampje dicht. Ik heb geen zin in de politie.” vraagt de chauffeur. Het gaat om oponthoud en om geld. Voordat de agenten van de post wakker zijn geworden zijn wij Okoyo alweer voorbij. Na Okoyo wordt aan de weg gewerkt. Daarvan wordt de piste niet beter; de sporen zijn nog dieper, er zijn bruggen in aanbouw en dus zijn er omleidingen en de drainage is verstoord en daardoor zijn er grote diepe modderplassen. Er is meer verkeer. Een tijdlang hangen we achter een voortsukkelende vrachtauto. De laadbak is gevuld met grote zakken maniok en daarop en daartussen zitten de passagiers. Aan de zijkanten van de laadbak hangen zakken uien en daaronder hangen geiten op een stok tussen de samengebonden poten. De geiten kermen, het is geen comfortabele zit. Meer verkeer en meer dorpen. Geen rieten hutten maar lemen huisjes. Langs de weg staan tafeltjes met stapeltjes rode pepers, tomaten en flessen brandstof. De weg brengt de markt. De zon staat laag, werpt lange schaduwen over de piste waardoor de sporen nog dieper lijken. Halen we Oyo voor het donker wordt? In de schemering bereiken we – godzijdank, godzijdank – het asfalt, veertig kilometer voor Oyo. Hier, langs het asfalt, staan ook stenen huizen met muurtjes er om heen en tuinlantaarns.  Om zeven uur ’s avonds zijn we eindelijk in Oyo. Ik betaal de mannen driehonderd euro – we hebben afgesproken dat ik in euro’s zal betalen – en nog vijftig euro extra want ze hebben een topprestatie geleverd. Ze rijden door naar Brazzaville – om de bloemetjes buiten te zetten? – en ik kan mee. Ik hoef niet, ik ben murw, ik blijf in Oyo.

Mijn helpers, na aankomst in Oyo

Mijn helpers, na aankomst in Oyo.

De volgende morgen neem ik de schade aan de motor op. Die is minimaal; de sjorband heeft gaten in het zadel geschuurd. Betekenisloos, met tape plak ik de gaten dicht. Van Oyo naar Brazzaville is vierhonderd kilometer, asfalt. Wel met gaten. Ik rijd voorzichtig. In Brazzaville vind ik gemakkelijk hotel Hippocampe dat er om bekend staat motorrijders te omarmen. Er is een kamer voor mij, tegen gereduceerde prijs, en ik kan zo lang blijven als nodig. Ik ben doodmoe, helemaal afgedraaid van de spanning, van de piste, van de vierhonderd kilometer. In bed luister ik op mijn MP3-speler naar Mendelsohn’s Psalm 42. Bij de muziek komt de ontlading. Ik huil van geluk want het is gelukt.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s