De voorspelling van de krabbenman

In het noorden van Kameroen en op de grens met Nigeria ligt het Mandara gebergte. Dat is een oud vulkanisch gebied met mooi uitgeprepareerde necks (kraterpijpopvullingen) die als versteende fonteinen van eertijds gloeiend vloeibaar magma in het landschap staan. Rhumsiki Peak is het mooiste exemplaar en staat om die reden op de toeristische hitlist.

Volcanic necks, Rhumsiki Peak

Het Mandara gebergte met volcanic necks; rechts Rhumsiki Peak

Van dat toerisme moet je je niet te veel voorstellen: een enkeling die even komt kijken en dan weer de stad opzoekt, een paar four-wheel drives met toeristen die komen voor de dorpen en de markten en de tribale cultuur. Volgens een Belgisch echtpaar is de tribale cultuur erg in verval; “De meeste mensen dragen een spijkerbroek en T-shirt” melden ze teleurgesteld. Nee, dan Ethiopië: daar moet ik beslist naar toe want daar zijn nog volkeren die een houten schotel in de lip dragen. Ik zie zelf liever lippen zonder schotel. Ik geef minder om wat mensen dragen, meer om wat ze zijn en doen. Ach, het is een mooi landschap met aardige dorpjes langs de weg en de dorpelingen zitten onder mangobomen en zwaaien naar de voorbijkomende reiziger. Zouden die mensen een permanent Zwitserleven gevoel hebben?

In Rhumsiki zijn drie mensen heel belangrijk. Ik bezoek ze met gids Fabien want zoals bekend kun je in Afrika absoluut niks zonder gids. Fabien vertaalt voor mij de plaatselijke taal Kapsiki in het Frans. De eerste belangrijke figuur is de oudste van het dorp, een buitengewoon gerimpelde baas, die over de geschiedenis waakt. De Kapsiki komen oorspronkelijk uit Nigeria, zijn daar weggetrokken omdat er oorlog was maar zullen eens terugkeren als de Hausa weg zijn want het land boven de Niger was hun woongebied. Dat is Fabien’s korte vertaling van een lang monoloog. De tweede is de chief die het dorp beschermt tegen gevaren van buitenaf en bemiddelt bij problemen. Fabien wijst naar een groepje mensen onder een mangoboom: daar worden de problemen besproken. Zijn er veel problemen? “Ja” zegt Fabien “er zijn veel problemen, vooral in verband met vrouwen: een vrouw is een probleem, twee vrouwen zijn twee problemen en drie vrouwen zijn drie problemen.” De meeste mensen in Rhumsiki zijn animist en animisten hebben veel vrouwen. “Hoe meer vrouwen, hoe minder je hoeft te doen. C’est tranquille.” zegt Fabien. Er is nog een probleem met die veelwijverij, behalve het relationele, en voor dat probleem staat Fabien model. Zijn vader heeft vier vrouwen en in totaal veertien kinderen. Fabien gaat als enige naar school; hij zit op de Ecole Scientifique, de bèta-afdeling van de middelbare school. Hij gaat naar school maar dit jaar niet want er is geen geld. Fabien is gids om zijn schoolgeld te verdienen. Hij gaat graag naar school; ik heb in heel Afrika nooit gehoord van drop-outs of spijbelaars, hier gaat iedereen graag naar school. Fabiens situatie laat zien dat veelwijverij niet altijd een teken is van welvaart. Het kan ook een teken zijn van armoede. Voor vrouwen zijn mannen vaak een last: een man werkt niet maar moet wel worden gevoed en gekleed en hij heeft een zakcentje nodig om bier te kunnen drinken met zijn vrienden. Een man is gewoon een duur huisdier. Veel vrouwen kunnen dat niet opbrengen, ze hebben ook de zorg voor hun kinderen, en daarom delen ze een man en dus de kosten.

De derde belangrijke persoon in Rhumsiki is le sorcier des crabbes, de toekomstvoorspeller met de krab. De toekomstvoorspeller heeft een halve kalebas gevuld met aarde en in die aarde zijn scherven gestoken. De ene scherf staat voor Afrika, de tweede voor Rhumsiki, de derde voor de toekomstvrager, de vierde voor een probleem, enzovoorts. De krab wordt in het midden van het scherventheater geplaatst en dan wordt een deksel op de kalebas gezet om de krab onbespied zijn plaats te laten zoeken. De scherf die de krab omarmt is de sleutel van de voorspelling. Mijn toekomstvraag is door Fabien zorgvuldig gemodelleerd tot “Kom ik zonder problemen in Kaapstad aan?” Dus niet met ‘wanneer’ of ‘zonder ongelukken’ want dat is een interpretabele vraag en levert een vaag antwoord. Wie een duidelijk antwoord wil moet een duidelijke vraag stellen. De krab heeft mijn toekomst voorspeld: hij omarmt de scherf van Rhumsiki, dat is de plaats waar ik nu ben, en het is de scherf die het verst van de probleemscherf is verwijderd. Mijn toekomstvraag is helder beantwoord: ik kom zonder problemen van Rhumsiki in Kaapstad aan. De krabbenman wordt door de dorpelingen geraadpleegd bij alle belangrijke beslissingen en is een verplicht nummer voor de bezoekende vreemdeling. Een bezoek aan de chief is geen verplicht nummer maar sociaal gezien minstens zo belangrijk. De chief ziet namelijk met lede ogen aan dat vreemdelingen zijn dorp bezoeken, mensen die hij niet kent en die hem niet groeten. Daardoor raakt hij het overzicht kwijt, kan zijn beschermende rol niet goed vervullen en dat ondermijnt zijn gezag bij de dorpelingen. Daarom wordt mijn bezoek erg gewaardeerd en informeert de chief en passant naar mijn present.

le sorcier des crabbes

De toekomstvoorspeller met de krab.

Met de voorspelling van de krabbenman kan ik met een gerust hart beginnen aan de long way down, de lange weg van het noorden van Kameroen naar Yaoundé in het zuiden. En niet best. De Lonely Planet heeft het over “Only for the adventurous with plenty of stamina and time.” Het Ministerie van Buitenlandse Zaken raadt aan in het noorden heel voorzichtig te zijn in verband met de kans op berovingen. De Lonely Planet weet te melden dat de kans even groot is beroofd te worden door criminelen als door de politie. Het noorden: de grensstreken met Tsjaad, de Centraal Afrikaanse Republiek en Nigeria. Ruw! Van Maroua over Garoua naar Ngaoundéré ligt asfalt. De hel met haar gevaren zal pas daarna beginnen. Traveltracks geeft informatie van andere reizigers over de toestand van de weg. Van Ngaoundéré via Meiganga naar Garoua Boulaï aan de grens met de Centraal Afrikaanse Republiek, tweehonderdzeventig kilometer: geen asfalt, wasbord, kuilen met water, niet best. Van Garoua Boulaï naar Bertoua zou misschien asfalt liggen. Van Bertoua tot Abong Mbang, honderdtwintig kilometer: geen asfalt, wasbord, kuilen met water. En van Abong Mbang tot aan Yaoundé ontbreekt het asfalt op meerdere trajecten. De route is de enige wegverbinding tussen het noorden en het zuiden van Kameroen. Bij het tankstation van Ngaoundéré vraag ik naar de toestand van de weg. De pompbediende kijkt heel ernstig (Afrikanen kunnen vreselijk ernstig kijken): “C’est grave, monsieur, un catastrophe.” In ieder geval tot Meiganga want verder is hij nooit geweest.

Bij de uitvalsweg staat een bord “Wegwerkzaamheden over veertig kilometer”. Misschien valt het mee, misschien is de weg opgeknapt? Het valt ook mee: wel wasbord maar verder een vlakke harde piste. Tot precies veertig kilometer achter Ngaoundéré. Daar begint het: kuilen, kuilen, kuilen; gelukkig zonder water want het is nu de droge tijd. Het is vaak onmogelijk om de kuilen heen te sturen; het is de kunst om de motor gecontroleerd van kuil naar kuil te brengen. Waar geen kuilen zijn is wasbord, fullblown wasbord. De kuilen zijn lastig, het wasbord is slopend maar het stof is de hel. Diepe stofplakken, heel diep, soms wel een meter, vooral op de hellingen. Ik ben bang voor diep zand maar diep stof is erger. Stof werkt als een glijmiddel, als zeep. Hoewel de ondergrond uit keien bestaat vinden de banden geen grip. En dan wil driehonderd kilo – motor, bagage en berijder – de helling af. Ik durf de motor niet over de ruggen tussen de kuilen te sturen, waar de stofplak dunner is, omdat ik bang ben het evenwicht niet te kunnen bewaren en ik weet niet hoe zo’n rug eindigt. Liever door de kuilen waar ik mijn voeten kan zetten tegen de randen. Voetje voor voetje, centimeter voor centimeter breng ik de motor langs de helling omlaag. Ik haal opgelucht adem als het weer gelukt is en even verderop begint gewoon de volgende stofplak. Tussen twee stofplakken stop ik even om bij te komen, maak de kinband los en til de helm op. Er gutst een dikke straal zweet naar beneden.

De piste tussen Ngaoundéré en Meiganga.

De piste tussen Ngaoundéré en Meiganga.

Het stof levert nog een beproeving: stofwolken, opgeworpen door de vrachtauto’s. Dat zijn er tamelijk veel want deze landweg van minder dan tien meter breed is de enige verbinding naar het noorden. Vooral tankauto’s en trucks beladen met buizen voor het onderhoud van de oliepijpleiding uit Tsjaad. Als zo’n vrachtauto passeert is de opgeworpen stofwolk zó dicht dat het zicht minder is dan een meter. Dat stof adem ik in en de motor ook. Erger is dat ik in de stofwolk niet kan zien of er nog een vrachtauto komt en de chauffeur van die eventuele vrachtauto kan mij ook niet zien. Er passeert een buizentruck. De chauffeur zwaait … of maakt hij een stopgebaar? In de stofwolk passeert de schim van een pick-upje met zwaailicht. Als de stofwolk neerslaat zie ik voor me een truck de helling afkomen met een enorme houten kist erop die de volle breedte van de weg in beslag neemt. De chauffeur begint langzaam uit te wijken. Dan gebeurt wat altijd achterop zo’n vrachtauto staat: “Let op, zwenkt uit”. De cabine passeert me ruim en ook de eerste hoekpunt van de kist maar de tweede komt langzaam recht op me af. Ik kan maar één ding doen: de motor plat leggen om de kist boven me te laten passeren. Het is goed gegaan, op centimeters. De laatste twintig kilometer tot Meiganga is een nieuw tracé aangelegd – de weg is verbreed, heeft een hard oppervlak maar nog geen asfalt – en in Meiganga is de hoofdstraat geasfalteerd. Daarna begint gewoon weer de piste; nog honderdtwintig kilometer naar Garoua Boulaï. Over de honderdvijftig kilometer tot Meiganga heb ik zes uren gedaan, het is half drie en in hetzelfde tempo zal ik Garoua Boulaï niet halen voor de avond. En ik kan het nu niet meer aan; ik sta te trillen op mijn benen van de inspanning en de spanning. Het hoeft ook niet want waar het asfalt van de hoofdstraat ophoudt en de piste begint staat een hotel en de eigenaar doet een kwart van zijn prijs af om een verblijf voor mij betaalbaar te maken. Motor, bagage en berijder zijn volkomen rood bestoft. Mijn gezicht is rood – het helmvizier is allang in het stof vastgelopen – mijn sokken zijn rood – het stof is van bovenaf in mijn schoenen gekropen – mijn jack en broek zijn rood en zelfs mijn onderbroek is rood – het stof is van onderaf omhoog gekropen. Na het douchen kleurt de witte hotelhanddoek nog oranjerood. Ik verontschuldig me bij de hotelbaas, die zegt “Het is het stof” en geeft een nieuwe handdoek.

“Hoe is de situatie hier?” vraag ik de hotelbaas. “De regering heeft meer troepen gestuurd voor de bewaking van de grens en de pijpleiding. Het is nu veel beter. Het laatste half jaar zijn er geen overvallen meer geweest.” Vraag nooit “Is het veilig?” want die vraag heeft op jezelf betrekking. Dan kun je het antwoord raden – “Ja, het is veilig” – want niemand heeft er behoefte aan de vreemdeling te verontrusten. Vraag altijd “Hoe is de situatie?” of “Is er de laatste tijd nog iets gebeurd?” want die vragen hebben op de mensen zelf betrekking. Dan krijg je een vollediger en vooral eerlijker antwoord. “En de weg?” De hotelbaas lacht “Je bent van Ngaoundéré tot hier gekomen dus de rest zal ook wel gaan. Na Garoua Boulaï is de weg goed.” Op het traject van Meiganga naar Garoua Boulaï zijn veel minder stofplakken maar veel meer kuilen en die zijn groter en dieper dan te voren. De weg ziet er uit als een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog. Het wegdek heeft ook nog een stevige bolling met diepe greppels zodat de wegranden onbruikbaar zijn. Wie in de berm terecht komt, komt daar niet meer uit. Een buizentruck heeft het kennelijk toch geprobeerd en ligt nu op zijn zij. De cabine is ingedeukt; het is te hopen dat chauffeur en bijrijder zich op tijd hebben weten te redden. Het is een erge weg, het is heel erg maar het is te doen; de honderdtwintig kilometer naar Garoua Boulaï leg ik in vier uren af. De weg naar Bertoua is geasfalteerd van het begin tot het einde. Na Bertoua komt er nog dertig kilometer piste in de richting van Abong Mbang – vlakke piste met weinig wasbord en hier en daar een kuil – en dan asfalt tot Yaoundé.

Het was te doen want ik heb het gedaan. Het was te doen dankzij de geestelijke bijstand van de lokale mensen. Alom ben ik toegezwaaid, zijn handen geheven (beide handen, dat is een beleefde groet), vuisten gebald (het teken voor victorie), duimen opgestoken (“fantastisch wat je doet!”). De jongens op hun brommertjes halen me in, glunderen want ze zijn sneller en glimlachen toegeeflijk als ik hen weer achter me laat. De vrachtwagenchauffeurs heffen hun hand, knipperen met het licht – de groet van alle vrachtwagenchauffeurs overal ter wereld – en een enkeling remt wat af om mij minder stof te laten happen. Zo bleef ik overeind. De piste was te doen maar asfalt is natuurlijk prettiger. Er zijn langeafstandsmotorrijders die gruwen van asfalt; ze vinden dat de piste het echte werk is en ze vinden mensen langs geasfalteerde wegen ‘minder authentiek’. Ik vind dat onzin; asfalt is een godsgeschenk. Ga maar na hoeveel tijd en materieel er verloren gaat door de piste. Er stonden veel vrachtauto’s langs de weg: kapot, as gebroken, rem vastgelopen, olielekkage. De piste kost verschrikkelijk veel geld, het is een aderlating voor een arm land. In het hotel in Meiganga dronk ik een biertje met de risicomanager van Exxon Mobile dat de pijpleiding vanuit Tsjaad exploiteert. Hij zei: “Het is nog veel erger in de regentijd. Vorig jaar zijn honderd trucks vastgelopen in de modder. We zijn nog bezig de buizen te bergen, de trucks beschouwen we als verloren. Hoofdpijn krijg ik van de bruggen. Daaraan is in geen twintig jaar onderhoud gedaan en ze hebben allemaal betonrot.”

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s