De uitgebluste onbekende

Ik was een paar dagen in Lomé, Togo, om een KTM-dealer te bezoeken. Ik hoopte er nieuwe banden, misschien ook een degelijke accu – “made in Japan” niet “made with Japanese technology” – te kunnen kopen. Het werd een fiasco; Toni Togo is aan de grond geraakt en verkoopt alleen Chinese KTM’s die met de Oostenrijkse firma slechts de lettercombinatie gemeen hebben. Dus reed ik verder langs de kust naar Benin. Bij de grens maakte de politie me tienduizend franc afhandig voor een transitvisum en de douane doet er nog een schepje van zesduizend bovenop voor een laissez passer. Samen bijna dertig euro om achtenveertig uur in Benin te mogen blijven. Na de grenspost nam ik de weg naar Abomey, weg van de kust, weg van de klamme hitte. Weg van de kust waar handelaren en missionarissen stierven zodra ze een voet aan wal zetten. De weg is onberispelijk, de dorpen schoon en er zijn hier en daar zelfs uitspanningen met een terrasje. Dan weet je dat het goed gaat. Benin is een bescheiden donor darling; politiek niet erg interessant maar wel een democratie, de stabielste en voorbeeldigste van de Ecowaslanden meldt de Lonely Planet bijna juichend. De mensen zelf voegen er aan toe: en corrupt.

Abomey moet, vanwege de paleizen en de tempels van de koningen van het rijk van Dahomey. Die paleizen en tempels staan op de werelderfgoedlijst. Van de meeste is nagenoeg niets over of zijn volledig gereconstrueerd met hulp van Unesco. Alleen het paleis van koning Agonglo en dat van koning Behanzin zijn redelijk herkenbaar overgebleven. Behanzin stak de zaak in brand toen de Fransen op het punt stonden de stad in te nemen. Daarna heeft de tijd met leem gedaan wat de tijd nu eenmaal met leem doet. Ik bezoek de resten met gids Sylvain want in Afrika kun je niks bezoeken zonder gids. Sylvain vertelt heel keurig wat ook op de bordjes van Unesco staat. Ik ben blij met die bordjes want Sylvain praat nogal rap Frans. Ik ben ook blij met Sylvain want zonder hem had ik die paleizen en tempels niet gemakkelijk gevonden. Hij laat me bovendien een paar voodoo tempels zien die nog gewoon in gebruik zijn – er is geen tegenstrijdigheid tussen voodoo en christendom, volgens Sylvain; God is God en de geesten zijn de geesten – en Sylvain is gewoon een aardige en enthousiaste jongen waarmee ik graag te maken heb. We lunchen samen; dat wil zeggen: ik drink een cola en Sylvain eet een bord rijst met tomatensaus en een dunne roodbruine lap. “Wat is dat?” “Dat is gestoofd koeienvel. Lekker hoor!”

Voodoo tempel in Abomey.

Voodoo tempel in Abomey.

In Abomey ontmoette ik mijn eerste crepeergeval op Afrikaanse bodem, Afrika bezuiden de Sahara. Op oudejaarsavond. Het geval schuift op zijn zitvlak over de zandweg voor het restaurant waar ik wil eten. Invalide en dronken. Nee, hij staat wankelend op, waar-schijnlijk niet invalide maar wel dronken. Ik heb niks met dronken mensen, invalide of niet, dus ik negeer het geval. Het is inmiddels donker geworden, ik ben het geval al lang vergeten en daar zit’ie plotseling op de drempel. De restauranthouder en zijn vrouw proberen hem weg te sturen. Daar bemoei ik me niet mee, dat is mijn zaak niet. Het wordt mijn zaak als de restauranthouder bij mij komt: “Hij spreekt geen Frans. Hij spreekt Engels. Dat verstaan wij niet. Kunt u hem zeggen dat hij weg moet gaan?” Aangezien wij eerder een vrolijk gesprek hebben gehad, me daardoor met de restauranthouder verbonden voel en ik niks heb met dronken mensen, sta ik op, ga naar het geval en zeg “Luister, je krijgt niks want je bent dronken. Ze willen dat je weg gaat.” Het geval is nog een jongen, ergens in het begin van de twintig, schat ik. “Ik ben niet dronken.” Hij is inderdaad niet dronken. Wat ik aanzag voor dronkenschap zijn trage bewegingen. Ik kijk in twee heel moeie ogen, ogen die met moeite waarnemen en eigenlijk niet geïnteresseerd zijn in wat ze zien. Ik zag ’n keer op tv paus Johannes Paulus met president Bush op audiëntie. In de stoel zat een ineengeschrompeld uitgeleefd lijf maar in zijn hoofd staken twee priemende oogjes. Hier is het omgekeerde het geval: op de drempel zit een lichamelijk gezonde jongen met uitgeleefde ogen. “Waar kom je vandaan?” “Uit Freetown. Toen ik in het ziekenhuis wakker werd was er dit.” Hij hijst zich op aan de deurpost en trekt zijn broek omlaag. Een been is afgezet, boven de knie. Voor zover ik dat kan beoordelen is de stomp in goede conditie, er is geen wond; het moet al weer een tijd geleden zijn gebeurd. Op de drempel zit een jongen die er lichamelijk niet slecht aan toe is maar geestelijk aan het einde van zijn latijn. Denkelijk een slachtoffer van de burgeroorlog in Sierra Leone waarvan Freetown de hoofdstad is. En nu in Abomey waar niemand hem verstaat laat staan begrijpt. “Kent u hem?” vraag ik de restauranthouder. “Nee, nooit eerder gezien.” Ik vraag “Hoe ben je hier gekomen?” Hij kan het niet vertellen. Of hij wil het niet. Het is nogal een afstand, van Freetown naar Abomey. De restauranthouder brengt een flesje limonade en daarna nog een want de jongen heeft geld en kan betalen. Ik vraag hem “Wat wil je nu?” “Misschien moet ik naar Ghana gaan. Naar een ziekenhuis.” Hoe komt’ie in Ghana? “Met de bus over Lokossa” zegt de restauranthouder die, net als ik, blij is met de oplossing in zicht. De restauranthouder belt een motortaxi om de jongen naar het busstation te laten brengen. Als de motortaxi aankomt knielt de jongen, legt zijn handen op mijn voeten, zijn hoofd ertussen en zegt “Thank you. God bless you.” Dan schuift hij naar buiten, hijst zich op de motor en verdwijnt in de nacht. God bless me? Ik laat een eenzame jongen op oudejaarsavond naar een busstation brengen waarvan die avond zeker geen bus meer vertrekt. Te laat bedenk ik: ik had hem kunnen laten slapen in het tweede bed op mijn kamer, ik had hem te eten kunnen geven en een biertje en kunnen zeggen “happy new year”. Ik was teveel bezig met het probleem van de restauranthouder in plaats van met de jongen. Ik ben gewend rond te lopen met een broekzak met muntjes voor de kleine problemen; ik heb niet vanzelf een antwoord op het probleem van de uitgebluste onbekende. Ik bid: “God, ben een kompaan voor de uitgebluste onbekende en vergeef de reiziger die niet hoorde.”

Reizen heeft een horizontale dimensie, de beweging over het aardoppervlak, en een verticale, de emotionele beweging tussen grote voldoening en diep berouw. Van die twee is de verticale de dimensie waar het echt om gaat, waarbij reizen echt spannend wordt. Reizend ben ik een koorddanser. Aan de ene kant is er de afgrond van de schouder-ophalende gevoelloosheid. Gevoelloos is de zin van reizen verdwenen; dan blijven er olifanten over en die kun je beter in Artis bekijken. Aan de andere kant is er de afgrond van de emotionele ontreddering. Ontredderd kun je niet reizen; dan word ik de uitgebluste. Ik wankel op dat koord, balanceer door op te schrijven.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Over mij, West-Afrika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s