Kerst in Accra

Ik nam een taxi naar de Nigeriaanse ambassade; het adres vond ik op Embassypages, een tamelijk betrouwbare website met adressen van ambassades en consulaten. Op het adres is een consultancyfirma gevestigd. “Al lang niet meer” zegt de receptioniste en ze zoekt voor mij in de telefoongids het nieuwe adres van de Nigerianen. Op dat adres zit een bank en een makelaar maar geen Nigeriaanse ambassade. “Recent verhuisd, twee straten verderop” zegt de bankmanager. Sommige ambassades huppelen als vlooien en de reden daarvoor is simpel: ze betalen de huur niet. Alleen de Nigeriaanse ambassade in Accra zou geen uitnodigingsbrief voor een visum vragen. Volgens mijn bronnen zou die ambassade wel vragen om een kopie van het internationale rijbewijs met op de binnenpagina de lijst van landen waarvoor het rijbewijs geldig is. Ik heb het nagekeken; op die lijst komt Nigeria niet voor. Die landenlijst laat ik niet zien. De wacht bij de poort geeft me een visumaanvraagformulier en een lijstje met de benodigde documenten. Die lijst begint met … een uitnodigingsbrief en een introductiebrief van mijn werkgever. Over zulke documenten beschik ik niet. Ik leg uit: ik kom niet op bezoek, ik wil eigenlijk alleen maar door Nigeria heen, ik ben een overlander. De wacht gaat voor mij bellen. Ik heb zijn vrouw geholpen met haar smartphone en ik heb de kerstpot op zijn balie gespekt. Bij elke instantie staat momenteel zo’n kerstpot; een bijdrage is natuurlijk geheel vrijwillig maar … Ik mag binnenkomen, ik ben tot ‘geval’ gepromoveerd. De secretaresse van de consul vindt mij machtig interessant – “Helemaal op de motor naar Zuid-Afrika … is dat niet vreselijk gevaarlijk?” – en ze gaat haar best voor me doen. De consul is er nog niet. De secretaresse: “Gaat u vast kopieën maken, kopieën van zoveel mogelijk documenten.” Ik zal ze bedelven onder papier; ik heb kopieën gemaakt van mijn paspoort (van de identiteitspagina en van de pagina met het Ghanese visum en het inreisstempel), van mijn verzekeringspolis, van mijn verzekeringspasje, van het afschrift van mijn bankrekening, van mijn gele koorts verklaring, van de eigendomspapieren van de motor, van mijn rijbewijs, van de Carte Brun (mijn motorverzekering), van het tijdelijk importformulier van Ghana, van het voorblad, eerste binnenblad en achterzijde van de het Carnet de Passage, van de voorpagina van het internationaal rijbewijs en het internationaal voertuigenbewijs (niet van de dodelijke lijstjes); een stapel papier van een duim dik. De consul zal zo komen … de consul is verlaat … de consul is momenteel niet bereikbaar; elke tien minuten licht de secretaresse mij in over de stand van haar bemoeienis en ze besluit iedere keer met “Het komt beslist goed.” Ik heb bijna drie uur gewacht maar dan is’ie er toch, de consul. De secretaresse legt mijn geval uit en ik toon mijn stapel papier. “Heel goed, heel goed … ik zie het … u hebt ook een kopie gemaakt van de gele koorts verklaring … heel goed.” Hij tikt op het kopie van mijn rijbewijs “wat is dit?” “Dat is mijn rijbewijs.” “Welke taal is dat?” “Dat is Nederlands.” Gaat hij vragen naar het internationaal rijbewijs met het dodelijke landenlijstje? Nee, hij bladert verder. Ik ben geslaagd voor het examen; ik weet dat want hij begint over de betaling: zesentachtig dollar en als ik het visum morgen wil hebben nog vijftig dollar extra. Ik wil het visum dolgraag de volgende dag hebben, om geen tijd te laten voor consulaire of diplomatieke overwegingen en ook om voor de kerst nog de Togolezen af te handelen. De volgende dag sta ik al om negen uur voor de poort. De ambassade gaat pas om tien uur open maar om half tien wenkt de consul mij naar binnen. Hij geeft me mijn paspoort en zegt “Have a safe journey”. Oef! Ik heb een visum gekregen dat drie maanden geldig is en een verblijf van vijfenveertig dagen toestaat, meer dan waarom ik had gevraagd. Ik heb de secretaresse bedankt en haar kerstpot gespekt en ik heb de wacht bedankt en nog extra bijgedragen aan zijn kerstpot. Als zij hun schouders hadden opgehaald, had ik geen visum gehad. De Togolezen zijn gemakkelijk: een aanvraagformulier in drievoud indienen, drie pasfoto’s bijleveren, vijfentwintigduizend CFA (vijftig euro) betalen en ‘s middags terugkomen. Ook bij de Togolezen heb ik de kerstpot gesponsord. Om die kerstpotten kun je momenteel niet heen.

Ik kon mijn geluk niet op – zowel het Nigeriaanse als het Togolese visum – en trakteerde mijzelf op een kerstreces bij Big Millies Backyard in Kokrobite, een suburb van Accra. Big Millie heet eigenlijk Wendy, een vrouw op leeftijd; ik schat haar in de generatie van het hippiedom. Haar achtertuin herbergt een beach resort. Het is een stevig bedrijf met kamers in huisjes voor ongeveer vijftig gasten, een bar en een restaurant zodat je niet de boze buitenwereld in hoeft behalve voor het strand en de zee. Een wereld op zichzelf en die wereld zit vol. Ik heb niet gereserveerd, heb geluk want ik krijg de laatste vrije kamer. Big Millies zit vol ontwikkelingswerkers, vooral van het Peacecorps, en hun familie die voor de kerstdagen zijn overgekomen. De meeste werkers zijn jong – vooral meisjes, net van school – en de familie bestaat daarom uit vader, moeder, broer en zus, vriend. De ouders zijn gekomen om hun kind een hart onder de riem te steken, omdat ze trots zijn en ook bezorgd. Moeder Sasja die ik heb verteld dat je niet zomaar van Ghana naar Burkina Faso kunt en weer terug omdat de meeste visa single entry zijn: “Zou je haar dat willen uitleggen want ze wil nog reizen naar Burkina en dat heb ik liever niet.” Voor de meeste ouders gaat de zee al hoog genoeg. Scott, uit Californië, doet het woord voor zijn dochter: “Ze werkt op een school in het noordoosten van Burkina. Ze woont in een lemen huisje zonder waterleiding; de waterput is driehonderd meter verderop.” Hij is niet bezorgd: “Het is in dat dorp veiliger dan in Californië.” Jan is een uitzondering, zowel qua leeftijd – gepensioneerd – als qua instelling. Hij mist de opgeruimde opwinding van de jongeren, legt een zuur soort ervaring aan de dag. Hij werkt in een opvanghuis voor aidspatiënten in het noordoosten van Ghana “want daar wil niemand heen.” Behalve Jan. Jan is daar nodig “want ze kunnen niet organiseren.” “Ze” kunnen trouwens ook niet rekenen. Alsof het om een soort Afrikaans gebrek zou gaan. Waarom zouden “ze” niet kunnen organiseren? Er hebben tot in de negentiende eeuw grote en machtige koninkrijken bestaan in Mali, Burkina en Ghana en nu zouden “ze” niet kunnen organiseren? Misschien willen ze niet organiseren op de wijze zoals Jan het zou willen. Ik heb helemaal niks met Jan. Ik had plezierige kerstdagen in Big Millies Backyard maar ik was ook blij die helpers achter te laten.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s