De paters van de SMA

Ik heb veertienduizend kilometer afgelegd om de paters te bezoeken. De paters van de Sociëteit voor de Afrikaanse Missiën, SMA. In Nederland heeft die orde haar hoofdkwartier in Cadier en Keer waar ook het Afrikamuseum is gevestigd. Ik sprak er met pater Jos P., de provinciaal overste. Hij nam me aan de hand van een boekje mee door de geschiedenis van zijn orde. Geschiedenis in de vorm van de namen van alle leden die de Sociëteit heeft gehad, een necrologie. Oud werden ze in de begintijd niet: tweeëntwintig, vijfentwintig, een enkele dertig. Op het Nederlandse kerkhof in Elmina liggen er een paar begraven te midden van houwdegens uit het plaatselijke fort. Pater Faga was vijfentwintig toen God hem riep, pater de Lange zesentwintig. Marion de Bresillac, de stichter van de orde, kwam op 14 mei 1859 aan in Freetown en blies al op 25 juni de laatste adem uit. God nam snel, daar aan de westkust van Afrika. Verderop in het boekje worden ze wel ouder. Op de laatste pagina zijn de meeste paters bij overlijden de zeventig gepasseerd, een enkele voorbij de negentig. Naarmate er minder paters zijn heeft God minder haast. De meeste paters zijn stokoud en wonen in Nederland maar er zijn er nog in de missie in Ghana.

De missiepost van Babaso ligt ongeveer honderd kilometer van Kumasi. In Ejura wijzen mensen de weg, een die ik had gehouden voor een achteraf dorpsstraatje, een achenebbisj zandweggetje met vuilnis, diepe geulen, kuilen en zandplekken. Moeizaam schuivend en slippend, balancerend op smalle richels tussen diepe kuilen, bereik ik Babaso. Aan de andere kant van het dorp ligt het SMA-huis. Een blanke man is aan het werk bij een van de gebouwen. Hij kijkt op van het motorgeluid en roept “Rob, our guest has arrived.” Ik heb mijn komst vooraf per e-mail aangekondigd. Vier mannen hebben hun eigen wereld in de bush van het Afram Plateau aan de rand van het dorp Babaso langs een zandweg op een paar kilometer van de hoofdweg: Rob, Guus, Sean, Toni. Toni komt van de Filipijnen, heeft de leiding van de missiepost en is de priester van de parochie. Sean is Amerikaan, geboren in St. Louis en ergens anders opgegroeid. Rob en Guus zijn Nederlanders.

De post is de pioniersfase allang voorbij. Een gevestigde plaats met een hoofdgebouw voor de vier en gastenkamers en bijgebouwen voor de catechisten en voor conferenties, een kapel, garage, schuren. Rob wijst naar een dikke acacia: “Die heb ik geplant toen ik hier begon, vijftien jaar geleden.” Het werk is wat men zich voorstelt van de missie: het pastorale werk – de mis, de opleiding van catechisten – en het onderwijs en de hulp-projecten. Het SMA-huis ondersteunt twintig scholen op het Afram Plateau dat zo groot is als de provincie Noord Brabant zonder het wegennet van die provincie. ‘Ondersteunen’ wil zeggen: de zorg voor de opleiding van de onderwijzers – vooral het motiveren van de onderwijzers want werken in de bush van het Afram Plateau is geen moordbaan – en het betrekken van de overheid bij het onderwijs want die heeft weinig belangstelling voor de regio. Het gebied is dun bevolkt, dus weinig kiezers, en de bewoners komen uit het noorden van Ghana en zijn bij de dominante Ashanti niet geliefd. Dan is er nog de ondersteuning van de vrouwen die zeep maken en textiel bedrukken en het eigen boerenwerk. Guus heeft net een omheining getimmerd zodat de varkens buiten kunnen lopen, het kippenhok is klaar, “misschien gaan we iets proberen met konijnen” en “we denken over een teakplantage”. Pastorale zorg, onderwijs, vrouwenprojecten, landbouw: niet hemelbestormend maar het biedt mensen perspectief. Daarvoor werken de vier: God op aarde, in het alledaagse Afrikaanse leven. Succesjes en teleurstellingen, twee stappen vooruit en dan weer een achteruit. De beheerder van de lokale microfinancieringsbank heeft zijn hand in de kas gestoken, een associatie wil maar niet van de grond komen, kippen worden gestolen zodra ze vet zijn en hetzelfde overkomt de katten.

De missiepost in Babaso.

De missiepost in Babaso.

Rob is 72 en hoopt nog twee, drie jaar mee te gaan. Dan heeft hij de vijftig volgemaakt, een missieleven. Tijdens zijn laatste verlof heeft hij zijn zus begraven. Ja, natuurlijk heeft hij nog familie, neven en nichten maar “Och, dat contact verwatert hè? Ze zullen wel weten dat ze een oom in Afrika hebben.” Eenzaam? Een Groninger in Afrika. “Het seminarie bereidde je niet op de missie voor. Gelukkig was je er een in een lange rij. Je probeerde het beter te doen dan je voorganger. Had die drie missieposten gesticht, dan ging je voor vijf.” Ik hoor er de necrologie van Cadier en Keer in. “In de begintijd waren we met vijfentachtig man: vijfenzeventig Nederlanders, een paar Ieren en een paar Ghanezen. Nu zijn we nog met enkelen, de overgrote meerderheid is Ghanees. De Kerk in Ghana is onafhankelijk geworden. Ze waarderen en prijzen ons werk maar het is ook duidelijk: ze kunnen zonder ons. We werken nog hier in Babaso omdat we onszelf bedruipen.” Een succes? Rob knikt maar hij wekt de indruk alsof het hem overkomen is. En nu? Rob spreekt over het milieuprobleem: “De regio wordt leeggeroofd, het gras verbrand, de bomen gekapt. Het laatste waardevolle wordt er uit gehaald. Wat overblijft zijn harde grassen op lateriet, grassen die het vee niet graag eet. De lateriet neemt geen water op, dat verdwijnt in de beken naar de rivieren en naar de zee. Ik zie de grondwaterstand zakken, het plateau verdroogt.” Hij ervaart het als vechten tegen de bierkaai: “De Kerk is de herder van de kudde maar heeft geen oog voor de weidegrond.” en “Wij houden ons terrein schoon, je vindt hier geen vuilnis. Het dorp ligt vol vuilnis. Het kan de mensen niet schelen.” Voor het milieu heeft hij niet veel bereikt, vindt hij.

Op de terugweg naar Kumasi bezoek ik Thaus in Mamponteng. Een klein bakstenen huis met een veranda aan de hoofdweg naar Kumasi. Daar woont Thaus. Hij zit op de veranda: blote voeten, korte broek, vaalgewassen shirt. Een sloeber? Thaus is de directeur van de plaatselijke credit union, de boerenleenbank. Thaus is van een heel ander slag dan Rob: geen piekeraar, hij straalt innige tevredenheid uit. “Onze credit union heeft de op één na hoogste rating. We kunnen zaken doen met de Rabobank. We gaan voor de hoogste rating. We zijn de administratie aan het automatiseren, ik heb zeven medewerkers en we hebben een nieuw gebouw neergezet dat alweer te krap wordt.” Als iemand successen opsomt vraag ik naar de tegenslagen en andersom. “Jij hebt gespaard voor je reis. Sparen is hier ongebruikelijk. Een lening wordt al gauw als een gift gezien. Het komt voor dat iemand een lening vraagt die eigenlijk bestemd is voor een broer die geen lid is van de union. Ze denken dat ze daarmee weg komen maar ik zeg ‘Jij hebt de lening aangevraagd dus jij bent verantwoordelijk.’ Ik heb nu twee zulke gevallen, leningen die niet worden terugbetaald. Ik trek het huis onder hun kont vandaan!” De problemen van een bankdirecteur. “Ik ging met verlof naar Nederland. Toen ik terugkwam had het bestuur van de union haar eigen toelage verdubbeld en er waren leningen verstrekt zonder administratie. Ik heb tegen het bestuur gezegd: ‘Dat geld is van de leden, het is niet van jullie!’ De verhoging van de toelage heb ik teruggedraaid en ik heb het bestuur verantwoordelijk gesteld voor de leningen.” We hebben het over hulp en de problemen van Ghana, vooral de grote werkloosheid in de steden. “Je bedoelt de jongemannen die overal rondhangen? Zogenaamde werklozen! De regering wil de landbouw stimuleren, waarom gaan ze niet op het land aan de slag? Ik zeg tegen ze ‘Je hebt een kop met hersens, twee armen en twee benen. Beter kan een mens niet zijn toegerust.’” Welke hulp willen de mensen zelf? Thaus: “Als je de mensen diep in hun hart kijkt, dan zullen velen zeggen ‘Geef ons dat geld nu maar en hoepel op.’“ “En jijzelf?” Hij werkt zijn opvolger in – “Een jonge vrouw met stevige benen, ze heeft economie gestudeerd” – en laat de union geleidelijk los. En dan? Thaus: “Ik blijf!”

Joop woont in Oyarifa, een dorp buiten Accra. Ik ga erheen met de bus. Aan de ringweg, niet ver van mijn hotel, is het busstation met honderden minibusjes. Het is heel druk, gedrang van mensen die naar de markt gaan of van de markt komen. Vrouwen met manden, boodschappentassen, handtasjes, mannen met aktetassen, jongens met rugzakjes. Ik ben de enige blanke. ‘De enige blanke’: waarom die constatering, die behoefte aan een andere blanke, het gevoel van opluchting als ik er een zie? “Dat hebben we allemaal” stelt de expat “We zijn hier toch vreemden.” “Wij doen het ook” lacht de Ghanees die jaren in Nederland heeft gewoond “Ghanezen onder elkaar is toch gezelliger!” Hij heeft in een Ghanezenbuurt in Amsterdam gewoond, verhuisde naar een vinexwijk, ontdekte daar pas echt Nederland en vooral de sociale kou en kwam terug naar Ghana. “Ik houd van Nederland en ik ben Nederland dankbaar maar ik ben een Ghanees. Dit is mijn land, hier ben ik thuis.” Hij heeft me uit de menigte gepikt – “U bent vast en zeker een Nederlander!” – en betaalt een jongetje om mij naar de juiste bus te brengen. Hij schrijft zijn telefoonnummer in mijn agenda, “Als je tijd hebt” zegt hij. Er schijnt in Accra een Nederlands-Ghanese club te bestaan. Het is er niet van gekomen. Te druk. Jammer.

Het busje: vier banken met drie zitplaatsen elk en nog twee zitplaatsen naast de chauffeur; plaats voor veertien passagiers. In het plan van Toyota. Afrika heeft geen boodschap aan de Japanse tekentafel: drie zitplaatsen kunnen best door vier passagiers worden gedeeld, naast de banken zijn krukjes geplaatst, achterin is een smalle bank getimmerd en naast de chauffeur kan, behalve twee volwassenen, nog een kind. Alles bij elkaar vijfentwintig sardines in het blik en die gaan er ook in want anders vertrekt het busje niet. Het is bedwelmend heet. Dat is geen blanke zwakte want ieder om mij heen bet hevig met grote zakdoeken hals, gezicht en schedel. Vrouwen waaien zich koelte toe met papieren, het tasje of met de hand. Het busje rijdt eerst een eind de autoweg, slaat dan af naar Madina, stopt op vrijwel elke straathoek om passagiers in of uit te laten stappen. Allemaal dezelfde huizen en bouwsels langs ongeplaveide straten, markten, asfaltwegen met grote gaten waaromheen auto’s slalommen, files om God-mag-weten-welke-reden. Ik heb geen herkenningspunt, geen idee waar ik ben. Om mezelf af te leiden van het gevoel van desoriëntatie en van de beklemming van de hitte lees ik de opschriften van winkels en kiosken. “Specialist in all types of cars” afficheert een kleine garage overmoedig. “My God, key service” is vast en zeker een sleutelkoning. “God will provide” staat op de kiosk van de telefoonkaartenverkoper. “Resurrection” is de naam van een begrafenisonderneming. Twee lijkkisten staan buiten te pronk. Zou achter “It’s Gods Will” een advocaat schuil gaan of een waarzegger? De chauffeur stopt, wijst naar een zijweggetje en zegt tegen mij “Daar”. Ik stap uit. “Een blanke? Die woont daarachter”, een vage armslag. Ik loop de zandweg af tot de school en de kerk. Zou dat de kerk van Joop zijn? “Die blanke woont daarachter, voorbij de groeve.” Ik loop Oyarifa uit, kom op een rommelig open veld met hier en daar een huis in aanbouw. “Die blanke woont ergens daar beneden.” Godver… Dan komt een jongetje: “I am looking for you.” Hij neemt me bij de hand en brengt me naar beneden, naar het huis van Joop.

“Ik heb nog met Jerry Rawlings opgetrokken. Ik ging met hem mee op tournee overal in het land. Het gebeurde wel dat soldaten in mijn kerk kwamen om me op te halen. Dat had ik niet graag; gewapende soldaten horen niet in een kerk. De bisschop was niet erg blij met mijn activiteiten en heeft me mijn parochie afgenomen” vertelt pater Joop opdat ik weten zal met wie ik te maken heb: een revolutionair. Om me dat nog in te peperen voegt hij er aan toe: “Ik ben ook een fan van Che Guevara.” Ik ben helemaal niet revolutionair ingesteld, sceptisch over de resultaten van het bewind van Rawlings (“Maar hij heeft de mensen wel bewuster gemaakt.” zegt Joop) en heb een diepe verachting voor de parvenu Guevara. Joop is een gezette oude heer met een bolrond hoofd, nog geaccentueerd door een ringbaardje, en oplettende vriendelijke ogen. Een contactenman. Joop en ik mogen ideologisch hemelsbreed verschillen, persoonlijk klikt het en we hebben een middag vrolijk gekibbeld. Als echte revolutionair legt Joop de oorzaak voor de stagnerende ontwikkeling van Ghana buiten de deur (bij revolutionairen ligt het kwaad altijd bij een ander): de nationale en internationale corruptie. Met ‘internationale corruptie’ doelt hij op oneerlijke handelspraktijken. Hij heeft een punt. Ik las een krantenartikel over de dumping van kipresten op de Afrikaanse markt. De industriële pluimveehouderij wordt door de Europese Unie zwaar gesubsidieerd en dus is de productie groot. Europeanen eten vooral de beste delen van de kip – poten, borst – dus wat doe je met de overgebleven nekjes en vlerkjes? Die dump je met een exportsubsidie op de Afrikaanse markt tegen zulke lage prijzen dat de lokale kippenboeren er niet tegenop kunnen. Het resultaat: honderdduizenden failliete kippenboeren in West Afrika. Joop heeft een punt buiten de deur maar hij is dan ook een revolutionair. Ik ben een evolutionair en kijk binnen de deur.

Pater Joop V.

Pater Joop V.

Er is veel corruptie in Ghana. Bij politieposten krijg ik regelmatig de vraag om een ‘presentje’. Daar begin ik niet aan; ik zeg: “Onze lieve Heer schenkt je Zijn Zoon. Wat denk je dat ik daaraan kan toevoegen?” Het is kersttijd, vandaar. Met een grapje kom je heel Afrika rond. “Ik schenk mijn mooiste glimlach” is er ook zo een. Als er echt wordt aangedrongen en het vervelend wordt – dat gebeurt maar een enkele keer – dan zeg ik “U weet dat ik dat niet mag doen.” Ik zeg nooit “U mag dat niet vragen” want daarmee beschuldig ik de ander en dat is niet handig. In Ghana ligt de landbouw op z’n gat, er kan in ieder geval veel meer gedaan worden dan er nu gebeurt. Te midden van braak land liggen hier en daar wel grote boerenbedrijven. Die zijn van buitenlanders. Ik sprak er zo een, een Amerikaan: “De mannen willen niet, de vrouwen wel. De mannen komen wel het salaris van hun vrouw opeisen. Ik zeg ‘Ga weg, laat je vrouw maar zelf komen.’ Ze verzuipen het gewoon.” “Wat denk je van de nationale corruptie, Joop?” “Dat is het gevolg van de internationale corruptie. Internationale corruptie lokt nationale corruptie uit.” “Wat denk je van de landbouw, Joop? Waarom gaan de werklozen niet op het land werken?” “De regering voert het verkeerde beleid. Ze heeft veel aandacht voor de steden maar ze zou stedelijke voorzieningen naar het platteland moeten brengen. Dan willen mensen daar ook wonen en werken.” De trek naar de steden wordt door veel deskundigen gezien als een van de grote problemen van Afrika. Ze wijzen naar de eindeloze slums, de barre levensomstandigheden, de criminaliteit, de werkloosheid, de uitzichtloosheid. Het zal zijn, er is ook de andere kant van de medaille. Die mensen trekken niet voor niets naar de steden, die hebben hoop, die willen iets van hun leven maken. Jongeren komen uit de verstikkende omhelzing van de familie en het dorp, leren voor zichzelf opkomen, op eigen benen staan. Ze ontsnappen aan ‘we hebben het altijd zo gedaan dus doe het nu ook maar zo.’ Het grootste deel zal het niet redden maar de kleine groep succesvollen, dat zijn de toekomstige leiders van het land. “En nu, Joop, wat doe je nu?” Hij bewoont een groot huis, in aanbouw – “De gemeenteambtenaren geven de bouwvergunning niet af. Ze willen steekpenningen. De politie heeft al een paar keer de bouw stil gelegd maar ik betaal niet.” – samen met een Ghanese familie. “Ik was een tijd in Nederland, vanwege mijn ogen. Het gaat goed, in ieder geval niet slechter, en daarom ben ik teruggekomen. Dit is toch mijn land. Ik wil van dit gebouw een ontmoetingscentrum maken voor jongeren uit verschillende culturen zodat ze met elkaar in gesprek komen en elkaar kunnen helpen.” Dat is gelukkig geen revolutionair idee.

Rob, Thaus, Joop: drie heel verschillende karakters met drie heel verschillende invullingen van hun roeping. De missie, de bank, de revolutie. Rob is onzeker over het saldo van zijn levenswerk. Thaus straalt innige tevredenheid uit. De revolutie is een mislukking maar als echte revolutionair kijkt Joop niet om. Totaal verschillend maar met één overeenkomst: ze hebben zich verbonden met de mensen, zijn deel geworden van Afrika. Dat kan ik van menig hulpwerker niet zeggen. Die zijn vaak bevlogen. Voor drie weken. Die delen niet, die blijven buitenstaander.

*** naschrift ***

Rob staat inmiddels in het necrologieboekje. Hij heeft de vijftig niet kunnen vol maken. Een Groninger in Afrika is daar begraven. Ik heb gehoord dat bij zijn begrafenis honderden aanwezig waren. Het zal hem opgemonterd hebben als hij het vanuit de hemel heeft kunnen zien. Thaus is terug in Cadier en Keer, op verzoek van de overste, om de administratie te doen. Zijn voorganger is overleden.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s