Osman en John

Tweemaal per dag, ’s morgens vroeg en in de namiddag, maak ik met een van de ranchers van Mole National Park een wandeling in de buurt van het bezoekerscentrum. De ranchers noemen die wandeling ‘safari’ vanwege de olifanten. Die zijn er niet in de buurt van het bezoekerscentrum. Er zou een oud mannetje rondschuifelen, met één slagtand en een slecht enkelgewricht. Alle olifanten zijn nog in het noordelijk deel van het park, ver van het bezoekerscentrum, met hun kroost. De droge tijd is nog niet genoeg gevorderd; er is daar nog voldoende water en dus hoeven de olifanten niet te verkassen en komen we ze niet tegen. Alle ranchers zijn naarstig op zoek naar dat ene oude mannetje want de toeristen willen een olifant voor de lens. Vind dat beest maar eens. Het is jammer, de obsessie met die olifant, want er is veel meer te zien in het park. Veel antilopen en zwijnen, apen en bavianen, krokodillen in de plassen en heel veel vogels. Het is eigenlijk niet nodig een wandeling te maken want de dieren komen gewoon naar de camping behalve – gelukkig – de krokodillen. Antilopen, zwijnen, apen en bavianen: ze komen allemaal de kampeerder bekijken. Vooral de apen en bavianen. Ik ben er bestolen. Van een blikje Nescafé. Door een baviaan.

In Mole-dorp wonen de parkranchers met hun gezinnen, keurig gehuisvest volgens de hiërarchie. Er zijn vrijstaande woningen voor het management, met een schotel op het dak, voor de senior staff (zonder schotel) en rijtjeswoningen voor de junior staff. De zwijnen en bavianen schooien er vrolijk rond dus zo wild zijn die beesten toch ook weer niet. En er zijn natuurlijk veel kinderen. Van twee heb ik vrijwel continu het gezelschap op de camping. Osman is twaalf en John is veertien. John is goed in planten; hij kent ze bij naam, tekent voor mij de bloemen, heel nauwkeurig met de vorm van het blad en de stamper en de meeldraadjes, opdat ik ze kan herkennen. Ik heb een foto van de maan gemaakt en die toon ik. “De maan” zeggen ze. Ik zoom in op de bovenrand waar een grote krater is te zien. “Weten jullie wat dat is?” Ze bestuderen het plaatje aandachtig. “Daar is een druppel gevallen” zegt John. John is de intellectueel, Osman de prater. Hij heeft heel veel vragen. Uit welk land kom ik? Hoe ziet de vlag van mijn land er uit? Heb ik misschien een vlag bij me? Hoe heet jullie president? Ik vertel dat wij geen president hebben maar een koningin. Dat zet hem op het verkeerde been want de volgende vraag is van welke stam ik ben. Ghana heeft een president maar de stammen hebben chiefs en koningen. Osman en John hangen elke dag na schooltijd bij mijn tent rond. Osman vraagt heel ernstig wanneer ik weer weg ga. “Misschien morgen, misschien overmorgen. Waarom wil je dat weten?” “Omdat wij denken dat je ons een cadeau gaat geven.” “Zo? Welk cadeau zou ik jullie dan geven?” “Wij denken dat je ons een voetbal gaat geven.” De voetbal is kapot. De school heeft wel een voetbal maar die mag alleen tijdens het sportuur worden gebruikt. Ik beloof niks maar bij Osman heeft de gedachte postgevat dat hij een bal zal krijgen. Keer op keer komt hij terug op die bal. In het dorp is een winkel en daar ga ik informeren naar de prijs van een bal. Op weg naar het dorp heb ik ook gezelschap van kinderen. “Waar ga je naar toe?” “Naar het dorp.” “Wat ga je daar doen? Ga je naar de winkel? Ga je een bal voor ons kopen?” Had ik van de schenking van een bal willen afzien, dan is het nu te laat. Een kleine bal kost drie cedi’s, een grote vijf; twee en een halve euro voor een voetbal ‘made in China’. Ik heb een bal gekocht en met de winkelier afgesproken dat ik die de volgende dag kom ophalen. Ik moet nog bedenken hoe ik die bal voor alle kinderen kan bestemmen. Daarbij helpt Osman: “Als je een bal koopt zou je hem aan meester David kunnen geven.” Meester David is de gymleraar.

Osman en John

Osman en John

Ik ben naar de school gegaan en heb de bal aan meester David gegeven. De school bestaat uit een aantal gebouwen met een golfplaten dak. De klaslokalen hebben een zwart krijtbord. In sommige lokalen staan banken; drie kinderen in één bank. De kleinsten hebben geen bank, die leren schrijven met krijt op de betonnen vloer. De school heeft geen bibliotheek, geen onderwijsmiddelen, geen kaarten, geen computer. De kinderen krijgen wel les in computerkunde – Osman legt uit: “ICT: Information Communication Technology” – uit een boekje. Dat is hetzelfde als leren voetballen uit een boekje. De school heeft een bal (twee, met de mijne erbij) en een volleybalnet. Voor zeshonderd leerlingen want de school is een streekschool. De school had een tafeltennisspel maar dat heeft het Rode Kruis meegenomen. ’s Avonds komen Osman en John bedanken voor de bal. Ze brengen ook het blikje koffie dat ze voor mij hebben gezocht en gevonden. Het is gedeukt en gebutst maar de bavianen hebben het deksel niet van het blik weten te krijgen.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s