Burkina Faso

Ik nam de weg van Mopti over Bandiagara en Koro naar Ouahigouya (spreek uit: ‘waa-gi-jaa’, met een dikke Surinaamse ‘w’) in het oosten van Burkina Faso. Een lemen weg maar goed te doen. De bus naar Koro staat met pech langs de weg. De passagiers wachten in de schaduw van een boom en de bagage van fietsen en brommers, zakken en pakken en geiten bevindt zich nog op het dak, dus er is hoop. Alleen de geiten hebben er geen vertrouwen in: ze kijken lusteloos naar beneden. Misschien kijken ze ook wel somber – bij een geit weet je dat niet – met het schapenfeest in het vooruitzicht. Dat is voor schapen geen feest en ook voor geiten niet. Bij Koro, veertig kilometer van de grens is de douanepost. Daar lever ik mijn laissez-passer in. “Bon voyage” zegt de douanier en “De laatste politiepost is twintig kilometer verderop.” Twintig kilometer verderop krijg ik het uitreisstempel – “gezien bij vertrek” staat erop – en daarna is er niks meer tot de grens. Van de Malinese grenspost is de deur met latten dichtgespijkerd, het gebouw erachter is ingestort. De Burkinese grenspost is wel bewoond. De wacht doet zijn middagdutje maar is wakker geworden van het motorgeluid. Hij staat op van zijn bed, trekt zijn uniform recht, gaat achter zijn bureau zitten, kijkt op en zegt “Ah, un visiteur” alsof hij mij nu pas opmerkt. Terwijl hij de visumadministratie doet bekijk ik het postregister. De pagina van de week is voor de helft gevuld. Bovenaan staan drie Slowaken. “Eergisteren, met een busje.” zegt de grenswacht “Ze hadden een paspoort van de Europese Unie. Ik had nog nooit van dat land gehoord.” Ik zeg dat er vast en zeker duizenden Slowaken zijn die nog nooit van Burkina Faso hebben gehoord.

Ouahigouya is mijn eerste Burkinese stad. Ik logeer in hotel Dunia. Er zijn wat blanke gasten, hulpwerkers. Hans is er een van: “Ik kom hier al vijfentwintig jaar, een week per jaar. Als ik weg ben valt hier iedereen weer in slaap. Daarom kom ik de laatste jaren tweemaal per jaar. Ik zeg tegen de mensen: ‘Je doet het niet voor mij, je doet het voor je kinderen.’” Hans: eind zestig met glinsterende ogen achter brillenglazen en een buikje. Landbouwer, een Europese marktgerichte boer met oog voor productie en prijzen. Hij vertegenwoordigt de Duitse gemeente Willich, niet ver van Venlo, dat een partnerrelatie heeft met de gemeente Zogoré op twintig kilometer van Ouahigouya. Hans heeft anekdotes. “Mijn gemeente had geld gegeven voor de bouw van drie scholen. Toen ik kwam kijken ontbrak van een school de deur en de raamkozijnen. Die waren gestolen, werd me verteld. Ik geloofde het niet en zei ‘Morgen zijn die deur en die kozijnen hier anders ga ik weg en kom nooit meer terug.’ De volgende ochtend waren deur en kozijnen er; ze hadden gewoon in een magazijn gelegen. Ja zeg, ik ben geen blöde Kuh!” Over zijn motivatie: “Er is nu eenmaal ongelijkheid in de wereld maar het verschil tussen hen en ons is niet acceptabel.” Wat is het probleem? Wat is het verschil tussen ‘hen’ en ‘ons’ en waardoor komt dat? Ik heb die vraag aan menig ontwikkelingswerker gesteld en die wijzen dan vaag om zich heen alsof het antwoord vanzelfsprekend is. Hans niet: “Bij ons staat vijfennegentig procent van de mensen op eigen benen en vijf procent nemen we mee. Dat zijn de sociale gevallen. Hier staat vijf procent op eigen benen.” en “Het gaat om kansen. Er moeten kansen zijn, die moeten mensen zien en die moeten mensen grijpen. Er zijn hier veel minder mogelijkheden dan bij ons maar ze zijn er wel maar de mensen zien ze niet of grijpen ze niet.” Waarom zien of grijpen de mensen de mogelijkheden niet? “Het klimaat maakt de mensen lui. Hier groeit alles; heb je honger dan neem je een vrucht van de boom.” Ik zie weinig in zo’n verklaring – de droge tijd is aangebroken en dan groeit er niets – maar hij wijst nog naar een andere die ik intrigerend vind: “Er is hier geen generatieconflict. De jongeren volgen de ouden. Die zeggen: ‘We hebben het altijd zo gedaan dus doe het nu ook zo.’ Zo verandert er niets.” Wat doe je dan? “Neem de bijenteelt. Om de honing te winnen is het de gewoonte om het nest in brand te steken. Dan ben je het bijenvolk kwijt, de helft van de honing en de andere helft smaakt naar roet. Ik leg uit hoe het anders kan en dat laat ik zien.” Lukt dat? “Het gaat maar het gaat heel langzaam. Het zal zeker nog twee generaties duren voor ze bijgetrokken zijn. Ik maak dat niet meer mee.” Op weg naar Bobo Dioulasso ontmoet ik een man die zich voorstelt met “Je suis un apicultivateur moderne.” Een moderne imker. Wat is het verschil met een traditionele? Hij snuift “Poeh, vroeger doodden we het bijenvolk met vuur. Ik doe dat niet meer. Ik heb een hoed om me te beschermen tegen de bijensteken. Ik heb nu meer volkeren en meer honing.” Hans!

Ik laat het oordeel “het verschil tussen hen en ons is niet acceptabel” aan Hans. Ik vind dat het met Burkina Faso heel aardig gaat, op het eerste gezicht en in vergelijking met Mali. Ik nam de secundaire weg van Ouahigouya naar Bobo Dioulasso over Tougan en Dedougou. “Guidron” en “passable” zeiden de mensen die ik naar de toestand vroeg. Wat is “passable”? “Goed, weinig zand, wel veel wasbord” zeiden de mensen die ik vroeg naar de toestand van de piste tussen Douentza en Timboektoe. Aan die verklaring bewaar ik slechte herinneringen. Volgens mijn kaart is er een hotel in Tougan en een in Dedougou dus ik kan er desnoods drie dagen over doen. Ik reken met twee. Afgezien van wat kuilen in de uitvalsweg van Ouahigouya was het fantastisch: harde rode leem, nauwelijks wasbord. Vanaf Dedougou is de weg zelfs geasfalteerd. Ik haalde Bobo Dioulasso op mijn sloffen, in één dag; driehonderdtachtig kilometer. Heerlijk ontspannen motorrijden over een door mangobomen beschaduwde weg door een aantrekkelijk heuvellandschap met akkers en open bossen. Ook de weg van Bobo Dioulasso naar Ouagadougou – “Ouaga” zeggen de mensen – is geasfalteerd en in uitstekende staat. “Voor uw comfort en veiligheid heeft de Europese Unie deze weg gefinancierd” staat er op borden. Opdat de mensen hun weldoener zullen kennen. In uitstekende staat, tot Boromo. Daarna zitten er veel gaten in het asfalt. Op de borden staat dat het onderhoud van dit gedeelte zich in “phase II” bevindt.

De weg naar Dedougou.

De weg naar Dedougou: harde rode leem en maar een beetje wasbord

Tougan en Dedougou bleken opgeruimde stadjes met nette kiosken langs de weg die uitnodigen om er een kop koffie te drinken. Zo iets zag ik in Mali nergens; daar staan langs de weg wrakke keten met een gammel bord “Ici Coca Cola”, zonder tafeltje of bank. Bobo Dioulasso is de tweede stad van Burkina Faso, de concurrent van Ouagadougou. Ouagadougou is de stad van de Mossi, Bobo Dioulasso van de Bobo. Tussen beide bestaan eeuwen van rivaliteit. Bobo Dioulasso: een binnenstad met door bomen beschaduwde lanen en onder die bomen terrassen. Nergens in Mali zag ik terrassen. Het zijn Afrikaanse terrassen: zware ijzeren tafels en stoelen, ruwhouten banken in het stof. Geen verlichting; wie ’s avonds een biertje drinkt, drinkt in het donker. Da’s Afrikaans. Het kan te maken hebben met het schapenfeest: de terrassen zitten vol, bomvol. Groepen jongemannen, meiden, stelletjes, een enkele oude man. Grote flessen bier op tafel, Brakina of sob.b.bra; de een wordt gebrouwen in Bobo, de ander in Ouaga. Bobo Dioulasso heeft een enorme en goed voorziene markt: grote stapels tomaten, aubergines, uien, wortels, sperziebonen, bloemkolen, papaja’s, sinaasappelen, bananen. Ook eieren, vlees en vis. Het is er vreselijk druk, vooral vrouwen want de markt is het domein van vrouwen zowel in de koop als in de verkoop. Jongens dragen volle tassen naar gereedstaande taxi’s. Aan de rand van de markthal staan de kramen met schoenen en kleding. Kinderen worden er gekleed, jongetjes gestoken in glimmende minikostuums, meisjes in roze jurken. Het schapenfeest natuurlijk. Afrikanen verstaan de kunst om kinderen te kleden als volwassenen en ze er toch als kinderen te laten uitzien. Zo’n markt als in Bobo Dioulasso zag ik nergens in Mali. Ik bezocht daar de markt van Djenné waar marktvrouwen zitten met een handvol tomaten, pepers, knoflook, kruiden. De overvloed van de markt vind ik terug op mijn bord. In restaurant Dankan at ik een verrukkelijke salade van boterzachte avocado. De vinaigrette werd er afzonderlijk bij geserveerd. In Mali at ik buiten de toeristenhotels alleen rijst met saus of spaghetti bolognaise, nooit groente of fruit afgezien van watermeloen en bananen. Dankan: een betonnen vloer, golfplaten dak, een rij tafels die met een lapje worden schoongeveegd, gekleurde lampjes en plastic slingers, sloffende obers en het duurt een eeuwigheid voor er beweging in de keuken komt. Er is ook een terras onder de bomen. Wie buiten eet, eet in het donker.

De grote moskee van Bobo Dioulasso.

De bezienswaardigheid van Bobo Dioulasso: de grote moskee.

Bij overvloed hoort bedrijvigheid want het geld moet verdiend worden. Ik ben op weg naar het politiebureau voor de verlenging van mijn visum en loop voorbij een kwekerij. De kweker spreekt me aan: of ik zijn tuin wil bezoeken? Daar heb ik zeker tijd voor, zegt hij, want de vreemdelingenafdeling van de politie is gesloten op zaterdag. Dus bezoek ik zijn tuin. Lange rijen tuinplanten in plastic zakjes – “Dit is …” en “Kijkt u deze, dat is …” – en jonge cacaobomen met vruchten. “De vraag naar cacaobomen neemt toe vanwege de prijs.” In een hoek, langs de afrastering staan wat armetierige struikjes. Wat is dat? “Dat heet curcas” zegt de kweker “Het schijnt dat uit de zaden olie kan worden geperst die geschikt is voor dieselmotoren. We proberen het uit.” “En dan gaan we nu naar de bonzai-baobabs.” “De bonzai-baobabs?” “De bonzai-baobabs.” Rijen plantjes, steeds drie in elkaar gevlochten, een dikke stam, wat blaadjes. Die dingen herken ik: die staan in Nederland bij bedrijven en kantoren in bakken met kattenbakkorrels. “Klopt” zegt de kweker glunderend “We exporteren ze naar Europa.” Ik praat met een ondernemer, een echte ondernemer. “We zijn een coöperatie. Het gaat goed met onze tuin omdat we een eigen waterput hebben. Met uw bijdrage kunnen we een tweede put aanleggen en kunnen we nog veel groter worden.”

Het gaat goed met Burkina Faso en het verschil met Mali is opmerkelijk. Mali ligt amechtig aan het hulpinfuus. Niets werkt, alles is kapot, hangt met touwtjes aan elkaar. Ik kan me niet herinneren buiten de hotels een stoel te hebben gezien waaraan niet de armleuning of rugleuning ontbrak. Erger: ik zag er geen activiteit. Het lijkt alsof iedereen wacht op de volgende hulporganisatie. Burkina ligt aan hetzelfde infuus maar deze patiënt is levendig en ondernemend. Ik passeerde menig waterbassin en irrigatiekanaal. Die heb ik in Mali niet gezien. De wegen zijn in goede staat en er rijden niet alleen stokoude gedeukte bussen maar ook tamelijk nieuwe. In Mali staat het grootste deel van de bussen met pech langs de weg. Er is een middenklasse in Burkina, zichtbaar in de vorm van personenauto’s en in de Marina supermarkt in Bobo en in Ouaga: “Le Beaujolais est arrivée” en “Bestel uw kerstinkopen vóór 15 december”. Ik zie mensen met een bril. Die lezen, dat is middenklasse. In Bobo zitten de terrassen vol, in Ouaga de bars. De markt is een goede graadmeter voor de toestand van het land en de markten zijn vol. Niet in Mali. De prijzen voor logies en eten zijn veel lager dan in Mali. Daar drijft het toerisme de prijzen op. Niet alleen voor de toerist, ook voor de gewone Malinees. Ik heb de indruk dat in Burkina de vrije markt haar werk beter doet en zorgt voor vooruitgang. Een Burkinees die ik vraag naar de toestand van zijn land vertelt “Onze president steekt al het ontwikkelingsgeld in eigen zak. Dus we moeten wel werken.” Er is ook een keerzijde. Het leven is in Burkina rauwer. Er zijn bedelaars en straatkinderen, te herkennen aan het conservenblik waarin ze hun spulletjes bewaren. Het zijn er veel, veel meer dan ik zag in Mali. Ik ben weer overgestapt op het vertrouwde hulpsysteem van de kwartjes en de duppies.

Een anekdote over het eeuwige visumcircus. Ik kwam Burkina binnen op een transitvisum en dat wilde ik in Ouaga verlengen en daar ook het visum voor Ghana kopen. Voor het verlengen van het Burkinese visum moet je volgens de Lonely Planet bij het “Commissariat Central” zijn in de binnenstad maar volgens de portier daar is het visumbureau verplaatst naar het Directoraat Generaal van de Nationale Politie, dat aan een van de avenues zit. Het visumwerk is kennelijk niet geliefd: het DGPN heeft het overgedragen aan de Division de l’Immigration aan de rand van de stad. Ik ben een ochtend bezig geweest om het juiste bureau te vinden. Volgens de grenswacht die mij het transitvisum verstrekte zou de verlenging een kwestie zijn van een stempeltje zetten. Het blijkt een administratief proces dat minimaal achtenveertig uur vergt. Dat zegt de ambtenaar en het staat ook op een groot papier dat achter hem hangt. Achtenveertig uur wachten … is dat nou nodig? De ambtenaar: “Ik begrijp dat u uw paspoort ook nodig heeft voor het aanvragen van een visum voor Ghana. Tja …”. Hij zet zijn bril af, wrijft over zijn voorhoofd alsof hij diep nadenkt over een korter verwerkingsproces. “Ik kan het in zes uur doen maar dan moet u wel iets geven.”. “Hoeveel?” “Ach, dat laat ik aan u over.” Ik geef hem vijfduizend franc. Het is voldoende: “Komt u vanmiddag om vier terug.” Wij voeren dit gesprek op gedempte toon om de andere ambtenaren niet te storen. Omkoping? Corruptie? Dat zijn grote woorden. Bedenk dat een visum voor Nederland een Burkinees een veelvoud kost van wat ik voor een Burkinees visum betaal en de Nederlandse ambassade kent vast en zeker geen mogelijkheden om de administratie te versnellen. De behandeling van een visumaanvraag kan daar gemakkelijk weken duren. Ik ben om vier uur terug gegaan en mijn paspoort lag klaar.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s