Timboektoe

‘Timboektoe’ heeft de magische klank van onbereikbaarheid. Het gaat er niet om er te zijn maar om er te komen. Het kan per vliegtuig. Dat is eigenlijk niet ‘er komen’ maar ‘verplaatst worden naar’: “Beam me up to Tombouctou, Scotty”. Het kan ook per boot over de Niger. Vanuit Mopti is het drie dagen varen met de publieke pinasse. Dat is er ‘er komen’. Ik wil er over land komen, vanuit Douentza: tweehonderd kilometer piste tot het veer over de Niger bij Korioumé en daarna nog achttien kilometer asfalt. Peulenschil? Ik heb vooraf geïnformeerd naar de toestand van die piste. “Hard oppervlak. Hier en daar wat zand. Wel veel wasbord. Terreinwagens doen het in drie uren.” De Lonely Planet is veel somberder, belooft een reis van negen uur maar de LP heeft niet altijd gelijk.

Het begin is goed: een rode piste met hard oppervlak en weinig wasbord. Geen zand. Een mooi, verdorrend maar nog groen Sahel landschap. Ik haal gemakkelijk zestig kilometer per uur. Als de piste zo blijft bereik ik het veer in het begin van de middag. Iedereen met een beetje reiservaring weet dat de weg naar nowhere alleen maar slechter wordt en Timboektoe is the middle of nowhere. Het wasbord neemt toe, zowel in omvang als in intensiteit en is niet te vermijden. Er zijn veel kuilen en voorden door wadi’s waarvoor ik moet afremmen en zo kan ik onvoldoende snelheid maken om over het wasbord te komen. Het wordt zwaar voor motor en berijder. Ik kruip voort in de tweede en soms de eerste versnelling. Moet ik dit doen? Is het de moeite waard? Is het niet beter terug te keren en Timboektoe te vergeten? Wasbord rijden is fysiek slopend. Tegen mijn nieren zeg ik altijd “Hou je vast aan de ruggengraat” maar dat is op wasbord geen goed advies. Alles trilt en de trilling slijpt alles tot schilfers en stof: de kartonnen doos van de voetpomp, de plastic doos met bouten en moeren, de zakjes met ringen, alles wordt tot poeder en schilfers getrild. Wasbord is bovenal psychisch slopend. Wasbord rijden is niet moeilijk maar het zuigt alle energie uit het brein. Zand rijden is ook slopend maar daarbij wordt de energie tenminste omgezet in stuurmanskunst. Wasbord rijden is alleen maar een kwestie van volhouden. Het brein gaat malen – zal ik wel, zal ik niet? Is het niet beter …? – en dan komt het moment waarop het brein het contact met de buitenwereld verbreekt. Tuut … tuut … tuut. Je hobbelt verdoofd verdwaasd voort totdat je ergens aankomt en dan ontwaak je uit de verdoving.

De piste in de omgeving van Douentza

De piste naar Timboektoe, in de omgeving van Douentza

Tegen de middag bereik ik het dorp Bambara Maoudé dat ongeveer halverwege Douentza en het veer van Korioumé ligt. “Vanaf hier wordt het beter” zegt de man bij wie ik een flesje Fanta koop. “Het wordt nog veel erger” zegt de Brit die er ook een flesje Fanta drinkt. Hij laat zijn fonkelnieuwe BMW 1200 GS per pick-up transporteren van Timboektoe naar Douentza. “Ik ben zes keer gevallen op de heenweg. Ik durfde de terugweg niet meer aan.” Hij betaalt voor het transport tweehonderddertig euro dus de angst moet groot zijn. Hij zegt ook: “Time is not on your side.” Het veer over de Niger stopt bij het invallen van de duisternis. Ik heb nog vier en een half uur voor honderd kilometer. Na Bambara ligt er een heel redelijke piste van harde hobbelige leem. Hier en daar wat zand. Ik leg veertig kilometer af in minder dan een uur. Als het zo doorgaat bereik ik het veer tegen vieren. Er komt steeds meer zand en steeds meer duinen waarvan de hellingen en de toppen zijn kapot gereden tot diep rul zand. Die duinen neem ik schuivend en slippend in de eerste versnelling. Ik verlies ’n keer de controle maar kan de motor een zachte landing laten maken. Dat is niet zo moeilijk in het zand. De motor weer overeind krijgen is wel moeilijk in het zand. Alle bagage moet er af. Ik breng de motor naar de voet van het duin. Dan moet ik de bagage ophalen en weer opladen. Dat kost tijd. Ik haal het volgende duin en het volgende en het volgende, schuivend en slippend. Nog vijftig kilometer – wie draait zijn hand om voor vijftig kilometer? – nog vijfenveertig. Ik heb een tong van leer en mijn armspieren trillen van de inspanning. Nog veertig kilometer. De zon zakt en werpt lange schaduwen waardoor ik de zandplekken niet goed kan zien. Het veer, het veer! “Time is not on your side” zei de Brit. Nog twintig kilometer, nog vijftien. Er komen moerassen en meertjes langs de weg; ik nader de Niger. In de schemer bereik ik de oever en de aanlegplaats. De veerboot ligt er nog. Ik heb het gehaald. Als het veer de Niger oversteekt is het donker. Een fantastische sterrenhemel is de beloning voor de geleverde inspanning. Ik zie een vallende ster en doe een wens: “Voor de terugweg, beam me up Scotty.”

De piste na Bambara.

De piste na Bambara, in het late namiddaglicht.

Dan ben je in Timboektoe en dan? Timboektoe was wat! Puissant rijk van de karavanen, de handel in goud, zout, ivoor en slaven. En heel geleerd; de madrassa’s trokken duizenden studenten. Die tijd is allang voorbij, Timboektoe is geen schim meer van wat het ooit was. Drie uit leem opgetrokken moskeeën die niet de moeite van het bekijken waard zijn als je de grote moskee van Djenné hebt gezien. Het museum stelt een kleine collectie manuscripten ten toon die geen verbeelding van geleerdheid oproept. Het vitrineglas is bestoft en beduimeld. Blijft over: de Flamme de la Paix, het monument dat de vrede tussen de Toeareg en de Malinese overheid symboliseert. Het monument is in verval, heeft inmiddels een deel van haar betegeling verloren. Dat is Timboektoe nu: een slaperige provinciestad op de grens van Sahel en Sahara waar het woestijnzand zich in de straten ophoopt. Timboektoe mag blij zijn dat vreemdelingen worden aangetrokken door de magie van haar naam anders was de stad misschien wel verlaten.

Toeareg Ibrahim heeft zichzelf tot mijn gids verklaard. Hij laat me de Flamme de la Paix zien: “We hebben vrede gesloten en nu wordt alles beter. Er is zelfs een Toeareg minister geworden.” Uit zijn mantel haalt hij een bundeltje met ‘n dolk, halssieraden, armbanden, amuletten. “Dat zijn de kamelenvoeten, vier omdat we ook vier sterren hebben. Dat rondje is de bron. En dit …” Reliëf in leer, dunne draadjes koper en tin die in hout of leer zijn geslagen, agaatkralen. Hij maakt het zelf en het is goed gemaakt. En toch hangt er iets treurigs omheen. Het is ambacht, goed ambacht maar ook ambacht dat zichzelf heeft overleefd; niet meer voor de tribale trots maar voor de toerist. Ik probeer: “Als je nu eens een ander motief of symbool … iets anders ….” Hij kijkt me verbijsterd aan: “Dit zijn onze tradities, ik ben een Toeareg!” Voor de Toeareg voltrekt zich een drama. De karavaanhandel bestaat vrijwel niet meer. Voor het weiden van de kamelen en geiten zijn ze aangewezen op de smalle strook tussen Sahel en Sahara en die strook wordt meer en meer in beslag genomen door Afrikanen. Zwarte Afrikanen die de Toeareg overvielen als het zo uitkwam en waarop ze altijd hebben neergekeken. Nu zijn ze afhankelijk van diezelfde zwarte Afrikanen: ze moeten er vrede mee sluiten, er de hand bij ophouden. Ze verliezen hun zelfstandigheid en daarmee komt de trots in het geding en ze zien geen toekomst omdat tussen hen en de toekomst het beeld staat dat Toeareg hebben van zichzelf en van de wereld. Sommigen grijpen terug naar het oude handwerk van overvallen en kidnap, als in Mauritanië, willen gewapenderhand de oude suprematie herstellen, als in Mali, voeren een niet te winnen oorlog om weidegrond, als in Darfur, laten zich voor het karretje spannen van overheden zonder scrupules en van Al Qaida en worden daardoor schietschijf voor weer andere overheden zonder scrupules. Andere Toeareg proberen te overleven met kamelentochten voor toeristen of met de souvenirhandel. Ibrahim behoort tot de laatste categorie. Hij probeert me te interesseren voor een tochtje per kameel. Ik weet dat het zinloos is want hij gaat niet voor mij de woestijn in maar voor zichzelf. Ik doe een voorstel: “Ik betaal je duizend frank als je me Timboektoe laat zien.” Het is duidelijk een minder gewilde optie, het liefst had hij die kamelentrip gemaakt, maar hij doet het. “Dat is het kanaal dat Khadaffi heeft laten graven. Dat daar wordt het vijfsterren hotel van Khadaffi.” Klaar. Hij wil het wel maar hij kan het niet. Hij is er niet voor in de wieg gelegd. Hij is een Toeareg. De Toeareg zijn, als alle nomadenvolkeren, de grote verliezers van de moderne tijd. Ik voel met de nomaden mee want ik ben er zelf een. Waarom subsidiëren we de karavaanhandel niet, zodat de kosten vergelijkbaar worden met die van het schip of het vliegtuig? De Toeareg zouden hun tradities niet hoeven opgeven, hun trots niet hoeven opgeven. Ze zouden niet in paniek raken en minder bevattelijk zijn voor de verleidingen van overheden zonder scrupules en Al Qaida. Voor nomadenvolkeren is geen belangstelling.

Toeareg Ibrahim

Toeareg Ibrahim

Ibrahim zegt “Hollanders en Toeareg zijn neven van elkaar.” Omdat ik vermoed dat het de inleiding is van een nieuw verkoopoffensief, ik bang ben dat hij weer die bundel met het dolk, de kettingen, armbanden en amuletten uit zijn mantel haalt en ik niet nog ‘n keer de uitleg van alle symbolen wil aanhoren, reageer ik afwijzend: “Er zijn geen Toeareg in Holland, Ibrahim, dus hoe zouden we neven kunnen zijn?” Hij houdt vol: Toeareg en Hollanders zijn neven van elkaar. Dus stel ik de enige vraag die je kunt stellen zonder in een patstelling te komen: “Waarom zijn wij neven van elkaar?” “Omdat de Hollanders in mijn dorp een waterput hebben geslagen en in alle Toearegdorpen rondom Timboektoe. Nu hoeven we niet meer naar de Niger om water te halen. Onze put is heel diep en levert goed water.” Zoiets doe je alleen voor verwanten vandaar “Toeareg en Hollanders zijn neven.” Ik zeg tegen onze minister van ontwikkelingssamenwerking: waterputten, excellentie, waterputten! Het kan me niet schelen hoe diep en het kan me niet schelen wat het kost maar waterputten, excellentie. Mensen moeten niet dertig kilometer met een kameel door het zand hoeven sjokken om rivierwater te halen dat vuil is. Mensen hebben recht op schoon water!

Ik heb Ibrahim in mijn hart gesloten vanwege dat “Hollanders en Toeareg zijn neven van elkaar” en ik heb ook Abdullah in mijn hart gesloten. Abdullah is de schoonmaker in hotel-camping Tombouctou. Hij veegt de kamers met een handbezem van palmbladnerven en hij maakt het toilet schoon. Abdullah: vierendertig, tanig zonder overbodig vet. Abdullah vraagt “Hebt u misschien iets te wassen?” Dan kan hij bijverdienen. Ik zal Abdullah om die reden in mijn hart hebben gesloten. Hij is het die mij wijst op de weg over Niafounké als alternatief voor de vreselijke piste naar Douentza en hij biedt aan die samen te verkennen, op de motor. Over het wegdek zegt Abdullah “guidron”. Dat betekent ‘hard oppervlak’, asfalt of leem. “Nee, geen zand” verzekert Abdullah die zich mijn zorgen heeft aangetrokken. Wij gaan samen op verkenning: harde rode leem, wel veel wasbord maar geen zand en gaandeweg wordt het nog beter. Ik haal zestig, zeventig, soms wel tachtig kilometer per uur. We rijden tot Goundam op negentig kilometer van Timboektoe in minder dan twee uren. Geweldig! “En, hoe is verder de weg naar Niafounké?” “Hetzelfde” zegt Abdullah “en vanaf Niafounké guidron noire.” Asfalt? Hij zegt ook: “In Niafounké moet je vragen naar de toestand van de weg tot Konna.” Samen hebben we een leuke tocht gemaakt, Abdullah en ik. Hij zegt “exactement” als ik hem begrepen heb en “voila” als ik hem gelijk geef. Als een onderwijzer tegen een kind.

Abdullah

Abdullah

Op de terugweg wijst hij zijn huis aan: een lemen huisje met een deuropening zonder deur en geen ramen, midden in het zand aan de rand van Timboektoe. Daar woont Abdullah met zijn vrouw en vier kinderen. Hij heeft geen brommer, zelfs geen fiets, loopt elke dag naar hotel-camping Tombouctou dat aan de andere kant van Timboektoe ligt. ’s Avonds: hij wil even niet praten over de weg, hij wil praten over de prijs, de prijs van zijn verkenningsdienst. Ik kijk hem aan. “Wel … uhhh … honderdduizend frank … maar omdat je een vriend bent de helft.” Hij moet de verbijstering op mijn gezicht hebben gelezen. Ik: “Geen sprake van Abdullah, ik betaal je tienduizend.” Hij accepteert, zonder morren. Dat mag ook wel want ik heb hem een weekloon betaald voor een halve dag werk. Vast en zeker heeft hij in stilte gejuicht en elke juichkreet is een lofzang voor Allah. Hij zal zijn vrouw trots het bankbiljet hebben getoond. Misschien heeft hij, ter gelegenheid van het geluk, een flesje limonade gekocht. Abdullah zet voor mij een pilsje neer, een drank die hij waarschijnlijk zijn leven lang niet zal drinken. Misschien uit religieuze overwegingen maar zeker omdat hij dat niet betalen kan. Hij heeft nog een optie om uit Timboektoe weg te komen: met een pirogue over de Niger naar Gao. Hij kent iemand met een pirogue en die wil hij voor me bellen als ik zijn beltegoed wil opwaarderen. Als zovelen heeft hij wel een mobiele telefoon maar geen beltegoed. Ik trap er niet in, vraag de telefoon van een andere gast waarmee hij bellen mag. Bij het afscheid nemen vraagt Abdullah om een present. Ik geef hem tweeduizend frank, voor zijn beltegoed. Abdullah omhelst me want ik ben een vriend. Hij wil op de foto en die moet ik hem sturen maar hij heeft geen e-mailadres. Abdullah staat in mijn kasboek, voor twaalfduizend frank, ongeveer achttien euro. Ik zie in dat bedrag dat lemen huisje, in het zand in de brandende zon, met zijn vrouw en vier kinderen erin.

Met die pirogue is het niks geworden. Evenmin met de weg over Niafounké. Het viel me bij de verkenning al op dat er heel weinig verkeer was voor een weg van zo’n kwaliteit. Waarom verkiezen al die quatquats (Frans voor terreinauto) vol met toeristen toch de piste over Douentza als er ook zo’n mooie weg ligt? Om de toeristen te laten lijden? Om de magie van Timboektoe’s onbereikbaarheid in stand te houden? Ik spreek zo’n quatquat-chauffeur. “Hoe rijdt u naar Mopti?” “Over Douentza.” “Waarom rijdt u niet over Niafounké?” “Omdat na Niafounké de weg nog onder water staat.” Geen zand maar water.

Dan toch maar die vreselijke piste. ’s Morgens vroeg, voor achten, verliet ik Timboektoe; het veer bij Korioumé is een obstakel dat veel tijd kan kosten. Het vaart langzamer dan een slak kruipt, doet er meer dan een uur over om de Niger te kruisen, en staat een lange rij quatquats te wachten. Iemand komt met een alternatief: de pirogue. Hij vraagt het dubbele van het veertarief maar ik kan geen uren wachten; ik heb die tijd nodig voor de piste. Drie man tillen de motor – driehonderd kilo inclusief bagage – in de pirogue. Zonder ongelukken en in minder dan een half uur ben ik aan de overkant. Daar heb ik nog wat strijd en dus oponthoud omdat iemand geholpen heeft mijn motor van de pirogue te tillen en daarvoor geld wil maar voor negenen kan ik toch aan de piste beginnen.

Met de pirogue over de Niger.

Met de pirogue over de Niger.

Ik heb negen uur, tot zonsondergang, om de tweehonderd kilometer naar Douentza te overbruggen. Ik heb de tijd. Elk duin inspecteer ik vooraf om het beste spoor te vinden. In de eerste versnelling naar boven, gas houden, niet versnellen of vertragen. Naar het volgende duin. Ik neem alle duinen zonder te vallen. Bambara Maoudé, halverwege, bereik ik om twee uur ’s middags; vijf uren voor honderd kilometer. Vanaf Bambara tot Douentza is nog ’n keer honderd kilometer met het gekmakende fullblown wasbord waarover ik alleen kan voortkruipen. Het vraagt zelfbeheersing om niet vloekend en scheldend – wie zal het horen? – of biddend om een eind aan de marteling – God maak er een eind aan, maak er in Godsnaam een eind aan! – voort te rijden. Ik kan die zelfbeheersing niet altijd opbrengen, vloek, scheld en bid in de lege ruimte. De ontmoeting met herders kalmeert. Ze komen naar de weg om water. Van de quatquats hebben ze niets te verwachten; die rijden te snel en stoppen niet. Ik deel met hen mijn water. God vergeeft. Ik bereik Douentza om half zeven, na het invallen van de duisternis. Over tweehonderd kilometer heb ik tien uren gedaan. Ik ga nooit meer naar Timboektoe. Ik ben er geweest.

Herders langs de piste.

Herders; ze komen voor water.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s