De borden van Goede Bedoelingen

Ik nam de weg van Segou naar Djenné. Links en rechts is het bos gekapt op een enkele baobab na en struikgewas is opgeschoten. Onaantrekkelijk en saai. Daarom lees ik de borden langs de weg. Sommige roepen de bevolking op voor dit of dat: voor de aidstest (“secure, confidentiel, gratuit”) of voor kinderzorg (“Moeders, laat uw kinderen onder een klamboe slapen”). De meeste borden verwijzen naar hulpprojecten voor het gezin, voor moeders met kinderen, voor kinderen. Ik zag geen bord van een hulpproject dat zich expliciet richt op volwassen mannen. Die komen er bekaaid vanaf. Andere borden verwijzen naar projecten voor de elektrificatie van het platteland, de herbebossing, de watervoorziening, de verbetering van de landbouw, de wegverbetering, de natuurbescherming of de bescherming van de olifant. Het zijn projecten van de Europese Unie, Japan, de Verenigde Staten (USAID). Zelfs Luxemburg en Monaco dragen hun steentje bij aan de ontwikkeling van Mali. Andere projecten zijn van liefdadigheidsorganisaties en van evangelische groeperingen, vooral Worldvision en Assemblee de Dieu. Mali is een donor darling en de weg van Bamako over Segou en Djenné naar Mopti is de slagader van die hulp. Hierlangs reizen de toeristen en die vertellen thuis hoe erg het is en ze willen dat hun regering er iets aan doet. Voor hen zijn die borden, om te vertellen dat hun land een hart heeft. Segou, Djenné, Mopti, Timboektoe en het land van de Dogon zijn de toeristische centra van Mali en daar is de hulp geconcentreerd. Ook de Toeareg worden bedeeld, niet omdat de toeristen daarop aandringen maar omdat de Toeareg politiek hot zijn. In de jaren negentig zijn de Toeareg in opstand gekomen tegen de Malinese overheid. Toen het heel erg uit de hand begon te lopen – er zouden honderden Toeareg in de woestijn zijn geëxecuteerd – hebben Toeareg en overheid iets verstandigs gedaan: ze zijn met elkaar gaan praten en hebben vrede gesloten. Daarom zijn de Toeareg politiek hot. Het westen van Mali is toeristisch noch politiek interessant en daar is ook veel minder hulp. De weg van Kayes naar Bamako is een catastrofe. Een Brits echtpaar dat die streek bereisde vertelt: “Op de kaart stond een weg aangegeven in geel: asfalt. Het begon goed maar al gauw hield het asfalt op, daarna werd de weg steeds smaller en uiteindelijk liepen we vast in een akker. De mensen vertelden ons dat die weg op de kaart een plan was, vijf jaren geleden beloofd maar nooit uitgevoerd.”

In Djenné logeer ik bij Sophie. Ze drijft een hotel dat ver boven mijn budget ligt maar het klikt tussen mij en Sophie en ze verlaagt de prijs zover dat ik een verblijf kan betalen. Sophie is van Zweedse afkomst maar Brits opgevoed en haar hotel is een voorbeeld van Britse orde. Zelfs de tafelschikking wordt door Sophie bepaald. Ik dineer met haar en voor mij nodigt ze nog een gast aan onze tafel uit. Het is een Nederlander van middelbare leeftijd en hij heet Bart. Na de kennismaking vraagt Sophie wat hem naar Djenné brengt. Vakantie? “Nee, niet alleen vakantie” zegt Bart, hij is er ook om een paar projecten te bekijken. “We overwegen een project te starten voor de straatkinderen van Djenné, misschien een school.” Sophie laat bijna de soeplepel uit haar hand glippen. Haar ogen – ze heeft mooie grijsblauwe ogen – fonkelen. “Er zijn helemáál geen straatkinderen in Djenné! Wat u aanziet voor straatkinderen zijn taliban, leerlingen van de koranscholen. Ze komen uit Mali, uit Niger, Burkina Faso, Ghana, zelfs uit Nigeria. Die kinderen hebben gewoon ouders die hen hebben gestuurd om islamitisch onderwijs te krijgen. Die ouders en de leiders van de koranscholen zullen uw bemoeienis niet op prijs stellen en al helemaal geen school!” Bart verstijft. O jee, dit is geen goed tafelgesprek. Om de sfeer te redden probeer ik weg te komen van die straatkinderen en informeer of er nog andere projecten zijn waarvoor Bart belangstelling heeft. Ja, zegt Bart opgelucht, hij komt ook kijken naar de resultaten van restauratiewerk dat is uitgevoerd door de Technische Universiteit van Delft. Bingo! Sophies ogen fonkelen opnieuw; ze heeft gelukkig haar lepel neergelegd. “Weet u dat de mensen hier eeuwenlang met leem hebben gebouwd? En nu zouden ze het opeens niet kunnen? De mensen laten hun huizen vervallen omdat ze weten dat de Europeanen komen om ze weer op te knappen!” Djenné staat op de Werelderfgoedlijst van Unesco. “Ja” zegt Bart “maar de huizen hebben nu waterleiding en die is niet goed aangelegd en dat veroorzaakt lekkages en daarom vervallen die huizen.” Sophie: “Leer die mensen dan waterleidingen aan te leggen in plaats van hun huizen op te bouwen.” Sophie, later: “Was ik te hard? Het spijt me maar ik kan daar niet tegen. Bart zal het goed bedoelen – hoewel er ook velen komen om hun geweten te ontlasten – maar hij kent de situatie niet. Toen ik dit hotel begon wilde ik iets doen voor de gemeenschap. Ik dacht aan onderwijs voor volwassenen. Mijn man [ze is getrouwd met een Malinees] zei ‘Kijk eerst of er niet al zo’n project is.’ Er bleek zo’n project te zijn. Mensen hadden zelf al een leraar gehuurd maar het ging niet goed door geldgebrek. Dat project ondersteunen we nu.” Bart, later: “Ik ben wel geschrokken. Misschien heeft ze gelijk. Maar we kunnen mensen niet aan hun lot overlaten. De overgang naar de moderne tijd is onvermijdelijk. Hoe sneller dat gaat hoe beter het is.”

De moskee van Djenné.

De moskee van Djenné. Staat op de Werelderfgoedlijst van Unesco.

Om Djenné te bezoeken regelt Sophie een gids voor mij, Hummun. Sophie: “Hij is competent maar ook depressief. Heb je daar bezwaar tegen? Ik wil hem graag wat werk bezorgen.” Ik heb daartegen geen bezwaar maar ik wist niet dat depressiviteit samenging met keihard onderhandelen; hij doet geen sou van zijn prijs af. Met Hummun wandel ik door Djenné; hij toont mij het huis van de chief, wijst op de kenmerken van de lokale architectuur die door de Fransen ‘architecture soudanaise’ wordt genoemd en waarvan de moskee van Djenné het wereldvermaarde voorbeeld is. Op een van de pleintjes staat een betonnen paal met een kraan. Eromheen een stinkende moddertroep. Hummun wijst op de kraan: “Door de overheid aangelegd”. Ik wijs op de moddertroep. Hummun: “Dat hadden we niet voordat de kraan werd aangelegd. Toen deden de mensen de was en de afwas in de rivier.”

Architecture Soudanaise

Architecture Soudanaise; het huis van de chief.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, West-Afrika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s