Heading east

Van Portland naar Chicago is vierduizend kilometer door Oregon, Idaho, Wyoming, South Dakota, Nebraska, Iowa en Illinois. Namen met de klank van eindeloze vergezichten en eenzaamheid. Idaho heeft een ‘basin and range’ landschap als Nevada maar veel onregelmatiger en op een grotere schaal. Het is een mooi landschap maar niet spectaculair. Saai eigenlijk. Drie dagen reed ik door Idaho en daarvan is niets in mijn geheugen blijven hangen, op de Craters of the Moon na – lavavelden en sinterkegels – en de leegte, de akkers naar de horizon, de rand van de Rocky Mountains met besneeuwde toppen. Ik bleef een dag in Yellowstone Park om de geisers en vooral de bizons te zien. Niet langer want ik heb haast; de winter komt er aan. In het noorden van Montana woedt de eerste blizard, er ligt sneeuw in het park en sommige wegen zijn al afgesloten. De parkranger komt naast me rijden: “Waar ga je naar toe?” “Heading east!” Hij wijst naar de lucht: “Het sneeuwt binnen een uur en dan moet je de pas over zijn.” Het valt mee; het is wel bijtend koud maar het sneeuwt niet en na de pas gaat de weg langs een lange helling omlaag de Rocky Mountains uit. In mijn spiegeltje zie ik de Rockies koublauw en voor me de besneeuwde toppen van de Bighorns met daarboven een dreigend grijze lucht. De Powder River Pass is drieduizend meter hoog; het is verschrikkelijk koud en het sneeuwt nu wel. Aan de andere kant ligt Buffalo en daar houd ik het voor gezien. Ik dans van de pijn van bevroren vingers. De volgende dag regent het, er hangt een loodgrijze lucht boven de prairie en het is nog steeds koud. Na driehonderd kilometer geef ik het op, te nat en te koud, en zoek een onderkomen in Deadwood, aan de voet van de Black Hills. Dat is een gelukkig besluit: ik vind er het Penny Motel met de beste kamer die ik op mijn reis door de Verenigde Staten heb gehad tegen bijna de laagste prijs.

Rocky Mountains.

De rand van de Rocky Mountains, op weg naar Yellowstone Park.

Na twee dagen is het weer aardig opgeknapt. Het front dat voor de regen verantwoordelijk is schuift langzaam naar het oosten. Te langzaam: ik haal het in. ’s Morgens is het aangenaam zonnig, tegen het middaguur verschijnen de wolken van het front aan de oostelijke horizon en tegen vieren is de hemel grijs en regent het. Dat gaat drie dagen zo door totdat het front alle kracht heeft verloren en uitdooft. Goed weer is belangrijk want het land is vreselijk saai. Het westelijk deel van Nebraska is een eindeloze lege prairie. Ik volg State Highway 2, vierhonderd kilometer kaarsrechte weg. Ik krijg zadelpijn en slapende benen omdat ik niet hoef te bewegen om de motor te sturen. Vierhonderd kilometer voortgolvende prairie als een zee, zonder merkteken of onderbreking. Halfwilde paarden komen een kijkje nemen als ik langs de weg pauzeer en hollen ook een eindje mee zoals dolfijnen wel een schip vergezellen. De weg trekt op met een spoorlijn waarover een volgeladen kolentrein naar het oosten rijdt. Ergens ver weg achter de horizon is leven, waar mensen kolen verstoken om gelukkig te worden. Ik passeer een enkel dorpje waar geen mens te bekennen is. Ellsworth, Hyannis, Whitman, Mullen klampen zich vast aan de highway als aan een reddingslijn. Hoe moet het zijn hier te leven? In Mullen vind ik een motel. Het loket is een glazen ruit, afgesloten door luxaflex. Pas na herhaald bellen gaat de luxaflex omhoog. Achter de ruit verschijnt een dik gezicht met rode vlekken: “Eighteen dollar.” Hij schuift een handdoek, zeep en de afstandsbediening voor de televisie door het luikje onder het loket. Dan gaat de luxaflex weer omlaag. Ik bel nog eens. De luxaflex gaat omhoog. “Waar kan ik ergens eten?” “Down the road.” De luxaflex floept weer omlaag. In het cafetaria zijn een paar tafeltjes bezet door mannen en vrouwen met verweerde gezichten. Als ik binnenkom draait het gezelschap naar de deur en ook onmiddellijk weer terug. De serveerster neemt zwijgend de bestelling op, hamburger met frieten en een flesje bier, en brengt het bestelde met dezelfde zwijgzaamheid. Ik vraag om een krant. Ze brengt de Lincoln Weekly. Een dagkrant is er niet. De rest van de avond breng ik in mijn motelkamer door voor de televisie. Die afstandsbediening is nergens voor nodig want er zijn maar twee zenders, lokale stations. Op de ene preekt een dominee. Het christendom wordt bedreigt vanuit Washington en onze jongens zitten in Irak om het christendom te verdedigen. Op de andere zender wordt een vrouw geïnterviewd over haar verkondiging van het geloof in Pakistan. Ze organiseert daar “crusades” en beweert al honderden moslims te hebben bekeerd. Aan het einde van het interview kijkt ze popperig in de camera en vraagt om geld “for my fifth crusade”. Zo is Mullen: van de wereld afgekeerd of misschien ligt de wereld ook te ver weg. Ik vertrek ’s morgens extra vroeg want ik wil weg uit dit deprimerende land. In mijn spiegeltje zie ik dat in de luxaflex van het loket een kijkspleet wordt getrokken die na luttele seconden weer dichtvalt. Het oostelijk deel van Nebraska is akkerland. De overgang is abrupt; de natuur doet niet aan geleidelijkheid: het is of het is niet. De laatste maïs wordt geoogst, de meeste akkers zijn kaal en klaargemaakt voor de winter. Met regen hier te rijden moet verschrikkelijk zijn. In twee dagen rijd ik door Iowa en Illinois, dagen waarover absoluut niets te vertellen is en me daarom bij zullen blijven. Ik had me niet voorgesteld dat mijn reis rond de wereld zo’n deprimerend einde zou hebben.

Nebraska, langs weg 250.

Het westen van Nebraska, honderden kilometers voortgolvende prairie als een zee, zonder merktekens of onderbreking.

Gelukkig zijn de laatste kilometers de beste want Chicago naderen is indrukwekkend: een muur van wolkenkrabbers; lichtbeige, bruinrood, grijs, zwart. Allemaal eenvoudige vormen en toch heeft elke wolkenkrabber zijn eigen silhouet, is afzonderlijk te identificeren en tegelijkertijd onderdeel van die muur. Die skyline is de mooiste die ik ooit heb gezien. Overigens is het uitzicht bij het Adler Planetarium vanaf de pier in Lake Michigan nog indrukwekkender. Vandaar is het hele waterfront met al die wolkenkrabbers te overzien. Bijna elke dag loop ik in de namiddag naar die plek omdat ik van dat uitzicht niet genoeg kan krijgen. Is er een mooiere plek denkbaar dan Chigaco om een reis rond de wereld te beëindigen?

Het waterfront van Chicago.

Het waterfront van Chicago.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Verenigde Staten en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s