Een hoofdstuk voor Michael

Portland is een echte stad. Ik bedoel: een stad met winkels, restaurants, cafés en terrassen en veel mensen op straat. Als San Francisco maar dan kleiner. Portland heeft een oude kern met middelhoge gebouwen in die typisch Amerikaanse stijl uit de eerste helft van de twintigste eeuw: baksteen, veel ramen, eenvoudige gevelornamentiek en een zigzag-brandladder langs de gevel. Ik vind het mooi. Een oude kern maar het beeld van Portland wordt bepaald door de hoge kantoorkolossen in het nieuwe centrum. Kantoorkolossen van marmer, glas en staal in die bouwstijl van overal, die niets eigens heeft en een krachtpatserig soort succes uitstraalt. Misschien geeft de stijl die ik zojuist ‘typisch Amerikaans’ noemde wel dezelfde boodschap maar is er een patina over gekomen – het is te lang geleden – waardoor de associatie tussen stijl en boodschap niet meer wordt gevoeld, de stijl op zichzelf is komen te staan en ‘mooi’ kan worden gevonden zonder bijsmaak. Ik wil maar zeggen: er is hoop voor die kolossen van marmer, glas en staal. Portland is heel welvarend want de stad is de thuisbasis van Intel, Nike en andere heel hippe bedrijven die hun omzet uitdrukken in getallen van minstens negen cijfers voor de komma. Het gaat goed met Portland. Het gaat zó goed dat Portland een probleem heeft, meldt de Oregon Chronicle: files. Alles is inmiddels ingezet om de bestaande infrastructuur te benutten: verkeersgeleidingssystemen, camera’s; you name it, it’s there. Iemand met pech wordt binnen vijf minuten weggesleept; de takelwagens staan te wachten in nissen langs de weg als gieren op prooi en worden gewaarschuwd door die camera’s. Nog meer bruggen, rijbanen, wegen: is dat de oplossing? Als de economische groei nog even doorzet, stelt de krant zorgelijk vast, ligt een verkeersinfarct om de hoek.

Portland heeft nóg een probleem dat heel zichtbaar is maar waarover ik in de Oregon Chronicle niets lees: daklozen. Daarvan zijn er massa’s: nog-niet-zo-heel-lang verslaafden die zelf vinden dat ze het fántástisch doen, al-heel-lang verslaafden die niets meer vinden, mensen die het niet hebben gered als gevolg van het noodlot, gebrek aan talenten, aan pit of een combinatie daarvan, oude mannen die … weet ik veel, zwerfjongeren, jongeren die zijn gestrand op zoek naar een baantje. Ze slapen in de portieken in het oude centrum (merkwaardigerwijze niet in de riante portalen van de kantoorkolossen), onder de bruggen, in tenten op een stukje niemandsland tussen de snelwegen, in logementen waaruit de lucht naar buiten komt van teveel mensen met teveel problemen. Ze sjouwen met hun bezittingen in plastic zakken, duwen winkelwagentjes met hun hebben en houden voort, zitten in groepjes onder de bruggen of eenzaam op een bankje in het park, zoeken vuilnisbakken na, staan in de rij voor de bedeling door de charitatieve instellingen. Het is als overal maar hier in Portland zijn het er veel en het is hartverscheurend tegen de achtergrond van die kantoorkolossen met hun uitstraling van krachtpatserig succes. En de winter komt er aan.

“Nee hoor” zegt Michael “de stad zorgt goed voor de armen en daklozen.” Ik ontmoet Michael in de Dirty Duck, een gaybar van het soort dat de Lonely Planet heel sympathiek een ‘blue collar’ bar noemt. Een bar voor mensen die niets te zoeken hebben in Scandals met vaste vloerbedekking, eigentijdse meubelen en beeldschone jongens die cocktails rondbrengen of in Hobo’s, een bar voor de op de herenliefde ingestelde cultureel verfijnde mens. Ik heb niets te zoeken in Scandals; ik houd wel van beeldschone jongens maar niet van cocktails en heb niet de juiste kleren voor zo’n gelegenheid. En ook niet in Hobo’s want voor mij is de herenliefde eerder broeierig dan verfijnd. Ik voel me thuis in de Dirty Duck. Het is een uitgewoond hok met homo-randfiguren, het bier kost er twee dollar vijfentwintig en er is ook niks anders te krijgen en ik raak er gemakkelijk aan de praat. Met de barman: “Ik werk hier nu achttien jaar. Elk jaar draaien we twee maanden quitte, voor de rest moet er geld bij. De eigenaresse betaalt omdat ze vindt dat er ook voor ons een plaats moet zijn.” Haar getekend portret hangt hoog aan de wand. “Jongen, reis jij de wereld rond? Dat zou ik ook graag willen. Ik zou naar Europa willen, naar Ierland want ik ben van Ierse afkomst of naar de Mediterranée voor de antieke beschavingen maar ik ben tweeënzestig en heb niet eens een fiets.” Aan het eind van de bar, ineengedoken, zit Michael. Hij heeft een zwarte cowboyhoed op het hoofd en een grauw T-shirt, leren hesje en een joggingbroek in camouflagekleuren om het lijf. Hij is broodmager en die broek is veel te wijd en hij heeft hem strak om zijn enkels gebonden zodat het een clownsbroek lijkt. Ik breek het ijs met een grapje: “Weet je waarom Texanen zulke grote riemgespen dragen? Om te verbergen dat ze maar zó’n klein lulletje hebben.” Michael proest in zijn bier en komt niet meer bij. Ik verleng zijn lijden nog door te zeggen waar hij op moet letten als hij president Bush op de televisie ziet. Michael is tweeënveertig en heeft kromme vingers van de artritis. “Nee hoor” zegt Michael “Portland zorgt goed voor de armen en de daklozen. De stad is een voorbeeld voor andere Amerikaanse steden. Die geven hun daklozen een treinkaartje voor een enkele reis naar Portland. Zo komen ze er goedkoop van af. Ik kom zelf uit San Francisco, ook met zo’n kaartje. Hier heb ik een uitkering, een kamer en ik krijg medicijnen voor mijn handen.” Ik wil zien hoe hij woont. Michael: “Nee, ik neem je niet mee; ik ben impotent.” Het blijft natuurlijk een gaybar. Hij is niet overtuigd van mijn bedoelingen en wil ook liever naar de Hound-en-nog-wat maar ik haal hem over door te beloven met hem naar die Hound te gaan en het bier te betalen. We lopen naar zijn huis. Hij kent de weg maar op één manier: “Dit is Fourth Street. Dan moeten we de volgende hebben. Deze ken ik niet.” Hij mompelt: “Stel je er niet teveel van voor.” Hij huist in een oud gebouw van drie verdiepingen. Een stalen deur, geen bel, geen naamkaartjes, geen brievenbus. Achter de deur zijn brede gangen; linoleum met laminaatmotief op de vloer, helderwit gesausde wanden en heel veel kamerdeuren. Kaal maar netjes. Michael woont op de derde verdieping. Hij opent de deur en laat me binnen. Dit is zijn domein. “Het is niet veel” zegt ie. Een kamer van ongeveer vier bij vier, blauwe hugaveltachtige vloerbedekking met vlekken, een nis met wat boeken, een plank om op te zitten, een oude matras. Er is geen keuken, geen douche, geen toilet. Die zijn op de gang en deelt hij met de andere bewoners van de verdieping. “De keuken gebruik ik nooit.” Hij piest in een grote colafles. De kamer kost honderd dollar en dat wordt van zijn uitkering ingehouden. Verwarming is bij de huur inbegrepen. Het is smoorheet in de kamer. Michael zet een raam open. Hij prutst aan een gettoblaster van miniformaat tot er muziek uitkomt. “Ik houd van muziek.” In de kamer staan vuilniszakken met platgedrukte blikjes. En verder: lange rijen flessen goedkope limonade en heel veel lege drankflessen. “Ik ben een zware drinker, geen alcoholist. Een alcoholist is iemand die drank nodig heeft als hij wakker wordt. Dat heb ik niet.” Een beetje gebogen, kromme vingers, broodmager; hij staart naar de grond en mompelt: “Het is niet veel, hé?”

 

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Verenigde Staten en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s