Leepoog en Litteken

Op de website van HorizonsUnlimited las ik een lovend bericht over de dienstverlening van Tampa Airlines. In 2004 hebben ze voor zeshonderdvijftig dollar een motor getransporteerd van Caracas naar Miami en ze waren heel behulpzaam bij het afhandelen van de douaneformaliteiten. Tampa Airlines is gauw gevonden, op het bedrijventerrein van het vliegveld achter de loods van Aeropostal, “die deur, tweede verdieping.” Dat transport herinneren ze zich maar de vrachtvluchten naar Miami zijn voor onbepaalde tijd gestaakt vanwege “problemen” in de Verenigde Staten. Ze raden me aan het eens bij Vensecar te proberen. Vensecar is moeilijker te vinden: helemaal achteraan, achter de loodsgebouwen van PG. Als ik het loodsterrein oprijd zuigen zich onmiddellijk twee kerels aan me vast. Ik weet wie dat zijn: dat zijn douaneagenten, smeermannetjes die het doolhof van de douaneburelen kennen. De een heeft een groot litteken in het gezicht, de ander een leep oog. Ach, captain Haber in Nuweiba, Egypte, zag er ook sluw uit en aan zijn hulp bewaar ik goede herinneringen. Ik laat me meetronen naar het bureau van Air Freight International. Ik weet ook wat dat is: dat is een vrachtmakelaar, zoals Air Sea Express in Tokio. Aan de wand hangen certificaten van Lufthansa en KLM. Ik maak kennis met Tony; hij gaat me helpen. Op basis van een geschat gewicht van de motor wordt een voorlopige prijsopgave gemaakt: negenhonderdvijfentwintig dollar. Dat is duur, bijna driehonderd dollar meer dan mijn collega-motorreiziger in 2004 bij Tampa Airlines betaalde. Een vrachtmakelaar is een tussenpersoon die ook geld kost. Ik heb een alternatief: ik kan naar Cartagena in Colombia rijden, vandaar per zeilschip naar Panama en dan door heel Midden Amerika en Mexico naar de Verenigde Staten worstelen. Die zeiltocht duurt vijf dagen en kost ongeveer tweehonderdvijftig dollar. Het is een alternatief maar geen aanlokkelijk: die route kost zeker zes weken. Ik moet daarvoor in Caracas nieuwe banden kopen en een wegenkaart van Midden Amerika. Ik moet me verdiepen in de douane- en verzekeringsregels, een zeilschip charteren en bidden dat er behalve mijn motor niet ook drugs vervoerd worden. Voor die driehonderd dollar wil ik die worsteling niet aan. In mijn gedachten stel ik de limiet bij duizend dollar. “En wat kosten jullie?” vraag ik Leepoog en Litteken. “Honderd dollar ieder.” Daar begin ik niet aan. Na wat onderhandelen komen we uit op honderd dollar voor beiden samen, de helft. Ik kom nu iets boven mijn limiet, en aan limieten moet je je houden, maar ik ga het aanbod van Tony verder onderzoeken.

Leepoog en Litteken brengen me naar de loods van PG om de motor te laten wegen. Natuurlijk haal ik de benzine uit de tank, want dat zijn ook kilogrammen, en de motor wordt met staalbanden op een palet vastgesjord want dat is verplicht, zeggen de smeermannetjes. Zo word ik langzaam in een onomkeerbaar proces gezogen. Het gewicht is tweehonderdvijfenvijftig kilogram en dat is maar vijf kilo meer dan ik had geschat. Dan wordt het volume opgemeten. Bij mij gaat een alarmlichtje branden want ik weet: vrachtkilogrammen zijn geen zwaartekrachtkilogrammen maar de uitkomst van een formule van zwaartekrachtkilogrammen maal volume. Het transport van een ton veren is duurder dan het transport van een ton lood. Het transport van de motor gaat meer kosten dan negenhonderdvijfentwintig dollar, dat staat vast. Alle meetgegevens worden vastgelegd in een officieel document hoewel ik liever een kladpapiertje had gehad. Ik ben weer een stapje verder het proces ingezogen. Aan de hand van de gegevens berekent Tony de nieuwe prijs: zestienhonderdvijftig dollar. Dat is bijna het dubbele van de eerste opgave en voor mij niet acceptabel. Tony is niet voor één gat te vangen. Hij gaat bellen en bellen en bellen, weet een gunstiger vrachttarief te bedingen en de prijs zakt naar dertienhonderd dollar. Dat is nog te veel maar ik weet ook een manier om de vrachtkosten te drukken: het volume kan beduidend omlaag door de spiegeltjes en het windscherm te verwijderen. Nu wreekt zich dat er een officieel document is opgemaakt. De rest van de middag rennen Tony en ik langs loketten om dat document te laten wijzigen. Aan het eind van de middag hebben we de nieuwe gegevens voor de prijsberekening en die komt uit op duizendvierentachtig dollar. Dat is vierentachtig dollar boven mijn limiet maar voor die kleine overschrijding wil ik niet door heel Midden Amerika worstelen. Oh ja, en natuurlijk nog de honderd dollar voor Leepoog en Litteken. En, oh ja, er moet ook nog belasting worden betaald, zesennegentig dollar. Zo komt de rekening toch erg dicht in de buurt van de dertienhonderd dollar. Ik ga zuchtend akkoord. Ik, die altijd tegen anderen zeg: “aan een limiet moet je je houden.”

Wie denkt dat het daarbij blijft, kent die wereld niet. “Geef even twintigduizend voor de formulieren” vraagt Leepoog op de valreep. Twintigduizend bolivar is tien dollar. Ik geef Leepoog de twintig ruggen. Tony brengt me naar de taxistandplaats en bedingt de prijs: zesduizend bolivar. Nu weet ik wat de taxi kost. Dat is belangrijk want de volgende dag moet ik weer met de taxi naar Air Freight International op het vliegveld. “Twintigduizend” zegt de chauffeur die volgende dag. “Geen sprake van. Hier heb je zevenduizend.” De taxichauffeur gaat onmiddellijk akkoord. Een nieuwe dag, een nieuwe ronde: de douanebureaucratie. “Geef even vijftigduizend voor de formulieren” vraagt Leepoog bij het eerste loket. “Geef even vijfendertigduizend” vraagt Litteken bij het volgende. Ik geef hem vijftigduizend en hij steekt het wisselgeld in zijn zak. Dat ergert me. Als Leepoog komt met “Geef nog even vijftigduizend voor formulieren” barst de bom. “Basta! Geen cent meer! Het is afgelopen!” Ik ga naar Tony: “Dit gaat zo niet. Ik zie af van het transport. Ik ga wel naar Cartagena.” Tony en de rekels hebben een woordenwisseling die ik op hoofdlijnen kan volgen. Tony: “Zo doe je geen zaken: geef even twintigduizend, geef even vijftigduizend – hij maakt een gebaar alsof hij iets uit zijn zak haalt – hoe denk je dat señor zich voelt?” Tony heeft in de gaten dat het bij señor niet goed voelt, om het maar zachtjes uit te drukken. Tony en de rekels gaan in onderhandeling en komen met een bod: ik betaal de rekels veertig dollar in plaats van de afgesproken honderd en over wat er is gebeurd praten we niet meer. Lang hebben de onderhandelingen niet geduurd waaruit ik opmaak dat de winst voor de rekels nog steeds heel aantrekkelijk is. Er ligt nog een vuiltje: de verpakker. Het klaar maken van de motor voor transport mag ik niet zelf doen want dan neem je werk af. Zo heeft de verpakker een monopolie en kan vragen wat hij wil: honderdduizend bolivar, vijftig dollar, om een paar meter plasticfolie rond mijn motor te wikkelen en dat vind ik teveel. Ook daar komen we uit: ik betaal de verpakker zestigduizend en de rekels betalen de resterende veertigduizend. Later ontstaat daarover weer commotie want de rekels proberen de verpakker met mijn zestigduizend af te schepen. Die neemt dat niet en weigert werk. Tony moet daarover weer onderhandelen en komt er met de verpakker uit op tachtigduizend. De rekels betalen dus twintigduizend in plaats van de afgesproken veertigduizend. Eigenlijk zou ik nu tienduizend van mijn betaalde zestigduizend moeten terugvragen maar dat gevecht doe ik Tony niet aan. Het is mooi geweest. We hebben het eind van de burelenrit bereikt. Kosten: duizendvierentachtig dollar voor het transport van de motor plus zesennegentig dollar belasting plus honderdvijftig dollar duistere kosten plus veertig dollar voor de rekels; alles te samen dertienhonderdvijftig dollar. Hoe denk je dat señor zich voelt?

Wie denkt dat het daarbij blijft, kent die wereld niet. De volgende ronde is de douanecontrole. De controlegroep bestaat uit vier agenten en dat is veel te weinig voor alle goederen die in de loods van PG staan te wachten. De onderbezetting heeft een onverwacht effect: geen van de agenten steekt nog een vinger uit en laten alles uitpakken door de loodswerkers en veel haast hebben ze niet. Het is een verbijsterend tafereel. Voor mijn motor staat een grote kist van ene Geoffry Jones met bestemming Houston. De kist, die Geoffry waarschijnlijk een lieve duit heeft gekost, wordt ruw opengebroken. In de kist zitten kartonnen dozen. Het betreft duidelijk een verhuizing en meneer en mevrouw Jones hebben alles zorgzaam ingepakt. Het is goed dat meneer en mevrouw Jones bij dit gebeuren niet aanwezig zijn want ze zouden een toeval krijgen. Dozen worden ruw opengescheurd. De douanebende haalt de mantelpakjes en de schoenen van mevrouw te voorschijn en de kostuums van meneer en alles wordt bekeken en betast. Een agent veegt zijn bezweet gelaat af aan het jasje van mevrouw Jones. Daarna wordt alles weer in de doos gesmeten. Zo gaat het ook met de dozen huisraad. Er sneuvelt een tafelklok. De brokken worden in de doos gesmeten en daardoor sneuvelen ook nog wat borden. De leider van de bende is een grote neger met evenveel kont als buik. Hij doet me aan Idi Amin denken, de voormalige dictator van Oeganda. Hij stuurt een ondergeschikte op me af: alle koffers van de motor, alle beplating van de motor en de inhoud van de koffers op de vloer uitspreiden. Dan komt Idi Amin zelf. Hij klopt eens tegen de uitlaat: “starten!” Dat kan niet want ik heb volgens voorschrift de accu losgemaakt. “Dan maak je de draden maar weer vast.” Na een tijdje komt hij terug, luistert naar de ronkende motor, voelt aan de uitlaat. En dan: “Tank lichten en achterwiel openmaken.” Het wordt me zwart voor de ogen: het lichten van de tank en het uitnemen van het achterwiel is een verschrikkelijk karwei en zonder hulpmiddelen kan ik de band niet van het wiel halen. Voor één keer heb ik wat aan de rekels. Ze wachten tot Idi Amin weg is en smoezen dan wat met zijn ondergeschikte. De tank hoeft niet te worden gelicht en het achterwiel niet opengemaakt. De agent kijkt alleen even in mijn medicijnendoos en tekent de douaneverklaring. De verpakker doet zijn werk en daarna wordt de motor naar het afgesloten deel van de loods gebracht. Klaar, na twee dagen rondrennen, klaar in dit gekkenhuis.

Tony moet de gevaarlijke goederen verklaring nog opmaken en vraagt me de volgende dag terug te komen “voor de laatste zaken”. Ik ben terug gegaan met de taxi. De chauffeur vraagt tien mille. Ik zeg “zeven” en stap in want hij zwijgt en wie zwijgt stemt toe. Ik ben benieuwd wat die laatste zaken zijn. Wat hangt me vandaag boven het hoofd? Het valt reuze mee. Tony heeft alle gegevens nog eens nagetrokken en aangevuld en daarvoor moest ik terugkomen. Op een papiertje schrijft hij het adres van Lufthansa Cargo in Miami waar ik mijn motor weer kan ophalen. “En, Tony, waar is mijn motor nu?” Hij kijkt uit het raam en wenkt me: op het platform staat een vliegtuig van DHL en het palet met mijn motor staat er bij. Ik blijf kijken tot de motor met de lift omhoog wordt gebracht en in de buik van het vliegtuig verdwijnt. Achter me zegt Tony zachtjes: “Het werk is hier niet eenvoudig.”

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s