Bachianas Brasileiras

Beneden klinken de Bachianas Brasileiras, gedempt door de afstand en de muren. Ik herken de lyrisch muzikale verbeelding van een treinreis; de locomotief die feestelijk op stoom komt en triomfantelijk het parcours aflegt om uiteindelijk melancholiek te sterven. Ik lig in bed met koorts. De bazin van het hostel denkt dat het malaria is en wil met alle geweld een dokter laten komen. Ik weet zeker dat ik geen malaria heb maar overvallen ben door uitputting. Ik dein mee op de treinreis en deel de melancholie want het is gedaan, ik heb heel Brazilië gedaan.

Het reizen door Brazilië was zwaar. Misschien niet zo zwaar als door Siberië maar toch: zwaar. Brazilië is afschuwelijk groot. Ik heb in Brazilië bijna twaalfduizend kilometer afgelegd, van zuid naar noord, zonder de bootreis van Belem naar Manaus mee te rekenen. Op Brazilië heb ik een stel banden versleten. Brazilië is afgrijselijk groot en de wegen zijn vreselijk slecht. Wegtrajecten van meer dan honderd kilometer die één groot kuilenveld zijn. Daar zwoeg ik doorheen, in de eerste versnelling van kuil naar kuil, onder de hete zon en in het stof dat door de vrachtauto’s wordt opgeworpen. Zelfs de wegen die in mijn Quatro atlas níet zijn aangemerkt als ‘in slechte staat’ zitten vol moordend diepe kuilen. Kuilen, drempels en modder hebben motor en berijder soms tot de grens gebracht van wat te dragen was. Meer dan eens heb ik me vertwijfeld afgevraagd hoe ik ooit door dit enorme land heen moest komen. Meer dan eens heb ik spijt gehad niet de Andesroute naar het noorden te hebben gekozen. Had ik die route gekozen, dan was ik nu al lang in de Verenigde Staten. Hoofdpijn kreeg ik van het turen op de weg naar kuilen, afschuivingen en drempels. Horendol werd ik van de kuilenvelden.

Ik reis alleen en dan is praten belangrijk. Wie niet praat wordt gek, in ieder geval erg eenzaam. Ik heb me in Brazilië soms eenzaam gevoeld. Op heel die lange reis door Brazilië ben ik niet één collega motorreiziger tegen gekomen en het contact met de Brazilianen wilde lange tijd niet vlotten. De taalbarrière is groot maar niet het belangrijkste obstakel voor contact. Dat is de houding van de Braziliaan tegenover de vreemdeling. Wat houding betreft onderscheid ik drie soorten volkeren. Er is het volk dat uitnodigt: “Kom hier, kom er bij zitten.” Arabieren en Russen doen dat. Russen doen dat omdat Rusland het middelpunt van de wereld is en Russen het leuk vinden als een vreemdeling dat ook ontdekt. Arabieren doen het omdat zorg voor de vreemdeling in de cultuur is ingebakken en omdat ze iets van je willen weten. Arabieren zijn verhalenmensen: “Is het waar dat in jouw land …? Is dat echt waar?” en zo is weer een nieuw verhaal geboren voor in de groepstaxi. Er is het volk dat afwijst, de vreemdeling buitensluit. Aziaten doen dat. In Centraal Azië had ik vrijwel alleen contact met Russen. Vanwege het botte buitensluiten heb ik een hekel gekregen aan de Mongoliërs. Japanners zijn ook Aziaten, met dezelfde houding, maar weten de afwijzing beter te verpakken. Brazilianen staan tussen die twee soorten volkeren in: ze wijzen niet af en nodigen niet uit. In Brazilië moet je zelf het initiatief tot contact nemen. Ik ben gewend gegroet te worden door de vrachtwagenchauffeurs. Een opgestoken hand, een lichtsignaal. Braziliaanse vrachtwagenchauffeurs groeten terug. Door die chauffeurs heb ik het ontdekt maar het heeft lang geduurd en ik ben van nature een heel erge kat-uit-de-boom-kijker. Toen ik het eenmaal doorhad, toen ging de Braziliaanse wereld open.

Zorg om mijn veiligheid was een zware last. Onveilig voelen is heel akelig en het belemmert het contact; wie zich onveilig voelt zoekt anderen niet op en mijdt argwanend de toenadering van anderen. Nooit eerder heb ik me onveilig gevoeld; niet in Nederland, niet in Turkije, niet in het Midden Oosten, Centraal Azië, Rusland, Chili of Argentinië en helemaal niet in Japan, het veiligste land ter wereld. Wel in Brazilië. Dat is eigenlijk gek want er is mij niets overkomen. Niemand heeft een vinger naar me uitgestoken, een haar gekrenkt, iets van me gestolen of vernield. Toch is het niet zo gek want onveilig voelen komt vooral uit eerste indrukken. Van Rusland had ik een beeld in mijn hoofd: een ingestorte staat, een ingestorte economie en maffiabenden. Maar de behandeling aan de grens was efficiënt en ook correct, de telefoonpalen stonden er rechter dan in Kazachstan en boven Novosibirsk en Krasnojarsk hing smog en dat is een teken van een levende economie. Het viel honderd procent mee. Van Brazilië had ik geen bepaald beeld – zoiets als Argentinië maar dan warmer – en toen kwam ik in Porto Alegre: heel veel donkere mensen tegen een donkere achtergrond, daar gaat iets dreigends van uit. En daarna de verhalen: de toerist die eerst gerold en vervolgens neergestoken werd op het strand van Copacabana, het drama van de backpackers in de jeugdherberg van Foz do Iguaçu die beroofd waren bij de bushalte en alles kwijtraakten. Ik liet me meeslepen door die eerste indrukken en verloor de controle. Ik had moeten vasthouden aan mijn reisregels: “vijfennegentig procent van de mensen is oké, vier procent is hebberig, plakkerig of anderszins vervelend en maar één procent is gevaarlijk” en “zolang vrouwen bloemen verkopen op straat en kinderen broodjes is die straat niet bijzonder gevaarlijk.” Ik hervond de controle maar zo’n gevoel van onveiligheid heeft een lange staart en ik ben alleen en moet op mijn tellen passen. Is er in Brazilië helemaal niks aan de hand? Jawel, die verhalen zíjn waar, de waarschuwingen in mijn Guia Quatro staan er niet voor niks, op vrachtauto’s staat de nauw verholen waarschuwing “Dit voertuig wordt per satelliet gevolgd” en de bus van Sāo Luis naar Belem ís overvallen. Brazilië is waarschijnlijk onveiliger dan andere landen die ik bezocht maar niet heel veel onveiliger. Ach, het is altijd wat. Tijdens mijn vorige reis zat ik een week op de vluchtheuvel van Sharm el Sheikh vanwege de nachtmerrieverhalen van een Canadees echtpaar over Egypte. En nu, nog maar net in Venezuela, ontmoet ik een Zwitsers stel dat in Caracas eerst is afgeperst door de politie en vervolgens beroofd door andere criminelen. Er is altijd wat. Ik ben blij dat ik koos voor de Braziliëroute en me door dit gigantische land heb geworsteld. Wat met moeite veroverd wordt is waardevol. Ik ben van Brazilië gaan houden zoals ik houd van de Arabische landen en van Rusland.

Wie wil weten hoe het er met de cultuur van een land voor staat, althans wat zij die het voor het zeggen hebben van die cultuur belangrijk vinden, moet naar een museum. In Sāo Paulo bezocht ik het MASP, het Museu de Arte de Sāo Paulo. Een museum dat mee wil tellen heeft haar naam verwerkt tot een acroniem. Ik verwachtte er het puikje van de Braziliaanse kunst aan te treffen. Dat valt tegen, geen Braziliaanse kunst maar een doorsnede van de Europese kunst. En wat voor doorsnede… Het lijkt of de hele collectie gekocht is op een kunstbeurs met de boodschap “doe van alles wat.” Alsof ze Gombrich hebben laten winkelen. De collectie is heel ordelijk ingedeeld in de Spaanse school, de Franse school, de Engelse school, de Duitse school en natuurlijk ook de Hollandse school. Elke afdeling is opgezet volgens hetzelfde stramien: een paar werken van topkunstenaars en de rest van het tweede plan. In de kelder zijn de impressionisten en expressionisten ondergebracht: Renoir, Degas, Toulouse L’Autrec, Monet, van Gogh, Gaugin. Die hele collectie moet een lieve duit hebben gekost – Brazilië kan het breed laten hangen als het dat wil – maar zegt niets over de Braziliaanse kunst. Dus op naar het MAM, het Museu de Arte Moderna. En daar hangen ze, de grote Brazilianen: Panicetti, de Cavalcanti, Portinari, Manabe Mabe. Stillevens, landschappen, stadsgezichten en een enkel abstract werk. Allemaal netjes meegedeind met de Europese kunstontwikkeling. Allemaal establishment kunst. In Rio de Janeiro is ook een MAM want wat Sāo Paulo heeft, heeft Rio ook. Zo gaat dat met rivaliserende steden. Er is een tentoonstelling van moderne Braziliaanse kunst: ofwel vreselijk braaf werk ofwel afschuwelijk experimenteel. Die musea, MASP en MAM’en, hadden in elk westers land kunnen staan. Dat is ook de boodschap van hen die het voor het zeggen hebben: Brazilië is een modern westers land. Dankzij de machtigen is er overigens ook Brasilia: de meest fantastische tentoonstelling in de wereld van elegante en gedurfde architectuur.

Corpos Pintados, Museu de Arte Moderna, Sao Paulo.

Sao Paulo, Museu de Arte Moderna; tentoonstelling Corpos Pintados. De kunst van hen die het voor het zeggen hebben.

Naast de officiële cultuur, de cultuur van de macht, is er ook een andere cultuur die ik bij stukjes en beetjes ontdek. De kunstenaars die ik bezocht in de favela Rocinha en het schilderijtje dat ik kocht: onhandig geschilderd maar in vrolijke felle kleuren; veel spannender dan het academiewerk van Panicetti, Cavalcanti, Portinari. In Belo Horizonte keek ik binnen in een lokaal waar jongens langzame, uiterst gestileerde bewegingen oefenen. Het zijn de bewegingen van de capoeira, de Braziliaanse vechtdans. In Sāo Luis viel ik in de aanloop van het Bumba Meu Boi festival, het festival van de Verrijzenis van de Stier. Avond aan avond treden dansgroepen op in glitter cowboypakken of verentooi. En zo ontdek ik die andere cultuur: de Afrobraziliaanse cultuur. De cultuur van de zwarte slaven, van tromgeroffel in de nacht, van houten kleppers en urenlange reidansen, de cultuur van het geestenrijk. Brazilië is Afrika. Een westerse cultuur en een Afrikaanse cultuur en dunne verbindingslijntjes daartussen. Die zwevende gebouwen van Niemeyer met die heel fragiele open structuur: de huisjes op palen langs de Amazone. Omgekeerd hebben de zwarte Brazilianen de parafernalia van de dominante westerse cultuur geleend, omgevormd en passend gemaakt voor de eigen cultuur. Glitter cowboypakken, goudkleurige brandweerhelmen, kronen van het ergste kunstbont en ingepakt in iriserend cellofaan en daaraan weer lange repen crêpepapier horen bij Bumba Meu Boi. Brazilië is trots op haar afrocultuur. Meer dan één Braziliaan heeft tegen me gezegd: “Ik ben wel blank maar zwart van binnen.” Tegelijkertijd is het de cultuur waarover Brazilië schichtig doet want Brazilië wil doorgaan voor een modern ontwikkeld land en daarin past geen Bumba Meu Boi, geen Verrijzenis van de Stier. De Afrobraziliaanse cultuur is voor intern gebruik. En voor de toeristen natuurlijk.

Mumba Meu Boi.

Mumba Meu Boi (1)

Mumba Meu Boi.

Mumba Meu Boi (2)

Brazilië wil graag doorgaan voor een modern ontwikkeld land, op gelijke voet met de grote westerse landen, een land dat meetelt. Er is veel te zeggen voor die claim. Brazilië heeft de Itaipu stuwdam gebouwd, heeft kerncentrales en heeft een eigen satelliet gelanceerd. Brazilië heeft de middelen, de kennis en de wil om zulke prestaties tot stand te brengen. Brazilië heeft ook een ander gezicht: de ongelijk verdeelde welvaart met een kleine groep superrijken en miljoenen die leven van de straathandel, de motortaxi, het werkplaatsje, het lapje land en miljoenen die leven van helemaal niets. Die rijken kom ik nooit tegen want die zitten in hun ommuurde villa’s en hun spiegelende kantoorgebouwen. De echt armen eigenlijk ook niet. Ik kom niet in favela’s. Ik eet daar niet, ik overnacht daar niet, ik tank daar niet. Luis van ‘be a local’ liet me Rocinha zien maar dat is een geürbaniseerde favela. Bij Broeder Zon zag ik de kinderen die uit de misère zijn gehaald, niet de misère zelf. Ik vang glimpen op van de misère. Onder een brug in Rio de Janeiro: een deken die een kinderlichaam bedekt. Dat het een kinderlichaam is, zie ik aan de voeten die er onderuit steken. God heb medelijden met het kind en de motorrijder die de dood voorbij komt. De lijmsnuivers in hun eenzame verdoofde hel. God heb medelijden. De hutten van de landloze boeren langs de uitvalsweg van Brasilia. God heb medelijden. De favela achter de aanlegsteiger van de Nelio Correa in Belem waar wrakke hutten op palen staan in zwart en stinkend water. God heb medelijden. Ik heb te maken met de kleine man van de lanchonette, van het werkplaatsje, van het tankstation, van de sigaretten, die “hoi” zegt, zijn duim opsteekt. Door die mensen voel ik me thuis. Dat is in Brazilië niet anders dan in de Arabische landen en in Rusland.

Itaipu stuwdam

De krachtcentrale van de Itaipu stuwdam. Brazilië kan het, als het wil.

“De overheid doet te weinig” zegt pater Gijsen en “Er is meer afstoting dan aantrekking.” Ik kan niet beoordelen of er meer afstoting is dan aantrekking maar ik constateer dat de ‘gewone’ wereld veel doet. De overheid houdt gigantische legers aan het werk in de plantsoenendienst, de vuilophaaldienst, het openbaar vervoer en andere diensten. De gegoede burgers houden massa’s hulpjes aan het werk en de veiligheidsindustrie heeft haar eigen legers. De grote bedrijven, Petrobras en Banco de Brasil voorop, sponsoren tegen de klippen op. Het barst van de programma’s, projecten en initiatieven voor ontwikkeling en bestrijding van de armoede. ‘Brazil Avanza’, ‘Luz para todos’ en ‘Saude da Familia’ om er maar een paar te noemen waarvan de billboards langs de weg staan. Nog veel meer namen, vooral veel met ‘educacāo’ er op, zijn te lezen op T-shirts want bij elk programma hoort natuurlijk een T-shirt. En een petje. Iedereen die wel eens heeft meegedaan aan een programma, project of initiatief weet hoe dat gaat. Ze komen niet van de grond bij gebrek aan middelen. Dat is het geval met nogal wat milieuprogramma’s in Brazilië: wel een kantoor maar verder niks. Zo’n programma is een zoethoudertje. Andere programma’s sterven een stille dood: de borden van Brazil Avanza staan langs de weg te roesten. Van weer andere programma’s is de follow-up niet geregeld. De rivierambulance die gekregen is in het kader van Saude da Familia ligt zielig half gezonken in het haventje van Careiro. Zo gaat dat.

Achter de kwetsbare mens staat de zekerheid van het geloof. Dat geloof is bijzonder in Brazilië. Het druipt uit het volk als sap uit een rijpe vrucht. Heel veel – tankstations, winkels – heet ‘Bom Jesus’. Auto’s hebben stickers met het silhouet van Maria omlijst door een rozenkrans op de voor- of achterruit; vaker op allebei want je weet nooit van welke kant de klap komt. De taxichauffeur heeft de bijbel op het dashboard liggen; passages zijn onderstreept, er staan uitroeptekens en commentaren in de kantlijn. Bij het winkelmeisje is het precies hetzelfde: de bijbel ligt opengeslagen op de toonbank. Wachtenden voor de bus lezen de bijbel. Ik vind het boek in bijna elke hotelkamer op het nachtkastje. Er zijn heel veel religieuze winkels met heiligenbeelden in de etalage, met bidprentjes, bijbels en boeken over de vorige en de huidige paus. De evangelische boekhandels grossieren in cd’s met het gesproken bijbelwoord en boeken en dvd’s van bekende voorgangers. Ik had de Katholieke Kerk hier verwacht maar de evangelische sekten zijn het meest zichtbaar. Er zijn er tientallen en ze zijn aanwezig tot in de uithoeken van het land. In het dorp waar ik overnacht op weg naar Belem tref ik in de hoofdstraat naast elkaar de Congresasāo Christo no Brasil, de Assembleia de Deus en de Igreia Universal. Het licht brandt, er zijn mensen binnen en er wordt gepreekt. De Katholieke kerk ligt een eindje verderop; donker en gesloten. Dat is het beeld in heel Brazilië: de Katholieke Kerk is in geen velden of wegen te bekennen. Dat heeft me verbaasd want de Katholieke Kerk met haar heiligen en de mis lijkt beter aan te sluiten bij de Braziliaanse volksaard dan die evangelischen met hun kale ruimten en hun donderpreken. Ik heb lang gedacht: het moeten die donderpreken zijn waarin de mensen de stem van God menen te horen. Ik heb er pater Gijsen naar gevraagd. Hij zegt “och” en haalt zijn schouders op. Van hem word ik over de evangelischen niets wijzer. Op de boot van Belem naar Manaus ontmoet ik een Duitse priester en die doet een doekje voor me open. “Ja, ze zijn sterk hier. Met de meeste hebben we contact. Niet met de Igreia Universal. Dat is een perverse beweging die de mensen het geld uit de zak klopt.” Over de achtergronden van het succes: “De evangelischen zijn sterk omdat ze veel aan marketing doen en omdat ze dicht bij de mensen staan. Ze krijgen veel steun van conservatieve groeperingen in Brazilië en in de Verenigde Staten omdat ze de bestaande orde verdedigen. De Katholieke Kerk heeft die steun verloren met de bevrijdingstheologie. Die is afgezworen en de Kerk is nu ook veel gezagsgetrouwer.” En over de werkwijze: “De evangelischen zijn strak in de leer. De regels zijn streng; er zijn sekten waar dansen en voetballen verboden is. Wie zich niet aan de regels houdt wordt uit de gemeente gezet. Mensen hebben behoefte aan die duidelijkheid. De Katholieke Kerk is vaak onduidelijk over wat wel en niet mag.”

Christ the Redeemer; Rio de Janeiro.

Het beroemde Christusbeeld van Rio de Janeiro. Achter de kwetsbare mens staat de zekerheid van het geloof.

Ik heb vooral te maken met de kleine man. Mij gaat het om die slungel in de favela Rocinha waarvan ik een schilderijtje kocht. Mij gaat het om die andere slungel die ’s avonds langs het terrasje in Manaus loopt. Hij heeft een piepklein grilletje en daarop bereidt hij iets dat hij ‘queso’ noemt. Het heeft de consistentie van rubber en de smaak van een vet oud ei. Toch vindt zijn waar gretig aftrek want hij heeft een brede lach en hij zwaait met dat grilletje om de kooltjes te laten gloeien en heeft zo een performance te bieden. Het is goeie handel en dat is hem aan te zien: hij draagt een korte wijde witte broek van ruw katoen – dat is momenteel heel hip – en een wit shirt met een kraagje. Hij heeft een zwart petje op het hoofd en een zwart rugzakje en hij draagt echte sandalen. Een geslaagde entertainer. Zijn toekomst valt uit te tekenen. Hij zal een stalletje beginnen, illegaal en daarom onopvallend achteraf en hij moet gratis geven aan de politieagenten want anders maken die zijn handel onmogelijk. Dan zal het hem lukken een vergunning te bemachtigen; hij is legaal en hoeft die agenten niet meer gratis te geven. Na een tijdje koopt hij een plastic tafel en wat stoelen. Nee, eerst koopt hij een gettoblaster want lawaai moet. Dan koopt hij nog zo’n tuinameublement en dan nog een en zo heeft hij een terrasje. Hij heeft een inkomen en kan een gezin onderhouden. Hij is geslaagd. Heel misschien, als hij veel geluk heeft en een scherpe ondernemingsgeest, kan hij geld lenen van vrienden of van de bank of via een programma en begint hij een kleine supermercado annex lanchonette. Als dat lukt is dat een topprestatie en eindigt hij als een pasja achter de kassa en met jonge knulletjes die het werk doen. Hij komt er, zonder drugshandel of criminaliteit, net als miljoenen andere Brazilianen. Minder zeker ben ik over het schoenpoetsertje op het terras. Het gaat nu goed want hij is drie turven groot, hooguit zeven, en hij is snel en aandoenlijk en daarmee vang je veel klanten. Maar zijn toekomst hangt aan een zijden draad. Ik zie geen doorgroeimogelijkheden in de schoenpoetsbusiness en hij is veel te jong voor de grote wereld. Hij ziet er netjes uit. Er is dus iemand die voor hem zorgt en die hem misschien uit handen van de bendes kan houden. Het is een dubbeltje op zijn kant. Heel pessimistisch ben ik over het lijmsnuivertje een eindje verderop. Hij heeft de lijmfles onder zijn vuile hemd verborgen. Daaruit inhaleert hij af en toe en maakt de lome gebaren van de gedrogeerde. Die is binnenkort dood, gewoon dood of vermoord, tenzij iemand hem nu bij zijn nekvel pakt. Ik ben die iemand niet. Ik zou niet weten wat ik moet doen en als ik het wel zou weten zou ik er teveel voor moeten opgeven. Denk ik. Ik behoor tot de gewone wereld.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s