Waimiri

Van Manaus nam ik de BR174: over Boa Vista naar Santa Elena in Venezuela. Duizend kilometer; in Brazilië is zelfs de uitgang ver weg. Op de BR174 is heel weinig verkeer want wie wil er nu naar Boa Vista, de hoofdstad van de deelstaat Roraima, het dorp onder de Braziliaanse hoofdsteden? En Roraima is dun bevolkt. De toestand van de weg is matig: heel veel kuilen en plaatselijk een dikke modderbrij want het heeft de afgelopen dagen veel geregend. De motor heeft een erg afgesleten achterband en glibbert in de modder. Het is goed gegaan, zoals het meestal goed gaat.

Duizend kilometer waarvan zevenhonderd door het bos. Of wat daarvan over is. De weg heeft de drainage verstoord en grote stukken langs de weg zijn onder water gelopen en daarin staan de skeletten van reuzenbomen. Dat is een heel naargeestig gezicht. Op andere plaatsen is het bos gerooid tot op kilometers van de weg en vervangen door drassige weiden van armelijk gras. Weinigen hebben goud verdiend aan de roofbouw, veel meer leiden nu een marginaal boerenbestaan. Twee koeien per vierkante kilometer, meer kan die grond niet dragen. Twee! Zo’n bos lijkt rijk maar in de jungle leeft alles van elkaar, niet van de grond. Het bos is erg beschadigd, behalve in het reservaat van de Waimiri indianen. Daar is de weg een honderdtwintig kilometer lange smalle corridor tussen groene muren. Op sommige plaatsen heeft het bos een stuk van de weg veroverd, op andere plaatsen is met een streepje asfalt verloren terrein terugveroverd. Tijdelijk.

De Waimiri zijn pas in de jaren zestig ‘ontdekt’ en aan die ontdekking hebben de indianen weinig plezier beleefd. Ze bleken Brazilianen – dat wisten die indianen niet – en hun land eigendom van de staat en dus beschikbaar voor de houtmaatschappijen, de ertsbedrijven en de grote veeboeren. Dat wisten die indianen ook niet. De Braziliaanse overheid had het goed met ze voor en wees ze geïsoleerde stukjes land toe waar ze de vooruitgang niet in de weg zouden staan. Het liet de indianen koud want er gebeurde niks en ze kenden de voorspellende macht van het papier niet. Jaren gebeurde er helemaal niks, de indianen waren Brazilië alweer bijna vergeten. En toen werd de BR174 aangelegd, dwars door hun gebied. Dat namen de Waimiri niet. Tweehonderd wegarbeiders en soldaten zijn blijven hangen aan hun gifpijlen. Veel meer indianen zijn gedood door de efficiëntere wapens van onze beschaving. Toen er nog maar een paar honderd over waren, en de media de slachting in de huiskamers van het Westen brachten, toen hebben de indianen en de overheid een deal gesloten. De Waimiri zijn er, vooralsnog, goed uitgesprongen in vergelijking met minder assertieve indianenvolkeren. In ruil voor de weg hebben ze een groot aaneengesloten leefgebied gekregen. Dat is een sigaar uit eigen doos maar soms moeten mensen daarmee tevreden zijn. Tussen zes uur ’s avonds en zes uur ’s ochtends is verkeer door hun gebied verboden, behalve voor de bus tussen Manaus en Boa Vista. Langs de weg staan borden “liever niet stoppen” en “niet filmen, niet fotograferen” want dat willen de indianen niet.

Tijdens mijn rit door het reservaat – dat woord klinkt als ‘dierentuin’ – passeer ik een paar exemplaren van dat volk dat zich niet zomaar aan de kant heeft laten schuiven. De eerste die ik zie is een jongen met een boog, een blaaspijp en een paar pijlen in de hand. Als ik voorbij rijd steekt hij zijn duim op, zoals alle Brazilianen doen. Verderop kruist een groepje de weg. Ik had het verwacht en het komt uit: ze staan te kijken tussen de bomen want een motor zie je niet elke dag. Het zijn gewone mensen, niet wild of exotisch, buitenissig of achterlijk en evenmin agressief zoals de propaganda wil doen geloven. Heel gewone mensen die een voorbijkomende motorrijder bekijken. Als ik zwaai, zwaaien ze terug. Ik heb nóg een close encounter maar dan met een exemplaar van een heel ander species: een jaguar steekt de weg over! Een zwarte. Het is beter te zeggen: een groot zwart exemplaar uit de familie der katachtigen want het heeft geen halsband met “jaguar” om. Nog geen honderd meter voor me steekt hij de weg over, heel rustig, alsof ik er niet ben. Ik ben opgewonden want een jaguar zie ik niet elke dag net zo min als de indianen elke dag een zware motor zien. Ik ben ook een beetje geschrokken want van wilde dieren weet je nooit wat ze in de zin hebben en ze kunnen je achterna komen. Hij verdwijnt weer in de groene muur.

Dertig kilometer ten noorden van het reservaat passeer ik de evenaar. Er staat een monument: nul graden, nul minuten en nul seconden breedte en zestig graden, achtendertig minuten en vijfenveertig seconden westerlengte. Behalve het monument is er niets bijzonders te zien. De zon staat niet loodrecht boven me – toch het beeld van de evenaar – maar ergens in de buurt van de vijftiende graad noorderbreedte, in juli, op weg van de Noorderkeerkring naar het zuiden. Niets bijzonders en toch bijzonder: ik ga van het zuidelijk naar het noordelijk halfrond waar ‘thuis’ is. Dat is wat ik voelde op de evenaar: ik ga nu op weg naar huis. Het is overigens nog een heel eind: nog tweeënvijftig graden naar het noorden en ongeveer zeventig graden naar het oosten. Dat duurt nog wel even.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s