De schildpad van de Amazone

Ik had nog langer in Belem willen blijven, want het is gewoon een leuke stad, maar ik heb de Nelio Correa geboekt voor de reis naar Manaus. De dag van vertrek is een dag met gedoe. De kapitein wil mijn motor niet accepteren. Wil hij meer geld? Na twee uur praten kom ik erachter wat het probleem is. Dat ik mijn passage bij Macamazon heb geboekt en betaald is prima maar het transport van de motor moet op de boot betaald worden, aan hem. Hij wil geen duimbreed wijken en hij wil ook niet bellen met Macamazon. Dus moet ik naar het boekingskantoor in de binnenstad om verhaal te halen. Daar voeren ze een telefoongesprek van nog geen minuut en het probleem is de wereld uit. Mijn motor wordt nu zonder omhaal geaccepteerd. De kapitein heeft me gedurende de reis geen blik meer gegund.

Nelio Correa

De Nelio Correa aan de kade in Belem.

Het duurt nog uren voordat de motor wordt geladen want het is laag water. Het dek ligt zeker twee meter beneden de kade. Behalve mijn motor staan er nog twee op de kade, lichte Braziliaanse. Verder veel kisten met airconditioners en machines, een grote stapel zakken cement, zakken bonen, dozen met meloenen en een vrachtwagen met zakken uien. Van het hoogteverschil tussen schip en kade wordt gebruik gemaakt om de zakken en de dozen over een glijbaan te laden. Het cement en de bonen gaan in het ruim en de meloenen en uien op het dek. Alles is handwerk; er is geen vorkheftruck. Als het hoog water is en kade en dek gelijk liggen worden de kisten op het dek gestapeld. Daarna komen de motoren aan de beurt. De twee Brazilianen worden in het ruim gehesen. Dat kan met mijn motor natuurlijk niet; die weegt bijna tweehonderdvijftig kilo. Het kan wél: de bagage moet er af en zes man takelen hem het ruim in. “Voor mij had hij op het dek mogen staan” zegt de laadmeester “maar de kapitein wil het niet hebben.” De motor staat boven op de zakken cement. Die kerels willen natuurlijk geld zien. Het is sneu voor ze maar daar begin ik niet aan. Ik heb bij Macamazon bedongen dat de transportkosten ook laden en lossen omvat en ik heb niet gevraagd mijn motor in het ruim te laden. Ik heb het aan de laadmeester overgelaten met de arbeiders een deal te sluiten. In Manaus is mijn motor door evenveel mannen uit het ruim gehesen. Daar moet ik wel betalen. De laadmeester haalt zijn schouders op. De mannen vragen vijftig reais maar na wat onderhandelen maken we de prijs af op veertig. Als de motor uit het ruim wordt gehesen hangt hij zo schuin in de takels dat hij er ieder moment uit kan vallen. Dat is erg voor mijn motor maar nog veel erger voor de man die er onder staat en geen kant op kan. Als de motor valt is hij dood. De motor valt niet en staat eindelijk op het dek. De mannen willen het geld. Ik heb niks aan een motor op het dek, ik wil mijn motor op de kade. Dat is nog een meter tillen. Nu vragen ze zestig reais want het was zwaar werk. Ze krijgen vijftig want veertig was afgesproken en die tien reais moeten ze beschouwen als fooi voor het zware werk. Ze zijn tevreden.

Mijn motor wordt in het ruim van de Nelio Correa gehesen.

Mijn motor wordt in het ruim van de Nelio Correa gehesen.

De Nelio Correa heeft de bijnaam ‘schildpad van de Amazone’. Omdat het een langzaam schip is. De tocht naar Manaus zal ongeveer vijf dagen duren. Er zijn snellere en modernere schepen: de Santarem en de Amazone Star. Ik ben heel tevreden met de Nelio Correa. Mij gaat het niet om de snelheid en de Nelio Correa is de goedkoopste en nog een echte ouderwetse rivierboot. Het benedendek is geheel in beslag genomen door kisten, dozen en zakken. Het middendek hangt eivol met hangmatten van de dekpassagiers. Achterop het middendek is de keuken en de eetruimte: een lange tafel met banken. Voorop zijn de hutten. De mijne is een kleine tweepersoons hut met stapelbed. Die hut deel ik met Wellington die voor zijn werk naar Manaus moet en vliegangst heeft: “Als je vliegtuig neerstort ben je dood. Als dit schip zinkt kun je zwemmen.” Wellington blijft zeker drijven want hij is erg dik en daarom slaapt hij beneden en ik boven. Ik kan niet rechtop in bed zitten: tussen bed en plafond is krap een halve meter ruimte. Samen hebben we een douche en toilet. Het is allemaal heel eenvoudig maar voldoende comfortabel, redelijk schoon en de airco functioneert. Het water voor de douche en het toilet komt regelrecht uit de rivier. Het is lichtbruin en koud. Aan het eind van de reis heeft zich een dun laagje slib bij het afvoerputje verzameld. Op het bovendek is het terras en de bar en er staat een grote muziekinstallatie. Die gilt van ’s morgens negen tot half elf ’s avonds. Vijf dagen lang. Braziliaanse muziek gaat nog maar krijsende grunge op de Amazone is echt verschrikkelijk.

De maaltijden zijn bij de prijs inbegrepen. Het ontbijt is van zes tot half acht, de lunch van half twaalf tot half een en het avondeten van zes tot zeven. Voor de dekpassagiers. Er is een groot verschil tussen de service voor de dek- en voor de hutpassagiers. De dekpassagiers moeten in rijen wachten om aan tafel te gaan. En snel dooreten want de volgende groep staat te wachten. Wie niet op tijd klaar is heeft pech gehad: het bord wordt onder zijn neus vandaan getrokken. De hutpassagiers eten na de dekpassagiers. De kok komt ons waarschuwen. Wij kunnen uitslapen tot half acht, wij hoeven niet in de rij en wij kunnen uitbuiken. Er is ook verschil in de maaltijden. Het ontbijt voor de dekpassagiers bestaat uit twee broodjes met margarine en een kop koffie. Voor ons zijn er onbeperkt broodjes, koffie, eieren en fruit. Ik weet niet wat de dekpassagiers ’s middags en ’s avonds eten. Wij eten ’s middags spaghetti, rijst, bonen en kip de ene dag en de volgende spaghetti, rijst, bonen en stoofvlees. De avondmaaltijd is hetzelfde als het middagmaal behalve als het schip lang in een haven ligt; dan is het soep. Dat is eigenlijk toch hetzelfde als de middagmaaltijd maar dan met meer water en zonder rijst en bonen.

Als alles aan boord is, vracht en passagiers, moet er nog brandstof worden gebunkerd. Eindelijk vertrekt de Nelio Correa, tegen achten. De lichtjes van Belem verdwijnen maar tot diep in de nacht is de lichtgloed van de stad zichtbaar aan de oostelijke horizon. Ook in het noorden hangt een vage lichtgloed; een andere stad? ’s Morgens varen we op de Rio Tocantins die overgaat in de Rio Para. Het is alleen een naamswijziging. De rivier is zeker zo breed als het Hollands Diep. Ach nee, veel breder! De oevers zijn verre dunne streepjes. We passeren grote duwboten, geladen met vrachtauto’s en containers, op weg naar of komend van Manaus en kleine rivierboten die de dorpen bedienen. Stroomopwaarts van Breves vertakt de rivier in een doolhof van waterlopen. Op mijn Quatro zijn het dunne blauwe lijntjes maar elk is zeker zo breed als de Waal. De Nelio Correa vaart hier dicht langs de oever, van binnenbocht naar binnenbocht, zoveel mogelijk buiten de hoofdstroom. Er is stroom en tegenstroom, onderstroom en bovenstroom. Schuimkoppen op de golven waar stroom en tegenstroom elkaar ontmoeten, grote vlakke plekken waar onderstroom boven komt en draaikolken waar het water weer in de diepte verdwijnt. Het water gromt en bromt en zucht en zuigt. Dat geluid is fascinerend en angstaanjagend tegelijkertijd, alsof daar beneden een gigantisch monster huist. Het monster is de rivier zelf. Als we de hoofdstroom passeren naar de volgende binnenbocht gaat er een siddering door het schip.

De oevers zijn zwaar bebost. Een huisje op palen glijdt voorbij, soms een klein dorp met een school, een kerk en een aanlegsteiger. Vrouwen en kinderen komen in prauwen op het schip af. De passagiers gooien plastic zakken met rollen koekjes in het water en de vrouwen en de kinderen vissen die op. Wie verder stroomopwaarts woont vist achter het net: de koekjes zijn op of de werplust. Andere prauwen enteren het schip om een eindje mee te liften of om waren aan boord te verkopen. Zakjes met gedroogde zoetwatergarnalen, potten met in zout water ingelegde palmharten, kaas, kokosnoten, maniokchips. Ik koop een pot palmharten; die smaken uitstekend bij een biertje. Soms hangen wel zes prauwen langszij. Het mag van de kapitein, behalve ’s avonds en ’s nachts. Het enteren is voor de passagiers een bron van vermaak want het gaat vaak mis. De prauw slaat om in de hekgolven van het schip of het enteren lukt wel maar die kinderen – het zijn vaak kinderen – zijn niet sterk genoeg om het touw aan te halen en langszij te komen. Dan moet iemand de enterhaak losmaken want anders zijn die kinderen haak en touw kwijt. Hoeven die kinderen niet naar school? Jawel, die kinderen gaan ook naar school net als alle andere Braziliaanse kinderen. Brazilië garandeert toegang tot het onderwijs, ook de fysieke toegang. Het barst in Brazilië van de schoolbussen. Hier zijn het schoolboten. In de namiddag hangt er rook tussen de bomen en drijven van de oever keukenluchtjes aan. Het doet me denken aan vroeger, als je langs de huizen liep en gehaktballen rook en komkommersla. Zo huiselijk en intiem zijn die keukenluchtjes die aan komen drijven uit het bos langs de oever. ’s Avonds is het pikkedonker. In het zoeklicht van de boot verschijnt een huis en verdwijnt ook weer. Hier en daar priemt een gelig lichtje, een petroleumlamp, en soms een blauw licht: daar hebben ze tv, dus ook een generator en een schotelantenne. Je woont in het bos langs de Amazone en de wereld komt naar je toe. De sterrenhemel is fantastisch. Eerst verschijnt de Avondster en daarna komen de andere. Grote heldere punten die je in je verbeelding met elkaar verbindt als bij zo’n kinderpuzzel waaruit dan een mannetje of een leeuwenkop te voorschijn komt. Sterrenbeelden. Hoe langer je kijkt hoe meer je ziet. Als de Avondster onder gaat verschijnt de Melkweg. Geen gewone band maar kolkende lichtende wolken. Tot laat in de avond kijk ik naar die onsterfelijke sterrenhemel. ‘Onsterfelijk’ op mensenschaal, niet op astronomische schaal. Op astronomische schaal wordt daarboven heel wat gestorven; sterren ontploffen of storten ineen tot zwarte gaten.

Missiepost langs de Amazone.

Missiepost langs de Amazone.

Almeirim is de eerste aanlegplaats. Een heus stadje in de wildernis: stenen huizen, een ziekenhuis, twee hotels, een kerk, een benzinepomp. “Bem vindo”, welkom, staat op het bord aan de kade. Nog voor het schip heeft afgemeerd springen de eerste handelaartjes aan boord. Met kaas in plastic zakjes en kokoskoeken. Wie het eerst komt die het eerst maalt. Er komen een paar passagiers bij. Na Almeirim verandert het landschap. De Amazone is hier ingesneden en heeft een breed dal gevormd. De muur van bos langs de oever is verplaatst naar de dalrand in de verte. De oever is een smalle streep land met huisjes op palen en daarachter moerassen en vooral water, water en water. Het regenseizoen is afgelopen maar het is nog hoog water en dan is de rivier het mooist. In januari staat het water tien meter lager, zijn de oevers vette moddervlakten en is het vergeven van de muggen. Er is meer dierenleven dan verder stroomafwaarts. Ik zie spierwitte reigers, een grote en een kleine soort, twee keer een kleine kudde waterbuffels onder de bomen, wolken gele vlinders en in de rivier dolfijnen: een kleine grijze die boven het water uitspringt en een grote roze waarvan alleen de rug boven het water uitkomt. Het is drukkend warm; ’s avonds weerlicht het langs de hele horizon.

Onweerswolk boven de Amazone.

Onweerswolk boven de Amazone.

Vrijdagochtend bereikt de Nelio Correa Santarem. Er moet veel vracht van boord, het lossen duurt tot zes uur ’s avonds dus soep als avondeten, en er komen nog meer passagiers bij. Het middendek is nu werkelijk ei- en eivol. De hangmatten hangen schuin boven elkaar; slapen in etages. Sommigen migreren naar het benedendek waar meer ruimte is gekomen omdat vracht van boord is. Anderen hebben met hun hangmatten het gangboord voor de hutten bezet. Ik moet de deur van mijn hut voorzichtig openen anders zwiep ik een kind de Amazone in. Slapen op het bovendek, dat vrijwel leeg is, is verboden. “Als veel mensen op het bovendek zijn wordt het schip topzwaar en kapseist het” legt de bootsman uit. Om dezelfde reden mogen we niet meer met z’n allen aan de reling staan. Het benedendek ligt niet meer dan een halve meter boven de waterlijn. Er zijn zeker meer dan honderd mensen op de Nelio Correa en toch blijft het schip opmerkelijk schoon en ik heb geen ruzies opgemerkt. Als ik voor de maaltijd naar het achterdek ga, moet ik tussen de hangmatten door wringen en natuurlijk stoot ik dan tegen deze en gene. Geen grauw, geen snauw, geen vloek. De meeste dekpassagiers liggen in hun hangmat, slapen wat of praten met de buren. Vrouwen breien, borduren of lezen een boek. Mannen kaarten of spelen domino. De opgeschoten jongens hokken samen bij de douches op het bovendek. Een ervan heet Jefferson. Dat hoef ik niet te vragen; het staat in grote gotische letters op zijn borst getatoeëerd. Ze imponeren elkaar en de meiden. Er ontstaan relaties en die gaan ook weer uit. ’s Avonds in de donkere hoekjes op het voorplecht en het achterschip zoenen stelletjes. De Nelio Correa is een klein schip en toch zijn er veel donkere hoekjes. Die moeten gedeeld worden; er is weinig privacy voor het slapen noch voor het zoenen. Ook Wellington heeft een vriendin opgedaan. Die nam hij mee naar de hut. Ik heb gedaan of ik sliep. Ik was erg benieuwd hoe dat zou gaan, die twee in de piepkleine ruimte van Wellington’s bed, maar ik ben voor de aanvang van de voorstelling in slaap gevallen. Natuurlijk zijn er kinderen aan boord, veel kinderen. Geen ruzies, ze delen elkaars speelgoed. Met twee heb ik kennis gemaakt. Hun interesse ging uit naar mijn asbakje. Dat is een doosje; als je op het slotje drukt klapt het deksel open en springt een sigarettenlegger naar buiten. Ik was niet op het idee gekomen dat je er ook propjes mee kunt wegschieten. Noël is een ventje van hooguit vier jaar met van die dichtgeknepen ‘ik-laat-me-de-kaas-niet-van-het-brood-vreten’-oogjes. Hij stompt de opgeschoten jongens onder de douche vandaan want hij wil ook. José-Willy heeft een veel opgeruimdere natuur. Ik zet de douche voor hem aan want hij kan niet bij de hendel. Hij heeft er veel plezier, springt en danst en glijdt over de planken. En dan komt een grote jongen onder de douche staan. “Oh” denkt José-Willy “het is zeker afgelopen” en hij trekt zijn slippertjes aan en gaat met zijn autootjes spelen. Noël zal het in het leven wel redden maar loopt de kans te verzuren: teveel tegenvechten. José-Willy zal de kaas vaak van het brood worden gegeten maar hij zal meer plezier aan het leven ontlenen. Hij is een vrolijke contactenjongen.

In de belendende hut huist een Duitse priester. Wat doet een Duitse priester in Brazilië? “Ik heb zeventien jaren in Duitsland gewerkt. Toen wilde ik een andere kerk zien. Ik heb het mijn bisschop gevraagd en die heeft me laten gaan. Naar Brazilië.” Hij heeft vijftien jaren gewerkt in Juruti, is daarna vijf jaren rector geweest van het seminarie in Belem en gaat nu terug naar zijn oude parochie, “om een handje te helpen.” Hij heeft een seminarist bij zich. Die gaat voor de vakantie terug naar zijn dorp. De seminarist is piekfijn verzorgd: montuurloos brilletje, ring aan de vinger, armbandje, polshorloge en elke dag een ander hemd en broek aan. Hij studeert op het bovendek, naast de gillende muziekinstallatie, de Belijdenissen van de Heilige Augustinus. Het is vast examenkost maar ik vind het geen goede kost voor een jonge jongen. Die Augustinus was allesbehalve een levensgenieter en een vrouwenhater bovendien. De seminarist heeft er ook duidelijk moeite mee; hij heeft het boek meer vast dan dat hij daadwerkelijk leest. En veel steekt hij er, gelukkig, niet van op. Ik constateer in elk geval dat hij ’s avonds biertjes haalt en dan verdwijnt met een meisje naar het duistere achterdek.

De Duitse herder vertelt graag over zijn parochie. Die omvat het stadje Juruti en honderd dorpen in een strook land van honderd kilometer langs de rivier en zestig kilometer landinwaarts. “Ik probeer elk dorp tenminste een keer per jaar te bezoeken.” Met een prauw, een drager en de slangenman. “Die loopt voorop. Het stikt hier van de slangen en hij ziet ze beter dan ik.” In elk dorp is een catechist die de dagelijkse zielzorg doet. “De mensen hier zijn indianen met een scheut Portugees bloed. Er is hier geen negerbloed. Dat vind ik wel jammer want de indianen – het zijn vreselijk lieve mensen hoor – kunnen niet plannen. Negers wel.” Er moet veel gepland worden: zijn bezoeken, de gemeenschapsactiviteiten en de acties van het bisdom. Peinzend zegt hij: “Dat plannen, dat zit er diep bij mij in. Dat heb ik zo geleerd. Misschien zou het wat minder kunnen.” Hij heeft smeuïge verhalen. Over de anaconda: “Die komt hier veel voor. De mensen houden jonge anaconda’s als huisdier op de balken van het dak om de vleermuizen op te eten. De urine van die beesten stinkt zo. Nee, die anaconda is niet erg gevaarlijk. Ja, het gebeurt wel dat iemand in de rivier verdwijnt. Dat is dan een slang hé.” Over de andere gevaren van de rivier: “Piranha’s vallen zelden mensen aan. Het zijn aaseters. Er is een ander visje, een aaseter die lijken van binnenuit opeet en die is wel gevaarlijk. Die wringt zich je anus in en kan dan alleen nog operatief verwijderd worden. In de Amazone moet je nooit zwemmen zonder broek.” Ik ben helemaal niet van plan om in de Amazone te zwemmen. Als Juruti in zicht komt: “Ach, gelukkig, weer terug. Dat seminarie was een straf hoor!”

Twee uren duurt het lossen in Juruti. De Duitse herder moet met zijn bagage en huisraad van boord en ook een vracht Coca Cola en zakken bonen. Daarna weer bos en water. ’s Avonds waait een harde kille wind over het water. Ook in de tropen kan het kil zijn. Er is helemaal niets te zien, geen lichtpuntje, dan de donkere contouren van de oever in het sterrenlicht. De muziekinstallatie doorbreekt de benauwende stilte. Ik neem aan dat astronauten ook muziek in hun capsule hebben om de akelige stilte van de ruimte te verdrijven. Op zondagochtend leggen we aan in Itacoatiara, nog kleiner dan Juruti, voor een ultrakorte stop. Na tien minuten vertrekt het schip weer. Om een half uur later terug te keren. De scheepsarts – de Nelio Correa heeft een arts aan boord – is nodig in Itacoatiara. De dokter vertrekt met de motortaxi en dan is het wachten. Ik dood de tijd met het bekijken van twee dolfijnen die krijgertje spelen. Twee uren later komt de dokter terug en vertrekt het schip. Wij zullen vandaag zeker niet in Manaus aankomen. Die avond is het lichtfeest niet in de hemel maar op de oever tussen de bomen: ontelbare vuurvliegen. Af en toe landt er een op het schip. Het zijn tamelijk grote torachtige insecten waarvan het achterlijf een aan- en uitfloepende zaklamp is met fel groen licht. Laat in de avond is de lichtgloed van Manaus aan de horizon te zien. We bereiken de stad om zes uur ’s morgens. De torenflats vangen het ochtendlicht. Manaus, eindelijk Manaus, na bijna zes dagen varen op de Schildpad van de Amazone. ’s Avonds in het bed van mijn hotel heb ik een deinend gevoel; mijn evenwichtsorgaan heeft zich aan de beweging van het varen aangepast.

Vroeg in de morgen: Manaus.

Manaus in het ochtendlicht.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s