Wegleven

Ik had de directe weg kunnen nemen van Salvador naar Belem maar koos voor de route over Recife die bijna negenhonderd kilometer langer is. In mijn wegenatlas staat een waarschuwing bij de directe route: “Opgelet, op het traject tussen Afranio en Picos hebben zich een groot aantal berovingen voorgedaan.” Tot nu toe heb ik de wereld bereisd zonder beroofd te worden en dat wil ik graag zo houden ook al is een beroving vast en zeker een heel bijzondere ervaring die een lezenswaardig verhaal kan opleveren. Liever over Recife.

De BR101 van Salvador naar Recife is moordend en daardoor valt er iets te beleven. Twee keer een gekantelde vrachtauto; de chauffeur moet de macht over het stuur hebben verloren bij het ontwijken van een kuil. Die vrachtautochauffeurs rijden verschrikkelijk hard en dan gebeurt zo iets. De eerste vrachtauto is geladen met flesjes bier en in de berm terecht gekomen. Eromheen zwerven dronken ramptoeristen. De andere vervoerde kippen en is op de weg gekanteld. Het wegdek is bezaaid met dode kippen; de overlevenden dwalen verdwaasd in de berm en worden liefdevol gevangen door de lokale bevolking. Elke post van de Policia de Rodoviaria, de verkeerspolitie in Brazilië, heeft een openluchttentoonstelling van verpletterde personenauto’s en uitgebrande trucks. Mijn opgave is de vrachtauto’s te ontwijken en de vele regenbuien en daarin ben ik heel bedreven geraakt.

Ik kom uit op de BR232 die landinwaarts naar Belem loopt. Weg van de kust maken de regen brengende stapelwolken plaats voor vriendelijke schapenwolkjes met witte buiken. Heerlijk motorweer. Uur na uur over die lange weg. Ik passeer dorpjes en stadjes en verder bos, links bos en rechts bos. Hoe verder ik van de kust kom hoe opener het bos wordt. Uiteindelijk verdwijnen de bomen, behalve in de diepe dalen, en blijft een dichte struiksavanne met grote cactussen. Dat is de sertāo, het droge noordoosten van Brazilië en het gebied van de grote armoede. Het valt mee, zowel de droogte als de armoede. Groen tot aan de horizon. Opgeruimde dorpjes en stadjes en langs de weg huisjes van leem met een grote schotelantenne op het achtererf. En de koe, de ezel en de geit. Na Picos komt het bos terug en bij Teresina slaat de droge warmte van de Braziliaanse hoogvlakte om in de vochtige hitte van de tropen. Schapenwolkjes maken weer plaats voor grote stapelwolken. Sommige krijgen onvoldoende energie, stoppen met groeien en gaan uit met een poefje. Maar andere worden tot zwevende kastelen waaraan onzichtbare legers engelen torens van druppels bouwen, hoger en hoger naar duizelingwekkende hoogte tot het fundament het begeeft en het hele bouwwerk met ratelende donder en bliksem ineenstort en bakken water het land doordrenken. Bomen vol epifyten, bananenplanten, veel soorten palmen maar merkwaardigerwijs niet meer de kokospalm die veel aan de kust voorkomt. De natuur doet niet aan geleidelijke overgangen. Het is west en oost van Skovorodino, waar het Siberische landklimaat omslaat in het zachte klimaat van het Verre Oosten. Het is zuid en noord van Viedma: van het ruige klimaat van Patagonië naar het mediterrane klimaat. Nu is het oost en west van Teresina. Als je reist zoals ik, merk je zulke veranderingen op. De meeste toeristen merken dat helemaal niet. Die reizen met de airconditioned nachtbus of met het vliegtuig. Ze komen ergens aan en merken dan pas dat er iets veranderd is.

Het ritme van de weg: rijden, tanken, eten, slapen. Benzine kost ongeveer een dollar per liter en met een liter doe ik achttien kilometer. Benzine is mijn grootste uitgavenpost want Brazilië is duizenden kilometers groot. Bij Arcoverde ligt een tankstation van Petrobras met een restaurant en een buitenterras dat een leuke plek lijkt voor de lunch. Ik kies voor het terras. Een man komt zwaaiend en schreeuwend op me af. Niet schrikken: dat is de dorpsgek. Die heb je overal. Hij draagt een voddige korte broek waarvan de gulp met een touw is dichtgehouden en verder niets. Hij heeft kort krulhaar, een warrig baardje en schichtige ogen. Hij komt bedelen. Hij heeft een plastic zak bij zich en daarin zie ik doosjes en ook een banaan. Hij heeft te eten en dus krijgt hij niks. Of hij dan een sigaret mag? Die krijgt hij want sigaretten deel ik altijd uit. Als dank geeft hij een hand, een vette plakkerige hand. Ik wil niet weten wat hij er allemaal mee heeft vastgehouden. De ober staat in de deuropening te kijken hoe het mij met de gek vergaat. Of die motor van mij is? Die is van mij. Gekken vragen vaak naar de bekende weg. Hoe hard de motor kan? Hij geeft zelf het antwoord: wel honderdvijftig. Hij spreidt zijn armen, houdt een denkbeeldig stuur vast, draait denkbeeldig het gas open – “wroem, wroem” – maakt een scherpe bocht en rijdt regelrecht de hemel in. Of hij op de motor mag? Nee, dat mag niet. Hij doet het toch en dus moet ik opstaan om hem van de motor te halen. Met de dorpsgek in mijn nabijheid kom ik aan eten niet toe. Dat vindt de ober niet goed en die stuurt hem weg. De gek schatert, laat zich niet wegsturen. De ober komt naar buiten en geeft hem een flinke trap tegen het zitvlak. Dat helpt. De gek trekt zich terug in de verste hoek van het terras, scheldt en schatert, rookt zijn sigaret. Hij kijkt naar mij, houdt zijn sigaret omhoog, roept “abrigado.” Hij wil weer terugkomen maar de ober staat nog buiten en daarom durft hij niet. Hier is geen psychiater met pillen, geen psycholoog met een aanpassingsprogramma, geen begeleidende verpleger en daarom wordt de gek behandeld als een gewoon mens waaraan een steekje los zit. Dat is overal zo. Nooit heb ik gezien dat de dorpsgek slecht werd behandeld. Hij doet eenvoudige karweitjes – vuilniszakken wegbrengen, papiertjes oprapen – en daarvoor krijgt hij een broodje, een kop thee, een flesje limonade. Hij hoort er gewoon bij, hij is van de gemeenschap. Die trap, die had ik nooit kunnen geven. Ik hoor niet tot de gemeenschap. Buitenstaanders moeten van de dorpsgek afblijven.

Ik rijd lang door want ik ben dol op het staartje van de dag: het licht verdwijnt naar de hemel en de kleuren worden uit het land gezogen. De maan en de sterren verschijnen in een lichtblauwe en violette hemel en bomen en huizen verschrompelen tot grijze en zwarte contouren. Boeren met de schoffel op de schouder, kinderen op fietsjes, een suikerspinverkoper met een stok vol roze plastic zakjes verschijnen en verdwijnen in het licht van de koplamp. Meestal overnacht ik in kleine pousada’s met namen als ‘Palace Hotel’ of ‘Pousada Paraiso’. Ze zijn goedkoop, eenvoudig en netjes. Je moet wel een beetje opletten waar je naar binnen gaat. Brazilië kent het fenomeen van de ‘love motels’. De meeste Brazilianen wonen in kleine gehorige huizen en als je met je vrouw of je vriendin of met je vrouw en je vriendin eens stevig de liefde wil bedrijven, dan ga je naar zo’n motel. Voor alleen reizende heren zijn dames beschikbaar. Let even op de naam: “motel Cupido” laat niets te raden over. Doet de naam geen belletje rinkelen dan toch wel de prijslijst: kamers per uur. Er is geen bezwaar in een love motel te logeren behalve de prijs en de opdringerige dames die niet kunnen geloven dat je wil slapen. Veel wegrestaurants leveren soortgelijke diensten. De serveerster van uitspanning Happy Happy is een knappe meid. ‘Lekker’ is een beter woord: ze heeft grote stevige borsten en een dito kont en ze draagt een jurkje dat je met één handbeweging van haar lijf kunt laten glijden. Na de maaltijd komt ze vragen: “Even rusten?”

 

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s