Guia Quatro Rodas

Ik gebruik de Guia Quatro Rodas. Het is een slechte wegenatlas maar de beste die in Brazilië is te krijgen. De kaarten hebben geen schaalaanduiding en zijn hoekgetrouw noch afstandsgetrouw; het zijn eigenlijk schetsen. Toch is de Quatro nuttig want vrijwel alle plaatsen en wegen staan er op, van de hoofdwegen is het wegnummer vermeld en de afstanden zijn met cijfers aangegeven en kloppen ook min of meer. Het belangrijkste: de Quatro verschaft informatie over de aard en de toestand van het wegdek. Of de weg verhard is en of de verharding in slechte staat verkeert. Op de omslag staat trots: “Met aanduiding van 3832 km nieuwe slechte trajecten.” Bij sommige wegen is vermeld in welke periode en onder welke omstandigheden de weg niet berijdbaar is: “De BR163 van Moraes de Almeida tot Aruri Grande is niet berijdbaar in de regenperiode (december tot mei)” en “Van Poconé tot Porte Jofre zijn er 126 bruggen waarvan de meeste in slechte staat verkeren.” Bij andere wegen staat een telefoonnummer vermeld om actuele informatie over de toestand te krijgen: “Verifieer de wegcondities alvorens de Transamazonica te rijden (93)615-4850.”

De BR020 van Brasilia tot Luis Eduardo Magalhaes, vijfhonderdtachtig kilometer, is volgens de Quatro niet in slechte staat. Dat is niet hetzelfde als ‘in goede staat’. Er zijn kuilen in het wegdek en die zijn moordend diep. In zo’n kuil terecht komen met een snelheid van tegen de honderd kilometer per uur betekent zeker het einde van deze reis en waarschijnlijk het begin van de volgende, naar de eeuwigheid. Daar ben ik nog niet aan toe en dus speur ik de weg af: een paar honderd meter vooruit om kuilen te ontdekken en vijftig meter vooruit om te bepalen hoe er om heen te gaan. Als ik even niet oplet mis ik een kuil op een haar na. Van het turen op de weg krijg ik branderige ogen en vijfhonderdtachtig kilometer is lang turen. Geleidelijk leer ik de tekens van de weg lezen. Het wegdek is gerafeld dus kan er een kuil komen. De vrachtauto voor me maakt een uitwijkmanoeuvre dus zal daar een kuil zijn. Rode vegen op het wegdek is leem en de bron is een kuil aan het begin van de veeg. Blind kun je op die tekens niet varen: er zijn kuilen in verder perfect asfalt, een vrachtauto wijkt niet altijd uit en niet altijd is het wegdek zo beschadigd dat de leemondergrond bloot komt te liggen. Een kuil ontdekken is het ene deel van het verhaal, ontwijken het andere. Als de tegemoetkomende vrachtauto ook een uitwijkmanoeuvre maakt ontmoet je elkaar ter hoogte van de middenstreep. Of het ontwijken brengt je in een kuilenfuik: een hele rij kuilen die eindigt met een grote diepe. Behalve kuilen zijn er afschuivingen van het talud en happen uit de weg. Die plaatsen zijn door weggebruikers gemarkeerd met takken. Drempels zijn een ander vervelend obstakel op de Braziliaanse wegen. Ze liggen aan het begin, in en aan het einde van dorpen en soms ook bij kruisingen. Het is goed bedoeld en er staat een waarschuwingsbord. Meestal. Zie je een drempel over het hoofd, dan word je gelanceerd. Dat is niet goed voor het gemoed en helemaal niet voor de schokbreker van de motor. In het donker rijden is in Brazilië levensgevaarlijk.

Wegschade

Kuilen in verder perfect asfalt …

Bij het vallen van de avond kom ik aan in Magalhaes. Dat is een transportdraaischijf en het tankstation Porto Presto Brasil is daarvan het hart. Het is heel groot en een wereld op zich, een wereld waarvan ik houd. Behalve het tankstation zijn er werkplaatsen en een bandenleverancier. Daaromheen liggen het restaurant, doucheruimten en toiletten, een supermarkt en een apotheek, een kapper en wat kleine winkels. Langs de weg staan de meisjes van plezier. Er is ook een motel. Daar overnacht ik voor dertig reais, twaalf dollar. Het is uitstekend en om een of andere reden krijg ik nog korting ook. In het restaurant zitten dikke vrachtwagenchauffeurs met hangbuiken en dunne bijrijdertjes. Die bijrijdertjes worden later chauffeur en krijgen dan ook hangbuiken. De kern van deze wereld – tankstation, werkplaatsen en restaurant – is vierentwintig uur per etmaal in bedrijf. Ik val in slaap met op de achtergrond het ronken van de koelers van de diepvriestrucks, het geschreeuw van de chauffeurs en de enkele lach van een meisje. Ik slaap uitstekend.

Bij Magalhaes komt de BR020 uit op de BR242 en die is volgens de Quatro over meer dan tweehonderd kilometer in slechte staat. Dat klopt, de weg oogt als een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog: een zee van kuilen, groot en diep als bomtrechters en daartussen eenzame eilandjes asfalt. Het gaat er om de beste weg door de kuilen te zoeken, de asfalteilanden te mijden want die hebben steile en scherpe randen evenals de diepste kuilen die een modderbodem hebben. Een groot deel van de dag zwoeg ik langzaam in de eerste versnelling van kuil naar kuil. Het is erg druk op de 242. Bussen en vrachtauto’s beladen met trossen bananen en met kisten tomaten schommelen traag door de kuilen en slalommen van de ene naar de andere kant van de weg. Er komt een grote vrachtauto op me af. Hij en ik willen dezelfde nauwe doorgang nemen tussen twee diepe kuilen. Ik ben iets sneller. Langs de weg ligt een doodgereden koe met een hele familie gieren erop. Er staan vrouwen en kinderen in de berm. Eerst dacht ik dat ze er stonden om verongelukte weggebruikers te beroven maar ze zijn er voor het herstelwerk. Af en toe gooien ze lusteloos een schepje zand in een kuil. Het is lachwekkend, het is hetzelfde als mensen een bosbrand laten blussen met een fluitketeltje water. Over een lang traject worden slechte stukken afgewisseld met tamelijk goede van een paar honderd meter. Dat lijkt prettig, het is verschrikkelijk: je komt uit het kuilenveld en dan geef je gas en schakelt op en dan moet je weer afremmen en terugschakelen. Gas geven en opschakelen, afremmen en terugschakelen, je weg door de kuilen zoeken en dan begint het volgende goede stuk. Ik heb nog geluk want het regent niet. De hele middag trekken zware regensluiers over het land maar niet over de weg. Als de leem nat wordt, dan ben je nog niet jarig. De natte toplaag laat los van de ondergrond, blijft kleven aan de banden en verstopt de ruimte tussen wiel en spatbord. Ik weet waar ik over praat, ik heb het eerder ondervonden. Als ik, voorlopig, het laatste slechte stuk heb gehad, word ik vol getroffen door een regenbui. Het is maar vijfhonderd meter naar een tankstation, een halve minuut, en ik ben al doorweekt. Ik kan niet altijd geluk hebben. En toch geluk: als ik in de late namiddag het Chapada Diamantina gebergte inrijd, kijk ik neer op de vlakte waarover gouden regensluiers trekken. Mooier kan niet.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s