Broeder Zon

Op het internet vind ik het telefoonnummer van pater Gijsen in Belo Horizonte. Pater Gijsen is het gezicht van en de drijvende kracht achter de hulpverleningsorganisatie Irmāo Sol, Broeder Zon. Ik heb hem opgebeld en een afspraak gemaakt want ik wil meer weten van het probleem van de favela’s. “Ja, leuk” zegt hij “Kom tegen een uur of negen, dan heb ik de mis en de biecht gedaan.” Belo Horizonte ligt vierhonderdvijftig kilometer landinwaarts van Rio de Janeiro, een dag rijden. Ik zit vrijdagochtend om negen uur in het kantoor van Broeder Zon. Pater Gijsen heet hier Frei Mariano. Ik spreek hem aan met ‘pater’. Dat ben ik gewend.

“Hoe gaat het hier, pater?” Pater Gijsen blijkt geen man van fluwelen inleidingen. “Er worden hier gemiddeld per maand vijfentwintig jongens vermoord. Jongens in de leeftijd van veertien tot vierentwintig, een enkele is dertig. Er is hier nu een meisjesoverschot. De slachtoffers zijn kleine drugshandelaars. Ze zijn zelf verslaafd en gebruiken hun eigen koopwaar. Daardoor kunnen ze de grote dealer niet meer betalen en die laat ze vermoorden. Hier dichtbij ligt een favela van tweehonderdvijftig mensen. Daar zijn er het afgelopen jaar zes vermoord. De gemeente kan het niet schelen. Die is die drugsjongens liever kwijt.” Vijfentwintig per maand, dat zijn er in een jaar … ik ben geschokt. De pater is de schok al lang voorbij. Hij is niet onverschillig; het gevoel zit in zijn zachte ogen en in de lichte glimlach, de uitdrukking van de gedachte aan een dierbare. Zo spreekt hij ook; hij heeft het over “goeie jongens” en “beste kerels”. Pater Gijsen heeft dik wit haar, een forse neus en stevige lippen; een gebeeldhouwde kop en een knappe verschijning. Hij is vierentachtig jaar. Het is lastig hem te volgen: gebeurtenissen, tijden en plaatsen knoopt hij aan elkaar tot zinnen zonder punt. De manier van praten van iemand waarvoor het verhaal vanzelfsprekend is. Voor mij is het detectivewerk. Ik begrijp dat hij nu zestien jaar in Belo Horizonte is, daarvóór in Rio de Janeiro en misschien in nog wel andere plaatsen. “Eerst vingen we vooral straatkinderen op. Toen kwamen er veel die door de kinderrechter aan de ouderlijke macht waren onttrokken. Dat met die drugs is pas de laatste anderhalf, twee jaar een probleem geworden. Het zijn de drugshandelaren uit Rio die naar hier gekomen zijn.”

Pater Gijsen

Pater Gijsen te midden van zijn kinderen.

“Wat doet u eraan, pater?” “Ik ga naar die jongens toe en zeg: ‘Als je op straat blijft ga je dood.’ De meesten kan dat niet schelen. Ik nodig ze uit om hier te komen. Het eerste dat ze doen als ze binnenkomen is kijken hoe ze er weer uit kunnen en dan zien ze de tralies voor de ramen. Het ritme is ook niks voor ze: om zes uur op, naar de kerk en dan naar school.” Hij vertelt een anekdote. “Een bendeleider, ‘kolonel’ heet dat hier, zei tegen me ‘Jij pakt mijn kinderen af.’ Ik heb hem gezegd: ‘Dat is jouw probleem. Jij bent niet goed voor ze. Jij woont zelf in een stenen huis en trekt je niets van ze aan. Je komt alleen ’s avonds om opdrachten te geven.’” Pater Gijsen grinnikt. Achter de anekdote zit geschiedenis die hij me niet vertelt en die ik hoor van anderen. In Rio is hij neergeschoten. Een bendeleider voelde zich bedreigd door het werk van de pater en heeft een jongetje opdracht gegeven hem neer te schieten. Een splinterkogel in zijn buik. Nog in het ziekenhuis hebben ze geprobeerd de pater te vermoorden. Hij heeft zijn werk in Rio moeten opgeven en is naar Belo Horizonte gekomen. “Hij had geluk” zegt de verteller “tijdens de operatie vonden ze ook een tumor in zijn buik.”

“Helpt het, pater?” Hij pakt een foto en wijst aan: “Die leeft weer op straat. Die is terug gegaan naar de favela. Gelijk zeven kogels in zijn kop. Ik heb hem nog gewaarschuwd. En die is aan het werk.” Eén van de drie. Hij heeft weer een anekdote: “We hadden er een, Jeremia. Hij werkte in een bakkerij. Toen werd de bakker ziek. De eigenaar vroeg ‘Kun jij niet bakken?’ Dat heeft hij gedaan en kreeg natuurlijk ook meer betaald. Hij heeft het allemaal opgepot. Plotseling was Jeremia verdwenen en niemand wist waar hij gebleven was. Ik herinnerde me dat hij ooit gevraagd had hoe je goedkoop naar het buitenland kon. ‘Met een pelgrimstocht’ heb ik gezegd. Ik ben naar het reisbureau gegaan en heb gevraagd of die-en-die geweest was. Jeremia was er geweest; hij had een ticket gekocht voor een pelgrimstocht naar Rome. Op ’n dag krijg ik een telefoontje. Van Jeremia uit Rome: ‘Het is hier geweldig en er is heel veel werk.’ Maar hij sprak geen Italiaans dus dat werd niks. Een tijdje later krijg ik weer een telefoontje van Jeremia, nu uit Lissabon. Hij zat daar op een kamer met drie Marokkanen. ‘Vervelende kerels’ zei hij. Nog een tijdje later weer telefoon. Hij had nu een eigen huis. En daarna belde hij: ‘Ik zit bij Londen.’ ‘Werk je daar?’ vroeg ik. ‘Nee, ik ben op vakantie.’” Een succesverhaal.

“Is het probleem oplosbaar, pater?” “Jawel, Brazilië is een rijk land maar het geld is in handen van een kleine groep. Ze bewaren het op buitenlandse banken. Geld moet niet worden bewaard, geld moet werken!” Ik houd hem voor dat, naar mijn waarneming, de middenklasse en de rijken personeel tegen de klippen op aan het werk houden. “Ja” zegt pater Gijsen “er is aantrekking maar er is ook afstoting en er is meer afstoting dan aantrekking.” En daar is de anekdote weer. “Kinderen hingen rond op een plein. De bewoners van de omliggende appartementen bekeken met verrekijkers wat die kinderen daar deden en belden de politie. Die joeg de kinderen weg hoewel het openbaar terrein was.” Huizen in Braziliaanse steden zijn bijna allemaal omgeven door hoge muren of hekken met punten en prikkeldraad en daarboven vaak nog stroomdraad. Dus waarom belden die bewoners de politie? “Je moet begrijpen, de bewoners hebben ook kinderen en die komen uit school zonder tennisschoenen aan de voeten en zonder mobieltje. Zo gaat dat.” Ik zeg het niet tegen de pater maar ik begrijp die bewoners heel goed.

We praten over Nederland en over zijn jeugd. Hij komt uit Wassenaar en heeft in kamp Vught gezeten. “Er was in Den Haag een Duitse generaal doodgeschoten en toen werden er tweeduizend van ons opgepakt en naar Vught gebracht om vandaar naar andere kampen in Duitsland te worden getransporteerd. De Duitsers hadden een eenvoudige regel: voor elke vluchteling wordt een achterblijver doodgeschoten. Op ’n dag was er een weg. We moesten allemaal aantreden en er werd er een aangewezen voor het vuurpeloton. De commandant van de troep wilde hem blinddoeken. Hij weigerde. Hij zei: ‘Jullie nemen mijn leven niet, ik geef het.’ Misschien dat een van die soldaten zich dat herinnert.” Als er een is die het zich herinnert en voor wie die gebeurtenis beslissend moet zijn geweest voor het leven, dan het is pater Gijsen zelf.

“Waarom doet u dit werk, pater?” “Je leeft niet voor jezelf. Dat heeft geen zin. Je leeft voor anderen. Dat doe je niet om de verdienste maar uit liefde.” En, hop, daar is de anekdote: “Een oud vrouwtje deelde elke dag brood uit aan de straatkinderen. Toen ging ze dood. Ze kwam in de hemel en kreeg een plaats op de achtste rij. Op ’n dag was er een enorm rumoer bij de hemelpoort. Petrus ging kijken. Het waren de straatkinderen. ‘Laat ze binnen’ zei God ‘want het zijn mijn kinderen.’ Ze kwamen binnen en kregen een plaats op de eerste rij. Het oude vrouwtje stond op en vroeg het woord. ‘Ga je gang’ zei God. ‘God, dit is groot onrecht. Ik heb ze brood gegeven en zit op de achtste rij. Zij hebben alleen maar op straat rondgehangen en zitten op de eerste rij.’ ‘Dat klopt’ zei God ‘jij hebt ze brood gegeven. Niet uit liefde maar om in de hemel te komen. En in de hemel ben je nu.’” Pater Gijsen lacht.

“Ga morgen mee” nodigt hij uit “dan kun je de jongens zien.” Dus ga ik de jongens zien en wacht de volgende dag op de pater voor zijn kantoor. Hij is wat laat want hij had nog biechtelingen. “De biecht is tegenwoordig een heel gesprek” verklaart hij “dat kun je niet precies plannen.” We rijden naar het jongenshuis. Het huis is een laag gebouw met een tuin op de binnenplaats. Eromheen liggen de kamers van de jongens. Een kamer voor twee jongens. “Meer gaat niet want dan breken ze de boel af.” Twee bedden en in de voorruimte van de kamer een bureautje met boekenplanken, voor het huiswerk. Op de hoeken van het huis is de keuken, de eetzaal, de kapel en een ruimte voor algemeen gebruik. Alles is betegeld. Het is sober, er is geen geld over de balk gegooid, en toch straalt het huis geen armoede uit. Knappe bouw. In het huis verblijven jongens van veertien tot achttien. Bij mijn bezoek zijn er ook veel kleintjes uit andere opvanghuizen. Ze zijn gekomen voor de sport en voor de gebedsdienst want morgen is het Pinksteren. Onder het kruisbeeld in de kapel staat een tafel en een stoel voor de pater, eromheen stoelen voor de jongens; de kleintjes vooraan, de groten achteraan. Pater Gijsen heeft een mooie melodieuze stem, geknipt voor het Portugees. “Er is de Vader en de Zoon en de Heilige Geest maar er is één God” en “De paus spreekt wel vijfenzestig talen.” De kleintjes steunen met de ellebogen op tafel en ik zie veel glinsterende oogjes want de pater vertelt goed. Het zijn allemaal ‘goeie jongens’ en ‘beste kerels’.

Het jongenshuis van Broeder Zon.

Het jongenshuis van Broeder Zon.

Met William, Braziliaans medewerker van Broeder Zon, bezoek ik de overige opvang. Niet ver van het jongenshuis ligt het meisjeshuis. Meiden, van die leuke beginnende vrouwen. Ze wonen met vieren op een kamer; meisjes breken de boel kennelijk niet af. Een meisje drukt me onmiddellijk haar huiswerk onder de neus. Ik moet helpen met Engelse woorden, ‘bread’ en ‘meat’, woorden met dezelfde ‘ea’-combinatie die je toch anders uitspreekt. En ik moet plaatjes van sterren bekijken: Britney Spears, Jennifer Lopez en anderen. Geknipt uit tijdschriften en geplakt in lijstjes en schriften, zoals meisjes dat overal doen. Ik ken al die sterren niet en ze veranderen nogal eens van uiterlijk zodat ik de draad kwijt raak: “Nee, dat is Jennifer Lopez, zie je dat niet?” Ik zie dat niet.

Het peuter- en kleuterhuis, het jonge jongenshuis, het broertjes-en-zusjeshuis, het meisjeshuis, het jongenshuis. In een week heb ik alle negen huizen van Broeder Zon bezocht. Het laatste is Xangrila, een complex van kleine woningen voor werkende jongeren. Die leven er zelfstandig, zonder begeleiding. Ze betalen geen huur en kunnen van hun salaris sparen om een lapje grond te kopen en zelf een huis te bouwen. Als we het complex bezoeken is maar één bewoner aanwezig die een vrije dag heeft. De rest werkt, zoals het hoort, in nette banen: een hotel, tuin, laboratorium, motorwerkplaats. Gekomen tot gewoon normaal geluk, moeizaam bevochten. Moeizaam bevochten door de kinderen zelf. Door het vrolijke ventje naast me dat zichzelf zo graag in de camera ziet. Hij wil later fotograaf worden. “Zijn vader heeft voor zijn ogen zijn moeder vermoord.” fluistert de hulpverlener. Ieder kind van Broeder Zon heeft zo’n achtergrond: mishandeld, verlaten, geen thuis, op straat. Moeizaam bevochten geluk, met hulp van Broeder Zon. Wat doet Broeder Zon? Broeder Zon biedt de vier B’s: bed, brood, bad en boeken. Een thuis: een dak boven het hoofd, eten, schone kleren, naar school. Na schooltijd gaat de poort op slot; huiswerk maken en niet op straat hangen. Basta! Het klinkt eenvoudig maar het kost sloten energie. Een medewerkster vertelt over Xangrila: “De laatste vijf jaar is er drugs verhandeld, hebben jongens gezocht naar constructie in hun hersens, twee zijn er boven uit het raam gesprongen, één heeft de inboedel van boven naar beneden gegooid. Één heeft er een doodgeschoten, een ander heeft zichzelf in zijn been geschoten. We hebben kunnen verhinderen dat Gustavo er een dood stak.” Maar Xangrila is eindelijk drugsvrij, er wonen nu jongeren die allemaal aan het werk zijn en de Melkertbaan is met succes geïntroduceerd. Wender gaat naar de universiteit; hij zei: “Zes jaar geleden leefde ik op straat en nu ga ik naar de universiteit.”

Naast de opvanghuizen biedt Broeder Zon nog andere hulp. Met William bezoek ik een complex van woninkjes die Broeder Zon huurt voor dakloze jonge gezinnen. Ruwe gammele bouw, niet te vergelijken met de huizen van Broeder Zon zelf. De gezinnen hebben een dak boven het hoofd, ze betalen geen huur, en dat is de hulp. Voor de rest moeten de bewoners zelf zorgen. Het complex is rommelig en groezelig maar het gaat; de hulp is nét, nét voldoende voor een menswaardig bestaan. Een jonge vrouw toont haar pas geboren baby. Negen dagen oud, de oogjes nog dicht. Ik feliciteer de moeder en bid in stilte voor het kind. We bezoeken een eenkamerwoninkje waarin twee jongens zitten. Ik schat ze rond de achttien, twintig. In de kamer staat een bank die van het grofvuil moet komen, bedekt met vodden die voor het bezoek opzij worden geschoven, op de vloer twee oude matrassen waarvan de plastic hoes is gescheurd, een zwart fornuis en een piepklein televisietje waarvan het snoer kapot is. De jongens giechelen, hangen en liggen op alle manieren, ze weten zich geen houding te geven. Het zijn gewezen thinnersnuivers. Naar ik begrijp zijn ze nu een paar weken afgekickt. Ik heb vaker lijm- en thinnersnuivers gezien en het is verschrikkelijk, hartverscheurend, een eenzame verdoofde hel op aarde. Deze jongens zijn aardig opgeknapt. De een woog nog twintig kilo toen hij eieren voor zijn geld koos, vertelt William. Hij is nog mager maar niet ongezond. De ander heeft een hip geknipt kapsel met ingeschoren scheiding en streepjes, oorringetjes en een ketting rond de hals. Allebei hebben ze levendige ogen, niet die in het niets starende blik die ik bij lijmsnuivers heb gezien. Ze bieden cake aan. Die ziet er niet geweldig uit maar wel zélf gebakken. De hulp van Broeder Zon bestaat uit het kale kamertje, iemand die af en toe komt kijken en de zak snoepjes. Die snoepjes worden leuk verpakt, bij verkeerslichten aan automobilisten verkocht en zo komen die jongens aan wat geld. Voor zover ik kan nagaan zijn ze grotendeels op eigen kracht van de thinner afgekomen en dat is een prestatie. Nu zijn ze lui en hebben praatjes, als alle adolescenten. Ze werken liever niet overdag maar ’s avonds verkoop je geen snoepjes. Ze willen avocado’s halen bij een van de opvanghuizen en hebben graag dat William hen even brengt. William blijft er koeltjes onder; hij neemt wel het televisietje mee om het snoer te repareren. Broeder Zon heeft ze een strohalm geboden en die hebben ze vastgegrepen. En nu maar hopen dat ze die blijven vasthouden. En dan het absolute dieptepunt: een groepje pubers op een braakliggend veldje achter een schutting. Dakloze snuivertjes. Ze hebben het thinnerblik in de hand, de weeë lucht van het oplosmiddel slaat van ze af. Lege starende blikken, vlakke trage antwoorden. Een moet heel diep zijn gevallen: ze heeft een beugel en moet dus van redelijke komaf zijn. William komt kijken of ze iets nodig hebben. Ook voor hen is er een heel klein beetje hulp.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s