Favela Rocinha

“Nee, we gaan gewoon te voet door de wijk. Het is géén aapjes kijken!” Luis is geïrriteerd omdat ik opper dat een bezoek aan de favela Rocinha eigenlijk vergapen is aan armoede vanachter een veilig busraampje om daarna tevreden huiverend terug te vluchten naar de keurige en veilige wijk Humaita. Luis is van ‘be a local’ die, behalve bezoeken aan de favela, favelaparties en uitjes naar het voetbal organiseert. Voor dit tripje heeft hij buiten mij nog vier klanten, twee Duitse hulpwerkers en twee Britse studenten die een of ander veldonderzoek doen.

Rio de Janeiro; favela Rocinha ligt in het zuiden van de stad. De wijk staat niet op mijn kaart, net zomin als de driehonderd andere favela’s van Rio. Waar de wijk moet liggen is de kaart maagdelijk groen. De hotelbebouwing langs de kust is wel aangegeven. Het Sheraton, dat met vijf sterren tot de duurste hotels van Rio behoort, ligt zó dicht tegen de sloppenwijk aan dat de gasten de bonen op het bord van de bewoners moeten kunnen tellen als ze een verrekijker hebben. Met hetzelfde instrument zouden de bewoners van Rocinha de diamanten in de halssieraden van de dames in het hotel kunnen tellen. Luis parkeert zijn auto aan de rand van de wijk, in de veilige zone van de hotels. Rocinha is steil tegen een berghelling gebouwd. De bewoners genieten van een fabelachtig zeezicht, net als de gasten van het Sheraton. We gaan verder met een motortaxi: jonge jongens op lichte motoren en wij achterop. Ze slalommen tussen de bussen en de auto’s door, over adembenemend steile hellingen met haarspeldbochten. Het is vreselijk druk. Ik heb zo’n tweehonderdduizend kilometer motorervaring maar dit doe ik ze niet na.

Favela Rochina

De favela Rochina, op de achtergrond de hotels langs de kust.

Van boven hebben we zicht op de hele wijk, een zee van huizen. Luis legt uit: “Dit is de hoofdstraat. Daar is het postkantoor. De posterijen bezorgen tot dat gebouw en vandaar nemen mensen uit de wijk de bezorging over. De bewoners betalen daarvoor elke maand een dollar.” Hij wijst op een klein gebouwtje, het medisch centrum: “Dat is natuurlijk niks voor tweehonderdduizend mensen maar het is een begin.” Het is duidelijk: Luis is trots op ‘zijn’ wijk, ook al woont hij er zelf niet. “Kijk om je heen. Wat zie je? Allemaal stenen huizen! Krotten zijn al lang vervangen door stenen huizen. Er is vooruitgang.” Ik kijk neer op keurig betegelde dakterrassen. Allemaal verschillende tegels, netjes gelegd in leuke patronen. “Resten uit de bouw” verklaart Luis. We lopen door de wijk naar beneden. Vreselijk nauwe steegjes. Luis: “Twintig jaar geleden kon hier een auto rijden. De mensen hebben hun huizen geleidelijk uitgebouwd en nu is dit steegje nog over. Dat is óók vooruitgang.” We passeren kruideniers en slagers, drogisten en kapperszaken. Kinderen hollen door het steegje, in het wit-oranje shirt van de gemeenteschool en met het schooltasje op de rug. Ze gaan naar school voor halve dagen, net als alle andere Braziliaanse kinderen. In een hoek ligt een stapel vuilniszakken. Mannen zijn bezig de rommel op te ruimen. Ze dragen het shirt van een gemeenschapsproject. Het is redelijk schoon in de wijk. Deze wijk heeft een normale economie, zij het op microschaal, en normale dienstverlening. We moeten even plaats maken voor een enorme neger met een spiksplinternieuwe wasmachine op de schouder. Hij houdt het ding met een hand vast en groet ons met de ander, zoals alle Brazilianen door het opsteken van zijn duim. Luis: “Kijk eens binnen in de huizen. Wat zie je? Televisie en radio en de meesten hebben ook een koelkast en een wasmachine. Allemaal gekocht op afbetaling. Zo gaat dat hier.” Het gemiddelde inkomen ligt rond de vijfhonderd reais, tweehonderd dollar, per maand. Ongeveer de helft van de mensen heeft werk – Luis wijst naar beneden naar de kust – in de hotels en restaurants. De bewoners van Rocinha betalen geen belasting en omzeilen de elektriciteitsmeters. Luis tikt tegen een meter om het te demonstreren; die staat op ‘1’. Maar wonen in Rocinha is duur; de huurprijzen liggen rond de vierhonderd reais. Aan nieuwbouw valt niet te denken, elk bruikbaar plekje is al benut.

Elektriciteitsvoorziening.

Elektriciteit wordt illegaal afgetapt.

Halverwege tussen boven en beneden ligt het cultureel centrum. Ja, Rocinha heeft een cultureel centrum. Het wordt gesponsord door de Banco de Brasil en Petrobras en nog wat grote ondernemingen. In Brazilië wordt veel gesponsord; ‘social’ heet dat. Het centrum heeft een computerlokaal, een theaterzaaltje en een kunstatelier. Hier is de kunst waarnaar ik in Brazilië heb uitgekeken: kleurig en vrolijk; volkskunst, kunst van het hart, geen intellectuele kunst die zich druk maakt over stijlen en stromingen, ‘conceptueel’ is of ‘experimenteel’. Ik vraag de kunstenaar of hij connecties heeft. Jawel, af en toe probeert hij wat te verkopen aan de toeristen langs het strand. Dat is de verkeerde soort connectie, niet in de kunstbusiness maar in de souvenirbusiness. Geen van de kunstenaars uit het centrum heeft een relatie met een galerie en dan wordt het erg moeilijk om van de kunst te leven. Jammer. Tegen de deurpost hangt een lange zwarte slungel, het type waaraan Brazilië erg rijk is. In het uniform van de armen: voetbalbroekje, voetbalshirt en slippers aan de pootjes. Douglas heet‘ie en in zijn handen heeft hij een werkje dat hij mij wil laten zien en natuurlijk verkopen. Het is een gezicht op Rio; kleurrijk en kinderlijk geschilderd met acrylverf op hardboard. Ik koop het voor dertig reais, als aanmoediging en in de hoop een vroeg werk te hebben gekocht van een later heel beroemd kunstenaar.

Het cultureel centrum van Rochina.

Het cultureel centrum van Rochina.

Boven is de wijk redelijk schoon maar naar beneden toe wordt het viezer. Veel zwerfvuil en het stinkt. Het pad wordt glibberig en er liggen hondendrollen. Ook vuil gehoorzaamt aan de wetten van de zwaartekracht. Boven is het betere deel van Rocinha. In de verte klinkt geknetter van vuurwerk: benden die waarschuwen voor de komst van de politie of voor elkaar. Zo gewoon is de wijk nou ook weer niet. Plotseling wordt Luis paniekerig: “Niet fotograferen, nu niet fotograferen.” Er staan drie jongens met vuurwapens op het platte dak van een huis. Even later passeren we er nog twee in de steeg, met het pistool in de hand. Het zijn leden van de AdA-bende, Amigos dos Amigos (vrienden van vrienden), die een jaar geleden hun deel van de wijk hebben veroverd en nog niet helemaal zeker zijn van hun positie. De ontmoeting is het spannendste deel van de trip. Luis weet niet hoe snel hij ons het kinderdagverblijf moet inloodsen en daar kijkt hij nog een paar keer door het raam naar buiten. Hij is heel zenuwachtig geworden. Ik vraag hem er later naar maar hij wil er niet over praten. “Er is niets gebeurd” zegt hij.

Graffiti in Rochina.

Graffiti in Rochina.

Het kinderdagverblijf wordt gesteund door ‘be a local’ en hoort tot de verplichte nummers van de trip, net als het cultureel centrum. Er hangen briefjes in het Engels met het verzoek de lokalen niet te betreden met schoenen aan, vanwege het straatvuil, en er staat natuurlijk een donatiebus. Het is een kleurig gebouw, als elk kinderdagverblijf, met witbetegelde vloeren, zalmkleurige muren, matjes en bedjes, tekeningen en knipsels. Er is een badruimte en een keuken, brandschoon. Ik zie ongeveer dertig peuters en kleuters. De naschoolse opvang moet nog komen. Er worden drie maaltijden per dag verzorgd; vanmiddag eten de kinderen kip met rijst en bonen en gekookte groenten. Deze kinderen krijgen thuis niet te eten; de ouders zijn aan de drank of aan de drugs, vaak aan allebei. Ik vraag of honger voorkomt. Ja, het komt voor. In dit land, waar eten soms de dimensie van een grande bouffe nadert, komt honger voor.

Toch nog plotseling zijn we beneden, aan de grote weg op de grens van de favela en de gewone wereld. De overgang wordt treffend gemarkeerd door een politieauto met zwaargewapende en kogelwerende vesten dragende agenten. Luis: “Als jullie niet met mij zouden zijn, dan zouden ze jullie van top tot teen hebben gefouilleerd op het bezit van drugs.” Het is onzinnig: in de keurige wijk Humaita staat op straat een jongen die cocaïne verkoopt. Hij sprak me aan, ik begreep eerst niet wat hij wilde. Toen hij een neusgat dichtdrukte en snoof begreep ik wat hij wilde. Je hoeft Rocinha niet in om drugs te kopen. De handel wordt thuis bezorgd.

In de auto, terug naar het middenklasse leven, heerst stilte. Luis piekert waarschijnlijk nog over de ontmoeting met de AdA-bende. De Duitsers werken vlijtig hun aantekeningen uit en de Britten zijn in slaap gevallen. Rocinha is meegevallen maar Rocinha is dan ook een geürbaniseerde favela, een betere buurt. Er zijn veel ergere buurten maar daar gaat ‘be a local’ niet heen; Luis is niet suïcidaal. De armoede van Rocinha is de armoede die ik op veel plaatsen ben tegen gekomen. Khumsan in Luxor woont met tien familieleden in een klein bakstenen huisje met twee kamers. In Centraal Azië en in Rusland maakte ik kennis met de armoede van de lege maag: “Alstublieft, koopt u een broodje voor me, alstublieft.” Een lege maag is nog geen honger, lang een lege maag hebben leidt tot honger. De armoede van Rocinha is niet mijn schokkendste ervaring. Wat maakt Rocinha bijzonder? Rocinha is een achterbuurt, een buurt met eigen normen en regels, een buurt waar niet de overheid de baas is maar de benden. Dat is het probleem van Rocinha en dat is een heel taai probleem. Het is niet het probleem van een onverschillige overheid of een onverschillige samenleving. Rocinha mag dan niet op de kaart staan en officieel niet bestaan, er is wel een buslijn, er is elektriciteit aangelegd, er is een medisch centrum en langs de berghelling is een aquaduct gebouwd om te voorkomen dat de wijk door het regenwater wordt weggespoeld. Het is niet voldoende maar het is zeker ook geen onverschilligheid. Het bedrijfsleven, Petrobras en de Banco de Brasil voorop, sponsort tegen de klippen op en zet mensen aan het werk. De helft van de bevolking van Rocinha heeft werk. Dat is niet voldoende maar op het vlak van ‘werk, werk, werk’ levert Brazilië prestaties die grote indruk maken. Er zijn gigantische legers vuilnisophalers, plantsoenarbeiders en parkeerwachters, in een hesje met ‘estacionemente’ erop en de vergunning om de nek. Op elke bus zit een conducteur en er zijn vreselijk veel bussen. De omvang van de bewakingsindustrie is verbijsterend. De jeugdherberg in Humaita heeft full time een bewaker in dienst, naast acht andere medewerkers, die niets anders doet dan staan. De leden van de middenklasse hebben allemaal een hulp in de huishouding, de rijken bovendien nog een kindermeisje en een tuinjongen. Als ik bij Lav&Lev mijn was doe, zie ik de een na de ander, op de fiets met een mand voorop, de hemden van meneer en de jurken van mevrouw brengen of halen. Dan heb ik het nog niet over de enorme aantallen taxichauffeurs, koeriers, obers, krantenverkopers. Allemaal eenvoudig ongeschoold werk, het soort werk waarmee de bewoners van de favela’s uit de voeten kunnen. Ik vraag me af of er nog een werkgelegenheidsgaatje te vinden is en nog is het niet voldoende.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s