Veilig in Brazilië

Er zijn twee routes naar het noorden: de Andesroute, tot Quito en vandaar per vliegtuig naar Panama, en de Braziliëroute naar Caracas in Venezuela en vandaar per vliegtuig naar Miami. Vrijwel alle motorrijders nemen de Andesroute die heel spectaculair is. Ik  ben dwars en koos voor de Braziliëroute.

Porto Alegre is mijn eerste Braziliaanse stad. Een groot deel van de mensen daar, misschien wel de meerderheid, is zwart en de straatverlichting slecht. Donkere mensen die me aanstaren en nakijken, tegen een donkere achtergrond. Dat voelt eng. Onveilig. Onredelijke blanke angst want niemand heeft er een vinger naar me uitgestoken. Toch is er wel wat aan de hand met veiligheid in Brazilië. De Lonely Planet, die doorgaans zo optimistisch is dat het bijna manisch is, schrijft: “Accepteer nu maar dat je beroofd wordt en anticipeer daarop.” Dat is niet geruststellend. Een Portugese journalist vertelde me over Rio de Janeiro: “Op het strand van Copacabana stalen straatkinderen de beurs van een toerist maar er zat geen geld in. De kinderen zijn de toerist achterna gegaan en hebben hem neergestoken. Als vergelding.” Copacabana is het best bewaakte strand van heel Brazilië. Het is natuurlijk een verhaal van iemand over iemand anders maar in Foz do Iguaçu kwam de onveiligheid dichtbij. Ik was er voor de beroemde watervallen – er valt daar een hele rivier in de diepte – en logeerde in de jeugdherberg. Die ligt in een buurtschap buiten de stad en een eindje van de weg die naar de watervallen leidt. In de jeugdherberg ontmoet ik twee Noorse meisjes en ze zijn nogal aangeslagen. Bij de bushalte aan de hoofdweg zijn ze overvallen en beroofd door twee mannen met een vuurwapen. Alles kwijt: rugzakken, fototoestel, paspoorten, geld, creditkaarten. Ze stonden daar bij die bushalte om acht uur ’s avonds, in het donker. Dat is natuurlijk niet slim maar dat is achteraf praten; ze stonden daar en zijn overvallen. Dan komt de onveiligheid dichtbij.

Het drama van de Noorse meisjes zette mijn ongerustheid uit Porto Alegre om in een staat van paniek. Ik ben in het verkeerde land! Ik heb de verkeerde route naar het noorden gekozen! Dáárom neemt niemand de Braziliëroute! Ik heb de landkaart bestudeerd om te zien of ik alsnog op de Andesroute zou kunnen uitkomen. Het is niet haalbaar: te ver omrijden of teveel obstakels. Ik heb overwogen naar Rio de Janeiro te rijden, direct naar het vliegveld en, hop, naar Miami. Over Rio ging het verhaal van de Portugese journalist. Veel te gevaarlijk; op de motor in een stad ben ik een gemakkelijk doelwit. De Lonely Planet waarschuwt “Ga nooit een favela [sloppenwijk] in” maar hoe weet ik waar die wijken liggen? Ik heb zelfs overwogen naar het vliegveld van Foz do Iguaçu te gaan en vandaar, via Rio en zonder de luchthaven te verlaten, naar Miami te vliegen. Het kan me niet schelen hoeveel het kost. Ik heb heel slecht geslapen. Het voordeel van slecht slapen is dat je kunt nadenken en jezelf tot kalmte kunt brengen door in het geheugen te zoeken naar soortgelijke ervaringen. Toen ik voor het eerst in Syrië kwam was ik bang want ik kende de Arabische wereld niet. Ik ben naar Latakiya gegaan, de meest westerse stad van Syrië, en vanaf die vluchtheuvel heb ik met de Arabische wereld kennis gemaakt. Uiteindelijk viel het allemaal erg mee. Nergens heb ik me meer thuis en veilig gevoeld dan juist in de Arabische wereld. In Brazilië is Curitiba zo’n vluchtheuvel, ‘a capital social’, een Braziliaans succesverhaal van veel welvaart en weinig criminaliteit.

Het is koud en regenachtig en ik kom in het donker aan. Gelukkig is Curitiba een overzichtelijke stad en de jeugdherberg in het centrum is gauw gevonden. Ik heb vooraf geboekt om niet het risico te lopen naar een hotel te moeten zoeken. De manager: “Rijd uw motor onmiddellijk naar de binnenplaats, voor de veiligheid.” Twee stalen deuren gaan open en achter me ook gelijk weer dicht. Voor de deur staat een bewaker. “Voor de veiligheid” legt de manager uit. Hij wijst naar het winkelcentrum aan de overkant van de straat: “Daar zijn veel restaurants en het is veilig.” Ik ben er geweest; het barst er van de camera’s en van de bewakers. Stevig gebouwde zwarte jongens in een zwart pak met een portofoon in de hand en een onverbiddelijke uitstraling. De beveiliging detoneert zó met de rustig kabbelende winkelomgeving dat het hilarisch is: dit kan niet serieus zijn. Ik heb een leuk dagje in Curitiba doorgebracht, het historische centrum bekeken en gewinkeld zonder bedreigd of beroofd te worden.

Na de geruststelling van Curitiba – niks aan de hand – wordt Sāo Paulo de testcase: zestien miljoen inwoners, bijna even veel als in heel Nederland, en gevaarlijk. Sāo Paulo wordt gevaarlijker geacht dan Rio de Janeiro waar het verhaal van de Portugees over ging. Vanuit Curitiba heb ik de jeugdherberg geboekt bij de Praça da Arvore. Volgens de folder is dat een veilige buurt. De paniek is bezworen maar veiligheid staat wel hoog op de zorglijst. Voorlopig is overigens de grootste zorg die herberg te vinden want ik heb geen flauw idee waar de Praça da Arvore is. Vijftig kilometer voor de stad klamp ik een motorrijder aan; aan zijn nummerbord zie ik dat hij uit Sāo Paulo komt. De Praça da Arvore is een plein en hij weet waar dat is: “Ik breng je tot de Avenida Paulista. Die moet je helemaal uitrijden, ongeveer vijf kilometer, en dan kom je bij de Praça da Arvore.” Als we de stad binnenrijden is het spitsuur: vier rijen dik en alles krioelt door elkaar. Mijn gids slalomt tussen de auto’s door. Af en toe kijkt hij achterom om te zien of ik het nog kan bijbenen en knikt me bemoedigend toe. Over bruggen en door tunnels; ik heb geen flauw idee waar we zijn en ook geen tijd dat te overdenken. Dit is Sāo Paulo! Het is zestien kilometer van de stadsrand tot het centrum. Dan wijst mijn gids op een bord: Avenida Paulista rechtsaf. Ik bedank, geef een hand en dan de Avenida op. De Avenida Paulista is gigantisch breed en van alle kanten komt verkeer op. Naast me rijdt een meisje op een motor. “Waar naar toe?” “Praça da Arvore” schreeuw ik boven het verkeerslawaai uit. Ze wijst op een paal met een naam er op: “Let op die palen. Dat is de metro, Praça da Arvore heeft een metrostation.” Het is niet vijf maar acht kilometer voordat ik de paal ‘Praça da Arvore’ zie en ik ben nog steeds downtown. Sāo Paulo is enorm. De jeugdherberg is gauw gevonden. Een agent wijst “Hier de Rua Caramuru op en dan de vierde straat rechts.”

Sāo Paulo.

Sāo Paulo is een megastad.

De huizen hebben hoge hekken en alarmzoeklichten en de jeugdherberg heeft een stalen deur en een camera. Maar er lopen mensen op straat die hun hond uitlaten. Zolang mensen hun hond uitlaten is een straat niet bijzonder gevaarlijk. Ik heb de maatregelen genomen die iedereen neemt. Wat ik niet nodig heb blijft in mijn locker in de jeugdherberg. Ik heb een kopie van mijn paspoort bij me en geld en creditkaart verdeeld over mijn zakken. Ik let op de aanwezigheid van agenten en bewakers. Ik ga geen zijstraten in waar weinig mensen lopen. Verder schuim ik de stad af, te voet, met de bus en met de metro. Ik voel me op mijn gemak in Sāo Paulo, de gevaarlijkste stad van Brazilië.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s