De Lach

Ik heb Uruguay in een week ‘gedaan’; langs de kust: Fray bentos, La Colonia, Montevideo en bij Chuy de Braziliaanse grens over. Uruguay is een klein en onbetekenend land. Tjongejonge, wat is dat land onbetekenend! Chili is al onbetekenend, een bijrol op het wereldtoneel, maar Uruguay staat echt helemaal in de coulissen. Absoluut onbetekenend, niet omdat het in de schaduw staat van de naburige giganten Argentinië en Brazilië; het is onbetekenend in zichzelf. Het land heeft niet eens een echte naam: Republica Oriental del Uruguay, de republiek ten oosten van de (rivier) Uruguay. Een plaatsbepaling. De inwoners noemen zich “orientales”, oostelijken; ook al geen eigen naam. De vlag is een bewerking van de Argentijnse – blauwe banen op een witte achtergrond en een gouden zon – maar niet zo gedistingeerd. Montevideo is de hoofdstad en heeft volgende de Lonely Planet een “lively buzz”. Ik waardeer altijd het optimisme van de LP maar dat slaat nergens op: er buzzed daar echt helemaal niks. Het viel me al op toen ik Montevideo naderde: een snelweg maar nauwelijks verkeer er op. Oké, het was zaterdagmiddag en dat verklaart wellicht het weinige verkeer maar juist op zaterdagmiddag verwacht ik levendige drukte in het centrum. Uitgestorven, op een paar straatjes in het historische centrum na met cafés en restaurants en de Mercador del Puerto, met dezelfde nering. Een provinciestad. Ik ben er twee dagen gebleven maar had de stad gemakkelijk in een dag kunnen bezichtigen. Hetzelfde geldt voor la Colonia de Sacramento, de highlight van Uruguay, volgens de Lonely Planet. Een volkomen gaaf historisch centrum met lage huizen langs hobbelstraatjes en rustieke pleintjes omzoomd door platanen. Veel restaurants en galeries zonder klanten. Heel mooi, heel romantisch en daarom zó saai. Golvende heuvels, weilanden, keurig gemaaide wegbermen en nette boerderijen, niet te groot en en niet te klein; Uruguay wordt wel het Zwitserland van Zuid Amerika genoemd. Zo saai als Zwitserland.

La Colonia del Sacramento: Ford model T, pick-up

La Colonia del Sacramento: Ford model T, pick-up, 1922.

En daarom was ik er in een week doorheen – het had ook in vier dagen gekund – en sta ik bij de Braziliaanse grenspost. De douanebeambte bekijkt geïnteresseerd de visa in mijn paspoort. “Turkmenistan … en deze is van Mongolië. Hoe ziet Mongolië er uit?” “Een pampa” zeg ik want dat type landschap kent hij vast wel. “En hoe is het eten daar?” “Mwahhh…” Ik ben er zeker van dat de Mongoolse keuken niks is voor een Braziliaan. “En hoe ziet Holland er uit?” Jezus Christus, hoe ziet Holland er uit… “Ook een pampa” zeg ik want iets beters wil me niet te binnen schieten. Ik heb geen vooruitziende blik: direct voorbij de grens ligt het Hollandste van de Hollandse landschappen. Groen en vlak, weiden met koeien en sloten, heel veel water, ’n horizon van driehonderdzestig graden en daarboven ’n hoge dunne grijze lucht met een lichtende vlek waar de zon schuilt. Zo’n lucht die aan het landschap de ruimte geeft die zo mooi verwoord is in de dichtregel “Denkend aan Holland ziet ik brede rivieren traag door oneindig laagland stromen”. Die regel moet je hardop uitspreken; de klank en het ritme – traag door oneindig laagland – is de treffendste verbeelding van het Hollandse landschap. Land waarin de tijd is vastgelopen. En zo’n landschap, het mooiste kunstwerk ter wereld, zo’n landschap ligt ook hier, in het uiterste zuiden van Brazilië!

Hollands landschap in Brazilië.

Net over de grens, in Brazilië: het Hollandste van de Hollandse landschappen

Bij de grens is ook een toeristenbureau en dat bureau wordt bemand door een jongen met geblondeerde lokjes in zijn donkere haar en met de breedste lach die ik in tijden heb gezien. Die lach voorspelt dat ik een ervaring van Totale Dienstverlening tegemoet ga. Ik vraag of hij een wegenkaart heeft. Die heeft’ie en het is een goede kaart, eentje die aangeeft of een weg verhard is. Ik leer er uit dat ik beter niet de kustweg kan nemen, wat ik van plan was, omdat die voor het grootste deel onverhard is. Daar heb ik geen zin in. De jongen wacht geduldig tot ik klaar ben met het bestuderen van de kaart en dan is het zijn beurt. Waar ik vandaag naar toe ga – naar Pelotas – en hoe lang ik daar denk te blijven. “Maar één nacht?” Ik moet beslist het naburige Rio Grande bezoeken dat prachtige stranden heeft en een casino. Hij kijkt me vragend aan: “twee dagen?” Ik wil hem niet teleurstellen. “Muy bien” en hij noteert twee dagen op zijn staatje. “En waar gaat u daarna naar toe?” “Naar Porto Alegre” De Lach straalt. “En hoe lang blijft u daar?” “Een dag, om nieuwe banden te kopen” “Een dag? Porto Alegre is een heel mooie stad, er is veel te zien en er zijn interessante musea. Laat ‘ns kijken: een dag voor uw banden en twee dagen om de stad te bezichtigen. Dat zijn samen drie dagen, ja?” Hij beseft dat ik een heel ruw reisplan heb en geen tijdplan – dus eigenlijk helemaal geen plan – en daar gaat hij wat aan doen. “Drie dagen dus. En daarna?” “Daarna ga ik naar de missiepost van Sao Miguel” Hij kijkt op de kaart: “Er zijn daar drie missieposten vlak bij elkaar. Om die te zien hebt u zeker twee dagen nodig.” Hij vraagt van mij geen bevestiging meer en telt twee dagen bij op zijn staatje. “En dan?” jubelt de Lach want hij heeft er schik in. “Dan ga ik naar Argentinië.” “Naar Argentinië?” De lach verdwijnt. Ik wil die lach terug en daarom zeg ik gauw “Ik rijd door Argentinië naar Iguazu om de watervallen te bezichtigen en daar steek ik weer de grens met Brazilië over.” De lach keert terug. “Oh … maar om de watervallen te bezichtigen hoeft u helemaal niet door Argentinië. Kijk …” hij wijst me een route aan, helemaal over Curitiba en dat is een afschuwelijk eind om. “Dus twee dagen in Iguazu en ook een dag in Curitiba – mooie stad, mag u niet missen – dat maakt samen drie dagen.” “En dan?” “Sao Paulo.” “Muy bien. Drie dagen Sao Paulo. En dan?” “Dan ga ik naar Rio de Janeiro.” “Geweldig! Zeker vijf dagen Rio.” Hij gaat zijn staatje optellen; Rio ligt kennelijk aan de grens van zijn rayon. “Eens kijken … reistijd er bij … u bent hier toch zeker dertig dagen. Muy bien!” De Lach stráált; hij wordt vast en zeker per toerist per geplande verblijfdag betaald. “Mag ik ook uw naam weten en het land waar u vandaan komt?”. Ik weifel even. Ik ben bang dat ik zijn staatje moet tekenen, dat ik er aan vast zit, dat hij gaat bellen om te zien waar ik uithang en of ik me wel aan het plan houd. Het valt mee, het is voor de statistiek. “Utrecht. Nooit van gehoord. Waar ligt dat in Holanda? Ten zuiden van Amsterdam? Ook nooit van gehoord…” Nu gaat’ie uitdelen. “Kijk, een folder met de toeristische gebieden van Rio Grande Do Sol en hier hebt u wat ansichtkaarten met belangrijke telefoonnummers er op (het nummer van het toeristenbureau staat boven aan) en een folder van het Curihotel in Pelotas, dat is erg goed [het heeft ook zes sterren] en een boekje over veilig rijden, een sticker die laat zien dat u meedoet aan onze actie Veilig Rijden en een kleurboekje voor de kinderen.” Het is een hele stapel die ik met moeite in mij rugzakje kan wringen. “Goede reis. Als u iets nodig hebt, bellen hoor!” Hij wuift me na. De Lach. Dertig dagen… We zullen zien.

Rio Grande do Sul, São Miguel das Missões: missiepost.

Rio Grande do Sul, São Miguel das Missões: ruïne van een missiepost.

Tot nu heeft de Lach het gelijk aan zijn kant. Ik ben twee dagen in Porto Alegre gebleven omdat het vinden van nieuwe banden niet gemakkelijk was – ik heb Pirelli MT60 banden gekocht – en twee dagen in Sao Miguel omdat het pijpenstelen regende.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s