De oude indiaan

We roken zwijgend een sigaret aan de ontbijttafel van het hostel in Copiapo. Hij heeft een grote haakneus, een donker gelooide huid met diepe plooien en dun zwart achterover gekamd haar. Een oude indiaan. Hij draagt een blauw overhemd met lange boordpunten, een bruine broek met een streepje, bruine schoenen en een lange wollen overjas. Om zijn hals heeft hij een sieraad met een groot kristal en om zijn pols een dunne gouden armband. Een oude indiaan en een don, maar dan een van veertig jaar geleden. Hij is een habitué in het hostel. Dat zie je wel vaker: oude alleenstaande mannen als vaste bewoner. Zijn pensioentje of spaargeld biedt een fundament onder de familie-economie van het hostel, een inkomen waar je op kunt rekenen. In ruil daarvoor wordt er voor hem gezorgd: zijn kamer wordt schoongemaakt en zijn kleren gewassen, hij eet met de familie mee en er wordt ook nog een beetje op hem gelet. Zo’n habitué, dat kan gemakkelijk in een hostel: zelden zijn alle kamers nodig en komt het ’n keer voor dan trekt hij een nacht bij de familie in en wordt zijn kamer gegeven aan de gast.

Die sigaret heeft hij van me gebietst. We drinken koffie en roken en zwijgen. Ik denk over de terugreis naar Argentinië. Welke pas over de Andes? Die bij La Serena of die tussen Santiago en Mendoza? De pas bij La Serena zou spectaculair zijn maar de weg van Santiago naar Mendoza is vast en zeker beter. Plotseling: “De donde?”, vanwaar? “Hollanda.” Stilte. Ik ben alweer in mijn eigen gedachten verdiept als hij zegt “Het is lang geleden dat ik onze taal gesproken heb.” De zin komt er haperend uit. Stilte. Dan: “Mijn vader is van daar, mijn moeder is van hier.” Hij heeft alles van zijn moeder maar van zijn vader de taal. Hij staart voor zich uit. In zijn hoofd worden woorden en grammatica uit oude archiefdozen opgediept, afgestoft en samengeklonken. Het resultaat is aarzelend maar correct Nederlands. Uit die dozen komen ook herinneringen aan zijn vader, aan … . “Hoe is het met Koningin Wilhelmina?” “Die is dood, al veertig jaar.” Stilte. “Ze had een dochtertje, er was een prinsesje …” “Juliana. Die is ook dood.” “Ach. ‘Wie is nu …?” “Beatrix, Beatrix is nu de koningin.” Hij zoekt in zijn jaszak en diept een papiertje op. “Wilt u die naam voor mij schrijven?” Ik schrijf in blokletters ‘Beatrix’ en geef het papiertje terug. Hij pakt het aan, leest en vraagt “Beatrix?” Ik geef een sigaret die hij bedachtzaam aansteekt. Dan staat hij op, maakt een lichte buiging en zegt “Het is lang geleden dat ik onze taal gesproken heb.” Hij loopt de kamer en het hostel uit.

Plotseling heb ik veel vragen. Uit welke plaats komt zijn vader? Waarom is zijn vader naar Chili gekomen? Hoe was het om een Nederlandse vader te hebben? Wat weet hij nog van Nederland? Veel vragen naar herinneringen. Ik loop naar buiten maar hij is niet meer te zien. Ik vraag de bazin van het hostel waar ik hem kan vinden. Ze lacht: “Och, die kan overal zijn. Hij gaat wandelen, misschien kaarten. Tegen de avond komt hij terug.”

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s