Carretera Austral

Voorbij Puerto Montt begint de Carretera Austral. Voluit: Carretera Longitudinal Austral de Presidente Pinochet. Ja, die. Het is de eerste keer dat ik in Chili iets naar Pinochet vernoemd zie. Hij heeft de weg laten aanleggen om snel troepen te kunnen verplaatsen naar de grens met Argentinië in het uiterste zuiden. Het botert niet tussen Chili en Argentinië, ook niet toen beide landen dictaturen waren van dezelfde snit. Het is een karrenspoor waaraan Pinochet zijn naam heeft gegeven, met veel grof grind, af en toe dikke grindlagen, keien, kuilen, wasbord. Wasbord is een marteling: je wordt er helemaal door suf geschud. Er is maar één manier om daar overheen te komen: snelheid, minimaal veertig kilometer per uur maar zestig is eigenlijk beter. Zestig kilometer per uur over een smalle bosweg vraagt stalen zenuwen. Het verstand weet dat een lagere snelheid moeizamer en risicovoller is maar het gevoel spreekt anders. Om de motor onder controle te houden moet ik vooral mezelf onder controle houden. Hand en voet van de rem! Voeten op de steunen houden! Toch breekt de paniek soms naar buiten. Omdat het wegdek van kleur verandert, “wat is dat daar?”, vanwege de onzeker makende afwisseling van licht en donker in het bos, door de aanblik van een steile helling, uit vermoeidheid want jezelf onder controle houden is erg vermoeiend. Zelfs in paniek moet de paniek gekanaliseerd worden. Gas dicht, terugschakelen, voorzichtig bijremmen met de achterrem. Blijf met je poten van de voorrem! Bedwing zo lang mogelijk de neiging om de benen te spreiden. Stop. Poeh, het is weer goed afgelopen. Op adem komen, het hartbonken laten wegebben, een sigaret roken. Dan weer opnieuw beginnen: over het grind en het wasbord zien te komen, snelheid maken. Ik leer, maar iedere dag opnieuw moet de ervaring worden wakker gemaakt. De aanblik van een brug van losliggende kromgetrokken planken, een paar diepe kuilen er voor en een steile met grind bedekte helling er achter. Het gaat niet vanzelf.

Carretera Austral

De Carretara Austral: een karrenspoor door het bos.

Van Chaiten naar Coyhaique is driehonderdvijftig kilometer door het bos. Het is lekker warm en zonnig en dan is het bos prachtig. Majestueuze beuken (Nothofagus, de Zuidelijke Beuk, een ver familielid van de Europese beuk), myrtaceaen met rode stammen, bamboe, iets dat lijkt op groot hoefblad en fuchsia, lupine, blauwe slangenwortel en andere voorjaarsbloemen in de bermen. Geen ongerepte wildernis: overal staan en liggen de stompen van lang dode bomen. Dit deel van Chili is in de jaren veertig van de vorige eeuw ontgonnen. Niet door het bos om te hakken maar door het te verbranden. Om weidegrond te verkrijgen. Hele gebieden zien er uit als knekelvelden. Het bos heeft het verloren terrein grotendeels terugveroverd maar nog overal zichtbaar zijn de grijze stompen, beschuldigende doodsbeenderen te midden van het nieuwe leven. In de loop van de dag betrekt de lucht en het gaat regenen. Dan verandert de sfeer van het bos. De dood treedt op de voorgrond, boomgeesten waren rond. Die enorme bomen worden norse toeschouwers langs de weg en wraakzuchtige belagers met grijpgrage takken en druipende mosbaarden. Een eng bos. Juist hier wordt aan de weg gewerkt. Vrachtauto’s en bulldozers hebben het wegdek vermalen tot een modderbrij en daarover glibber ik helling op helling af. Het gaat. Het gaat bijna mis als ik op een modderhobbel blijf steken. Twee wegwerkers snellen toe en geven de duw die nodig is om over de hobbel heen te komen. Ik kan mijn hand niet opsteken om te bedanken. Modder, keien en kuilen. Door de regendruppels op het vizier kan ik de kuilen niet goed zien en iedere kuil waar ik in donder zorgt voor een modderfontein. Zó nat en zó koud! Zestig kilometer voor Coyhaique begint godzijdank asfalt. De regen wast de modder van kleding en motor zodat ik toch nog redelijk schoon Coyhaique binnenrijdt. Totaal afgepeigerd. Niet de eerste keer.

Geen ongerepte wildernis: overal staan en liggen de stompen van lang dode bomen.

Grijze stompen, beschuldigende doodsbeenderen te midden van het nieuwe leven.

Coyhaique. Vooral houten huizen. De Banco de Chile en het benzinestation zijn in steen opgetrokken. Coyhaique heeft geen bezienswaardigheden en geen bijzondere landschappelijke ligging. Coyhaique is er alleen maar omdat een streek nu eenmaal een verzorgingscentrum moet hebben voor de bevolking en de toeristen. Dus is er een dealer in landbouwwerktuigen, een Honda garage, een grote supermarkt, touroperators die ‘Patagonia’ heten of ‘Adventure’ of een samentrekking van beide, veel souvenirwinkels – souvenirs met het opschrift ‘Coyhaique’ opdat je de plaats niet zult vergeten – en café-restaurants. Het is zondag en bijna alles is gesloten op de supermarkt, het benzinestation en een paar café-restaurants na. Het regent en het is koud. Toeristen in regenpakken sjokken verveeld langs de etalages van de gesloten winkels. Veel rugzakjongeren. Een soldaat vrijt zijn meisje op in het diepe portiek van de evangelisatiewinkel. Dat is Coyhaique. Ik ben er voor de geldautomaat van de Banco de Chile, voor de supermarkt en voor het internet. Verder loop ik met mijn ziel onder de arm, als de andere toeristen. ’s Middags neem ik Kaffee mit Kuchen bij café-restaurant Ricer en ’s avonds eet ik bij Café Express dat vol zit met voetbal kijkende mannen. Alle tafeltjes die uitzicht bieden op de televisie zijn bezet door mannen die één kleintje pils voor zich hebben staan. Voor mij wordt een hoekje vrijgemaakt zodat ik ook kan kijken. Twee jongetjes in veel te grote regenjacks komen een maaltijd ophalen. Als de bestelling wordt gebracht openen ze het aluminium deksel van het bakje. Er zitten frieten in. Ze eten het bakje half leeg en vouwen dan voorzichtig het deksel dicht. Die krijgen klappen als ze thuis komen. Ik ga ook naar huis, naar mijn hostel, met een literpak wijn in mijn rugzak. Daar heb ik behoefte aan.

Coyhaique is nog een wereldstad vergeleken bij oorden als Hornopiren of Chile Chico. Stoffige straten dragen daar de namen van Chileense helden. O’Higgins, Arturo Prat, Cochrane, Ibanez. Als die helden konden zien aan welke stofnesten hun naam verbonden was, zouden ze zich omkeren in hun graf. Hornopiren bestaat alleen omdat er een onderbreking is in de Carretera die met een veerboot moet worden overbrugd. Die boot komt om twee uur ’s middags aan en vertrekt weer om vier uur. Toeristen stranden er en daar leeft Hornopiren van: een cafetaria, een paar hostels. Chile Chico bestaat omdat er de grens met Argentinië is. Het is iets levendiger dan Hornopiren. Er is een supermarkt, een internetcafé, een restaurant en een markt en ’s avonds is er feestverlichting in de hoofdstraat. In Hornopiren zitten de mensen op de bankjes van de Plaza de Armas. De honden slapen er naast. In Chile Chico kuiert de bevolking de boulevard O’Higgins op en af. Wachten. Wachten tot zich een kans voordoet. Misschien vestigt er zich een zalmkwekerij of een houtbedrijf, misschien komt er wel een overheidsinstituut. Het is wachten op Godot. In grote delen van de wereld bestaat het leven uit wachten, wachten op de strohalm, op de kans. Je zal maar achttien zijn, wonen in Hornopiren of Chile Chico en de wereld willen veroveren. Hornopiren en Chile Chico hebben een jeugdhonk, een gammele loods. In het honk van Hornopiren draait de Cine Movil de Passie van Christus. Toegang gratis. In het honk van Chile Chico leren jongens elkaar breakdancen. De meiden hangen in stoelen en kijken verveeld naar de verrichtingen van de jongens. In grote delen van de wereld wordt heel weinig van mannen verwacht. Er leuk uit zien, een beetje gek doen, opzitten en pootjes geven. Voor de meiden zijn die jongens oefenobject voor het latere moederschap. In Centraal Azië, in Rusland en ook hier doe ik zaken met vrouwen. De economie is in handen van vrouwen, niet van mannen. In Puerto Varras logeerde ik in hostal Klein van Frau Klein. Natuurlijk heeft Frau Klein een man. Het heeft een tijd geduurd voor ik hem opmerkte. En ik merkte hem pas op omdat Frau Klein begon over haar dochters. Hij glipt als een schaduw langs de muur, leest aan tafel de krant of doet eenvoudige karweitjes in opdracht van Fraulieb. In Chile Chico verblijf ik op een camping die gerund wordt door een vrouw. Haar man harkt het gras en bouwt een drooghok. Zij komt telkens kijken en aanwijzingen geven. Mannen zouden inwisselbaar zijn voor een geranium maar een man doet een iets effectiever beroep op het moederinstinct, kan eenvoudige karweitjes opknappen en van een geranium word je niet zwanger. Mannen ….

De veerboot in Hornopiren.

Hornopiren bestaat alleen omdat er een onderbreking is in de Carretera die met een veerboot moet worden overbrugd.

Terug naar de Carretera. Drie dagen lang zijn hele regimenten regengordijnen voorbij getrokken. Nu is het zonnig maar koud. Een harde wind komt van de ijsvelden in de Andes. Ik heb mijn winteruitrusting aangetrokken en zo is het draaglijk. Tot ver na Coyhaique is de weg geasfalteerd en daarna bestaat het dek uit harde vochtige leem zonder grind waarop ik wel negentig kilometer per uur haal. Het gaat goed, het gaat fantastisch. Totdat de motor met zijn staart kwispelt. Nog voordat ik hem tot stilstand heb gebracht weet ik al hoe laat het is: een lekke achterband. Er is in de verste verte geen huis te bekennen en Rio Tranquillo, dat een benzinepomp heeft en dus waarschijnlijk ook een werkplaats, ligt nog minstens zestig kilometer verderop. In geen uren heb ik een auto gezien, op de bus uit Cochrane na, maar nu komen er twee fourwheeldrives achterop. Geluk! Het zijn Duitse toeristen en ze zijn bereid mij, mijn hele bagage en het achterwiel mee te nemen tot de eerste reparatieplaats. Die vinden we, een half uur verderop in het gehucht Bahia Murta (vijfhonderdzestig inwoners). Pedro plakt de band. Er zitten twee gaten in, geen kleintjes, veroorzaakt door een stuk ijzerdraad. “Waar is je motor?” vraagt Pedro. “Hier ongeveer” laat ik hem op de kaart zien, dertig kilometer in de richting van Coyhaique. Hij biedt aan me te brengen met de camion maar niet voor niks. Pedro vraagt twintigduizend peso “por todos”, ongeveer dertig euro. Dat is een fors bedrag; hij maakt gebruik van de situatie. Dertig kilometer lopen met een loodzwaar achterwiel is ondoenlijk en het is zes uur ’s avonds zodat de kans nihil is dat ik nog een lift kan krijgen. Bovendien ligt Bahia Murta vier kilometer van de doorgaande weg. Dus betaal ik mokkend de twintigduizend peso, twee derde van mijn dagbudget. Gaande de rit laat ik het mokken achter me want boos blijven heeft geen zin. Pedro helpt met het monteren van het wiel. Hij heeft een Kawasaki Enduro gehad en weet wat er gedaan moet worden. In een half uurtje is het karwei geklaard. Ik ben blij met Pedro en vergeef dat hij een afzetter is. We roken een sigaret. Hij wijst op Ricardo, zijn zoontje van vier die is meegekomen: “Hij heeft een hartoperatie gehad. Direct na zijn geboorte – hij was nog maar zó groot (handen ongeveer dertig centimeter van elkaar) – is hij met het vliegtuig naar Santiago gebracht. In het ziekenhuis van de universiteit hebben ze hem geopereerd en hij heeft er twee maanden gelegen. Nu is hij gezond en kan gewoon voetballen.” Ricardo is Pedro’s oogappel. “Heb je hem in het ziekenhuis opgezocht?” “Nee, ik niet maar mijn signora wel. Met het vliegtuig. Dat is erg duur.” Pedro heeft geluk gehad: een oplettende dorpsdokter, een vliegtuig en een ziekenhuis. Nu heeft hij een gezonde zoon en waarschijnlijk een enorme schuld. “Waar is je motor?” “Die heb ik verkocht.”

De Andes.

De Andes ten zuiden van Coyhaique.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s