Al Sur

De motor en ik moeten weer wennen na twee maanden scheiding. Hij luistert traag naar het gas – hij is lui geworden – en ik moet weer wennen aan de massa van de motor. Eerst zestig en dan tachtig kilometer per uur. Als we bij Santiago de Panamericana opdraaien in de richting ‘Al Sur’, het zuiden, zijn we weer aan elkaar gewend. Ik houd de snelheid rond de honderd kilometer per uur en het toerental iets beneden de vijfduizend. Dat vindt ’ie het lekkerst: gemakkelijke galop. Links ligt het Andes gebergte met hier en daar een besneeuwde vulkaanpunt en rechts het veel lagere kustgebergte. De Panamericana ligt in de vlakte tussen beide. Uur na uur akkers, boomgaarden en vooral wijngaarden. Saai. De enige afleidingen zijn de tolstations, om de vijftig kilometer, en de truckerrestaurants. Mijn vrienden van de weg komen een praatje maken. Waar vandaan? Hollanda. Waar naartoe? Al Sur. “Goed dat je niet naar het noorden gaat; de mensen deugen daar niet.” Pas achter Chillan, meer dan vierhonderd kilometer ten zuiden van Santiago, verandert het landschap: bossen, weiden en diepe dalen. Veel voorjaarsbloemen in de bermen. Van de zomer in Santiago terug in de lente; ik reis tegen de seizoenen in.

Achter Chillan begint Duits kolonistengebied. In de hostels hangen oude zwartwit foto’s aan de muur van oerduitse interieurs. Het museum in Valdivia heeft stijlkamers waar die interieurs zijn verstijfd. Ze laten de essentie van koloniseren zien: thuis meenemen en aan de andere kant van de wereld weer zo goed mogelijk tot leven brengen alsof er niets is gebeurd. Moeder de vrouw is meegekomen en die wil tafels en stoelen als thuis en sofa’s en tafellakens, beddenspreien en serviesgoed. Mokken met ‘Wiebke’ er op. In Valdivia wordt nog een Duitstalige krant uitgegeven, de Condor, en natuurlijk is er een Duits consulaat. De plaatselijke brouwerij heet Kunstmann. Verder naar het zuiden ligt Puerto Varras dat een Duits stadje is met Schwabische kerk, een Heimatverein en Spaanse liedjes op jodelmuziek. Ik logeer in Hostal Klein. Frau Klein slaat de handen voor de mond: “Ach du lieber Gott, Sie sprechen Deutsch!” Haar familie komt uit Berlijn en Westfalen maar ze is in Puerto Varras geboren en nog nooit in Duitsland geweest. Natuurlijk wil ze naar de Heimat, selbstverständlich. Later misschien, als haar dochters de deur uit zijn want de privéscholen kosten handenvol geld. Haar dochters spreken Spaans, geen Duits; “Leider nicht.” Frau Klein is dik en waggelt – “mijn heupen” – en heeft een verzameling poliepjes in de nek maar ze is lief en serveert een Frühstück om U tegen te zeggen. Zelfgebakken brood en ei en kaas en casselerrib, kipsalade, drie soorten jam, “selbst gemacht”, en een Riesenstück Kuchen. Ik ben een paar dagen bij Frau Klein gebleven. Omdat het koud is en regent. Om de was te doen en de motor te inspecteren voor ik aan de Carretera Austral begin. Maar vooral vanwege Frau Klein, om dat oerduitse dat in Duitsland niet meer bestaat.

Frau Klein

Frau Klein. Haar familie komt uit Berlijn en Westfalen maar ze is in Puerto Varras geboren en nog nooit in Duitsland geweest.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Zuid-Amerika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s