Arigato Nippon

Het doet pijn als het vliegtuig los komt van de startbaan: auw!, alsof ik word losgescheurd van mijn wortels. Afscheid nemen doet pijn en afscheid nemen hoort bij reizen. Het mooiste moment om afscheid te nemen is niet het laatste moment maar als het eigenlijk net te laat is. De veerboot gooit het anker uit, het vliegtuig breekt de start af. Zuchtend opent de stewardess de deur en laat de trap naar beneden zodat ik nog één keer de grond kan aanraken. Dat is het mooiste. Ik heb een etmaal om na te denken. Heb ik jubelend over Japan geschreven? Japan is fascinerend; niet zozeer de natuur – hoewel hier beren voorkomen (niet gezien) en roofvogels (massa’s gezien) – maar de cultuur. Die is herkenbaar en toch moeilijk te doorgronden. Japan levert veel stof om na te denken.

Ik spreek maar een paar woorden Japans: ‘Oranda’ (Nederland), ‘hai’ (ja) en ‘arigato’ (bedankt). Het Japanse woord voor ‘nee’ heb ik niet geleerd. Als ik mijn talenkennis wat breder etaleer, dan ken ik nog een paar Japanse woorden: ‘ji’ (kasteel: Himeji), ‘jo’ (tempel: Todaijo), ‘dori’ (straat: Yamatedori), ‘shima’ (eiland: Sado-ga-shima) en ‘Nippon’ (Japan). Ik heb Japan lang beschouwd als een doorgangsplaats en weinig moeite gedaan de taal te leren. Ik had het beter wel kunnen doen want het communicatieprobleem is enorm. Vrijwel geen Japanner verstaat of spreekt Engels; ook de jongeren niet. Dat is merkwaardig voor een land dat een economische grootmacht is en de Angelsaksische cultuur op het oog zo heeft omarmd. Wat leert een Japanner op school? Hij leert er Engels schrijven en lezen, vertelt een docent, niet spreken. Het was me al opgevallen toen ik door de politie werd aangehouden nog maar net buiten het douaneterrein van Fushiki. Wat er aan schort kan de agent mij niet vertellen maar hij kan het wel opschrijven: “you can’t drive” – mét apostrof! – wijzend naar mijn buitenlandse kentekenplaat.

Er zijn hulpmiddelen om de taalkloof te overbruggen. Een vertaalcomputerprogramma heeft die kloof overbrugd bij de aankoop van een fotocamera. Een telefonische hulpdienst heeft gezorgd voor de vertaling bij het afsluiten van de motorverzekering. Helaas zijn dergelijke hulpmiddelen niet altijd bij de hand. Ik moet telefoneren en probeer in een winkel een bankbiljet van duizend yen te wisselen voor munten van honderd yen: “Can you change this note into coins?” en maak een hakgebaar. Het winkelmeisje staart eerst naar mij en dan naar het bankbiljet. Ze pakt het aarzelend aan, houdt het aandachtig tegen het licht en zegt “Nippon!”; het is een Japans bankbiljet. Om duidelijk te maken dat ik het biljet wil wisselen toon ik haar een munt van honderd yen, wijs naar het bankbiljet en naar de munt en maak weer het hakgebaar. Ze pakt de munt aan en zegt “Nippon!” Zoiets is niet hilarisch als je moet telefoneren. In Japan scheidt de taalkloof zelfs de lichaamstaal. Het kan heel erg zijn. “Is this the road to Inuyama?” De man kijkt me uitdrukkingsloos aan. Ik wijs: “Inuyama?” Hij kijkt langs mijn vinger aandachtig in de verte. Ik tik op het asfalt “This road”, tik weer, “to Inuyama?” Hij bekijkt onderzoekend het asfalt. Dat is heel erg. Zo’n situatie vraagt om veel zelfbeheersing en die kan ik niet altijd opbrengen.

“De meesten zullen het spreken ook nooit leren omdat ze te verlegen zijn om zich in het Engels uit te drukken” zegt de leraar van zo even “Ze zijn te bang een fout te maken.” Het is niet de verlegenheid zelf maar de angst in verlegenheid te worden gebracht. De telefoonverbinding wordt verbroken zodra ze Engels horen. Ja, het gebeurt. Giechelen is de zenuwtic die bij die angst hoort. De medewerkster van de scheepsagent die mij in de haven van Fushiki begeleidt begint te giechelen als we bij de verkeerde douaneafdeling blijken te zijn: “hihihi, wat dom van mij, hihihi.” “Kom op meid, dat kan gebeuren” is geen handige reactie: van de zenuwen laat ze de papieren uit haar hand vallen. Het negeren van de fout is veel beter. Het duurt tamelijk lang voordat ik die les heb geleerd. De verkoper die mij verkeerd inschat giechelt als hij zijn vergissing bemerkt en ik lach mee. Dat brengt hem zo van zijn stuk dat hij vervangen moet worden door een ander die zenuwachtig giechelt over de afgang van zijn collega. Nog een paar klanten van mijn type en de verkopers zijn zo getraumatiseerd dat ze nooit meer een buitenlandse klant zullen helpen en dan maar klagen dat Japanners zo discrimineren.

De angst in verlegenheid te worden gebracht is het topje van de ijsberg die ‘schaamte’ heet. Japan heeft een schaamtecultuur, geen schuldcultuur. De Japanse omgang met het eigen oorlogsverleden wordt meer bepaald door schaamte over het verlies dan door schuld over het begin. Ik wil het niet over dat verleden hebben want het is een heel naar onderwerp. Ik heb een ander verhaal over de werking van de schaamtecultuur. De jeugdherberg van Tsuruoka wordt niet geleid door een moegestreden oudje maar door een jongeman met een hippe paardenstaart. Hij spreekt redelijk Engels. Of ik er kan overnachten? “Vandaag heb ik geen gasten” zegt de paardenstaart “maar dit weekend komt er een grote groep en dat vraagt veel voorbereiding.” Dat vind ik een vreemd antwoord; het is donderdag en zijn inspanning bestaat slechts uit het leveren van twee lakens en een sloop. Ik: “Ik vroeg niet om het weekend. Ik vroeg of ik nú kan overnachten.” De paardenstaart: “Bent u lid van de Japanse jeugdherbergorganisatie? Hebt u gereserveerd? Nee? Dat is heel problematisch.” Ik: “Het lidmaatschap is niet noodzakelijk en nog nooit eerder heb ik moeten reserveren.” De paardenstaart weer: “Kunt u niet naar een hotel gaan?” Ik, geïrriteerd: “Dat zou kunnen maar ik ben nu hier en ik wil van u horen of ik hier wel of niet kan overnachten. Als u zegt dat het niet kan ga ik weg.” De paardenstaart: “Het is heel problematisch, daarover moet ik nadenken.” Ik word link: “Gaat uw gang, denkt u na.” De paardenstaart denkt na, minuten lang; het lijkt of hij in coma is geraakt. Na tien minuten – tien! – geef ik het op. Ik ga weg, dit is te gek. Pas als ik buiten sta dringt tot me door wat er zojuist is gebeurd. Hij wilde me niet hebben maar wilde ook niet de schande hebben van het ‘nee’ zeggen. Zo werkt de schaamtecultuur. Het is in Japan niet altijd leuk.

Wie de Japanse samenleving in een notendop wil zien moet naar een bijzondere plaats gaan: een klif of een vulkaan of een tempel op een heuveltop of iets dergelijks. Dat zijn attractiepunten met een informatiecentrum dat foldertjes verstrekt, want er moet van geleerd worden, met een restaurant en met een shopping mall. De Aso vulkaan is een mooi voorbeeld. Een kabelgondel gaat van de voet van de krater naar de rand. Ik krijg een foldertje waarin staat dat dit de eerste kabelgondel is die naar de krater van een actieve vulkaan gaat. Boven zijn drommen toeristen. Ze golven uit de toerbussen (er loopt ook een weg naar boven) en haasten zich naar de kraterrand onder het wakend oog van de reisleidster, in stewardessenuniform en met vlaggetje. Die geeft een korte uitleg, dan fotografeert ieder dezelfde diepte en daarna komt de groepsfoto met de dampende krater op de achtergrond. Vervolgens weer de bus in, op naar de lunch en de shopping mall. Er zijn daar twee restaurants maar geen informatiepunt. Dat hoeft ook niet want even verderop ligt het vulkaanmuseum – in het gebouw is ook nog een jukebox museum gevestigd – met, natuurlijk, een verkooppunt van vulkaanproducten. Zwavel en puimsteen dat volgens mij onmogelijk uit de Aso kan komen want overal ligt veel donkerder puimsteen. Ook van minder dan een vulkaan kan een attractie worden gemaakt. Van een appelboomgaard bijvoorbeeld, heel geliefd voor bloesemfoto’s. Er is een informatiepunt waar de beste foto’s van het afgelopen jaar worden getoond en er is een supermarkt met appelproducten. Appelsap en cider, appelkoekjes en appelcake, appelshampoo, appelzeep en appelcosmetica en …. Op appelproducten alleen kan die supermarkt niet draaien en dus wordt er ook vis verkocht (vers, gedroogd, gemarineerd) en groenten (vers, gekookt, gemarineerd) en zeewier en alle andere spullen waar Japanners zo van houden. In Niigata is één kersenboom een attractie die volgens de toeristenfolder niet gemist mag worden. Het is de oudste, de dikste of de bloemrijkste van Japan; dat ben ik vergeten. Is er helemaal niks bijzonders, dan maak je iets bijzonders. Heeft onze stad niet ooit een kasteel gehad? Japan heeft tjokvol kastelen gestaan maar die zijn bijna allemaal in de Meiji periode afgebroken. Jawel, kijk: op een foto uit 1870 staat een kasteel! Zo’n kasteel wordt weer opgebouwd, van heel modern gewapend beton en voorzien van liften, en zo is er weer iets om een attractie van te maken. Is er nu helemaal niks, echt helemaal niks, ook niet in het verre verleden, dan maak je een attractiepunt zonder attractie. Dat noem je een ‘communication plaza’ met een tentoonstelling over ‘communiceren door de eeuwen heen’ en dan natuurlijk het restaurant en de shopping mall waar een prominent plaatsje is ingericht voor de aanbieders van mobiele diensten. Denk niet dat ik er op neerkijk; ik vind die attractiepunten erg leuk, ik bewonder de vindingrijkheid en ik kan er goedkoop eten. Die attractiepunten, dat is Japan ten voeten uit. Het consumentisme – de nationale ideologie naast het boeddhisme en het shintoïsme – is het stadium van de realiteit al lang voorbij en in de wereld van de droom terecht gekomen. Karaoke is niet toevallig een Japanse uitvinding; het geeft even de illusie een echte ster te zijn. Een attractiepunt staat garant voor een comfortabel en absoluut risicoloos dagje uit zonder dat je het enge bos in hoeft. De Lonely Planet noemt dat heel treffend “the Japanese obsession for germfree fun”. Er is geen contact meer met die vulkaan, die boomgaard of het bos, afgeschermd door een hek of door een voorgeschreven looppad, en daarom komen er in Japan nog steeds roofvogels en beren voor. Het is goed zo.

De groepsfoto.

De groepsfoto hoort bij het dagje uit.

Welvaart, comfort, service en veiligheid zijn de kenmerken van de Japanse samenleving. Japan is rijk, schathemeltje rijk; het land is één grote shopping mall. Ik heb het al eerder geschreven: in de straten van de steden rijgen de grote Amerikaanse en Europese merknamen zich aaneen tot guirlandes van luxe. Luis Vuitton heeft in Amsterdam een winkel maar in Tokio een warenhuis van vier verdiepingen. En ook een vestiging in de provincieplaats Kochi; er is geen vestiging van Luis Vuitton in Zutphen. Hetzelfde geldt voor Chanel en Dior. Het straatmeubilair is van de allerbeste materialen: natuursteen, hout, verchroomd staal. Borden verwijzen naar het instituut voor de doven of de blinden, naar het social welfare office, de bibliotheek met gratis internet, de music hall en andere instellingen. Honden hebben een jasje aan en een hoedje op. Ik zag een witte poedel met roze geverfde oren. Zelfs de daklozen zijn rijk: onder de bruggen van Tokio en Hiroshima bewonen ze keurige tenten en optrekjes met tuinstoelen en fietsen er voor. Ik heb maar ‘n enkele bewoonde doos gezien. Ze drinken koffie bij Caffe Veloce, net als ik. Japan is uiterst comfortabel. Overal zijn openbare toiletten, brandschoon en vrijwel altijd met verwarmde bril. Zelfs op volkomen verlaten campings is voor mij een toilet open gelaten, schoon en met jawel …. Geweldig vind ik de onsén en de cento, de openbare badgelegenheden. Douches met zeep en shampoo, het heetwaterbad is echt heet en het koudwaterbad koud, binnen- en buitenbad, jacuzzi en sauna, kleedruimten met wastafels, weegschaal, föhn en ventilator, relaxruimtes met een zacht muziekje. Japan heeft een badcultuur. De cento en de onsén – de natuurlijke heetwaterbron – zijn de plaatsen waar de Japanner groepsgewijs ontspant, mannen en vrouwen gescheiden. Ontspanning van het contemplatieve soort; hier wordt niet gespetterd, onder water geduwd, geschreeuwd. Hooguit wordt er zachtjes geconverseerd. Comfortabel. Alleen een rekje voor het handdoekje is in geen enkele onsén of cento te vinden net zo min als er handdoekjes zijn in de openbare toiletten of prullenbakken op straat. Tot het comfort behoort ook de alom tegenwoordige service. De convience stores zijn vierentwintig uur per etmaal open en ook in de heel late uurtjes is de bediening beleefd en attent. Overal zijn informatiecentra en het barst van de hostessen (altijd vrouwen) en loodsmannetjes (bijna altijd mannen). Selfservice tankstations ben ik niet tegen gekomen. De pompbediende loodst je het station in en ook weer uit en zegt bij het vertrek iets dat ongeveer betekent ‘Fijn u als klant te hebben gehad.’ Het winkelpersoneel holt de benen onder het lijf uit om van dienst te zijn. Ik hoef bijna nooit bij een kassa te wachten: “Komt u maar hier” en “Kan ik u helpen?” Ik hoor nooit “gesloten” of “Mijn collega komt zo bij u.” Voor het kopen van een treinkaartje zoek ik altijd de eeuwig glimlachende informatrice van Japan Rail op. Zij verricht de automaathandelingen voor me, zoekt uit op welk perron ik moet zijn, wijst de weg en loopt soms ook mee. Dat is geen overbodige service in het shopping mall doolhof dat in Japan ‘station’ heet. Japan is zo veilig als je maar kunt wensen. Een inbraak komt hier nog in de krant, een moord op de voorpagina. Jongeren hebben hun mobieltje of een reuze grote portefeuille half uit de kontzak steken. Dat hoort zo, dat is hip. Ik kan mijn motor gewoon langs de weg parkeren, sluit hem slechts pro forma af en de jerrycans en koffers kunnen blijven waar ze zijn. Ik kan mijn tas en rugzak gewoon op een bank in de stationshal laten staan om een lunchbox te kopen. Als ik terugkom staan ze er nog, zeker weten. Een anekdote. Een toerist laat een zojuist gekochte vreselijk dure videocamera in de trein liggen. Hij bemerkt het pas als de trein alweer vertrokken is. In paniek klampt hij de stationschef aan. De chef gaat bellen en ja hoor: twee stations verderop is de camera bij de afdeling gevonden voorwerpen ingeleverd. De toerist hoeft niet naar dat station; de camera wordt gebracht. Zo is Japan: steenrijk, uiterst comfortabel en zo veilig als het maar kan.

Louis Vuitton in Kochi.

De winkel van Louis Vuitton in Kochi.

Hoe komt een land zo veilig? De politie is vrijwel afwezig in het straatbeeld maar zit wel tot in de haarvaten van de samenleving. Nergens ben je verder dan vijfhonderd meter van een koban, een lokale politiepost, en ze kennen de buurt op hun duimpje. Ik vraag er altijd de weg. Veiligheid rust in Japan niet alleen op de schouders van de politie. De politie is maar een onderdeel van een heel verfijnd web. De legioenen informatrices, hostessen en loodsmannetjes horen er bij en natuurlijk ook de bewakingsdiensten en de surveillancecamera’s. De voorkomendheid en de daarbij behorende glimlach verlamt elke agressie. Het is het doeltreffendste veiligheidswapen dat je je kunt voorstellen. Ik weet waar ik over praat: mijn ergernis over de communicatieproblemen – “spreekt hier nou niemand Engels?” – en mijn rebellie tegen de regels worden gesmoord met een glimlach, alsof ik een psychiatrisch patiënt ben. Er zijn myriaden geschreven en ongeschreven regels, suggesties, verzoeken en dringende aanbevelingen. Pijlen geven aan aan welke kant je een trap op of af moet lopen; geschilderde voetjes geven aan waar je moet staan bij een oversteekplaats. “Don’t litter” en “no smoking please” staat op de stoep geschilderd. Ik loop rokend door een winkelstraat. Plotseling staat er een mannetje voor me met een mouwband om: de buurtwacht. “Het spijt me, in deze straat geldt een rookverbod” en hij houdt me gelijk een zakje voor waar ik mijn sigaret in kan doen. “Dank u voor uw medewerking.” Hoe zou ik kunnen weigeren? In het warenhuis klinkt een vriendelijke vrouwenstem uit de luidspreker in het Japans en in het Engels: “Please refrain from smoking in the retailzone. There are dedicated smoking areas on every floor.” Er staan daar ook asbakken en gemakkelijke stoelen. Een gebod wordt gebracht als een dringend verzoek en zo mogelijk verpakt als dienstverlening. In Nederland doet alleen Ikea dat: “Je kunt hier je gele tas kwijt.”

In Japan is de orde overal om je heen als een groot web en de Japanner is zelf deel van dat web. Weleens die Japanse toeristen in Nederland gezien met een mondkapje voor? Ook altijd gedacht dat het wees op een extreme vorm van smetvrees? Het is precies andersom: die mensen zijn verkouden en willen hun medemensen niet tot last zijn. Als het regent staan er bij warenhuizen, restaurants, koffieshops apparaten. Daar steek je je paraplu in en dan wordt er vanzelf een hoes overheen getrokken zodat je de vloer en elkaar niet nat maakt. Ik merkte het apparaat niet op en liep met mijn natte paraplu Caffe Veloce binnen. Niemand zegt daar wat van maar ik voelde onmiddellijk dat er iets niet goed was en dan zie ik al die gehoesde paraplu’s. De serveerster veegt het plasje op als ik het etablissement verlaat. Japanners zijn erg braaf. Ik heb geen junk gezien (ze zullen er ongetwijfeld zijn). De jongeren mogen dan een leeuwenkapsel hebben en een mutsje op het hoofd en afgezakte en voorgescheurde broeken aan met veel kettingen – het uniform van alle jongeren over de hele wereld – ze doen geen vlieg kwaad, gooien hun peuken netjes in de bak en vernielen het straatmeubilair niet. Braaf. De Japan Times is zo braaf dat het geen kwaliteitskrant is. Aan het bezoek van een buitenlands staatshoofd of een delegatie wordt een groot artikel gewijd waarin netjes melding wordt gemaakt van de grote ontwikkelingen – of hoopvolle, als er geen echte ontwikkelingen zijn – en van de lange en hartelijke relaties van Japan met dat land. Een beetje belangrijk land wordt gefeliciteerd met de nationale feestdag. Veel te braaf!

Hoe komt een land zo rijk? Gelijk maar even twee mythen doorprikken: Japanners werken afschuwelijk hard en Japan is uiterst efficiënt en zo zijn ze stinkend rijk geworden. Japanners werken best hard maar niet afschuwelijk hard. Directeur Takahashi van Air Sea Express is ’s morgens voor tien uur niet te bereiken; “Probeert u het over een uur nog eens” zegt zijn secretaresse. Daar staat tegenover dat hij me ’s avonds om acht uur nog een fax stuurt. Bij Caffe Veloce zitten wel daklozen maar toch vooral salarymen en businessmen. Achter een kopje koffie lezen ze een boek of de krant, zijn met hun notebook in de weer of voeren zachtjes overleg met elkaar. Dat is ook werk, in een prettige ambiance. Een inkoper die de hele wereld afreist vertelt handenwrijvend dat hij een zakenreis naar Griekenland heeft weten te combineren met een bezoek aan de Olympische Spelen. Bij attracties zie ik heren met aktetassen: even rondkijken tussen twee zakenafspraken door. Mensen zijn overal hetzelfde: de meesten werken graag maar het moet wel leuk blijven. Ook in Japan. Twee loodsmannetjes voor een klein wegwerkje: is dat efficiënt? En al die mannetjes die je een parkeerterrein op- en afloodsen? Een Japanner die ik er naar vraag: “Zo houden we de werkloosheid laag.” Er moeten in Japan miljarden omgaan in de kleine dienstverlening, de werkverschaffing en de openbare werken. Ik heb niet-afgebouwde viaducten gezien en tamelijk overbodige tunnels. Waarschijnlijk heeft Japan de hoogste tunneldichtheid ter wereld. Het Japanse kiesstelsel is een districtenstelsel en de gekozen politicus moet zijn achterban tevreden houden door zoveel mogelijk overheidsgeld naar het district te sluizen. Vandaar. Japan Rail is geprivatiseerd omdat het bedrijf werkelijk ondraaglijk inefficiënt was.

En toch zijn ze zo schathemeltje rijk geworden. Japan heeft een grote thuismarkt – er zijn wel honderd miljoen Japanners – met klanten die heel positief staan tegenover nieuwigheden, vooral elektronica. Dat is heel belangrijk. Mobiel internetten, dat in Nederland maar moeizaam van de grond komt, is in Japan gemeengoed; handsfree bellen niet. Jongeren vooral natuurlijk maar ook oude mensen internetten en mailen mobiel. In Electric Town – Akihabara, Tokio – leggen standwerkers aan een voornamelijk ouder publiek heel geduldig uit hoe zo’n apparaat werkt en zo rijg je mensen aan het mobieltje. Het is heel schattig: een groepje oma’s die foto’s van het nieuwe kleinkind aan elkaar laten zien, op het mobieltje. Een grote thuismarkt van positief ingestelde kopers is heel belangrijk maar als verklaring voor de rijkdom volgens mij toch onvoldoende. Ik vermoed dat het geheim zit in de Japanse cultuur. Dat is een groepscultuur met een mate van onderling vertrouwen dat ik nog nergens ben tegen gekomen. Onderling vertrouwen betekent dat het gedrag van de leden van de groep voorspelbaar is en dat er overeenstemming is over het te bereiken doel. Weten wat je aan elkaar hebt en samenwerken zet zoden aan de dijk. Alle individuele capaciteiten worden gebundeld tot één grote niet te stuiten macht, zoals lichtstralen die, in fase gebracht, in staat zijn een staalplaat te doorklieven. Zelfs als Japan alleen maar uit Osaka zou bestaan, dan nog zou Japan de zesde economische macht ter wereld zijn. Fantastisch is dat. Jammer genoeg kan ik onvoldoende achter het doekje van het onderling vertrouwen kijken maar de groepscultuur is gemakkelijk te zien. Het dagje uit in de toerbus met de reisleidster – in uniform en met vlaggetje – is geliefd. Zo’n reisleidster weet alle feiten en daar houden Japanners van. Jongeren ook; in groepjes zwerven ze langs de verplichte nummers van de Japanse attracties. De groepsfoto natuurlijk. ’s Avonds klitten de salarymen bij duizenden voor het station van Shinjuku; nog even uit met de collega’s. Scholieren dragen allemaal hetzelfde uniform: zwart met opstaande kraag en op de kraag het klasnummer. Denk niet dat het allemaal eenheidsworst is; Japanners zijn geen zombies. Ik kon de ene Mongoliër niet van de andere onderscheiden maar de ene Japanner wel van de andere. Er zijn opvallende raciale verschillen: heel Polynesisch – rond gezicht, dik krullend haar – en heel Aziatisch – smal gezicht, sluik haar en leuke spleetoogjes – en alles wat daar tussen zit. Van zo’n schooluniform valt nog iets individueels te maken: de broek kan ver naar beneden, het hemd kan uit de broek hangen, sportschoenen aan en zo krijg je … weer een nieuw uniform. Grote verschillen maar dezelfde cultuur en dat helpt erg bij de groepsvorming.

Japanse schoolklas

Schoolklas, in uniform en met de onvermijdelijke reisleidster.

De keerzijde is er ook. Niet iedereen kan tegen die groepscultuur. Sommigen rebelleren met hun kleding en worden weer ingekapseld want het mag; de code van het alternatief is net zo goed een groepscode. Anderen droppen uit en worden omsingeld door hulpverleners en zo weer …. Weer anderen gaan reizen; daar heb je geen last meer van. Er is in Japan een buitenproportioneel percentage nerds: schuifelend, hoofd naar beneden; ze worden genegeerd. Ik las in de Japan Times dat het zelfmoordpercentage aanzienlijk is; heel vaak het gevolg van pesten door de groep. Chris (van Horizonsunlimited) vertelt daarover een navrant verhaal. Een Japanse kennis, medewerker van een grote internationale onderneming, had stage gelopen in de Verenigde Staten en daar de losse Amerikaanse omgangsvormen opgezogen. Terug in Japan gedroeg hij zich ook zo. Dat werd door zijn collega’s niet op prijs gesteld en zo kwam hij buiten de groep te staan. Toen Chris het bedrijf ’n keer bezocht vroeg hij naar zijn kennis. “Die werkt hier niet meer” werd gezegd. Totdat iemand zijn mond voorbij praatte: de kennis had zelfmoord gepleegd. Chris daarover: “Het ergst vond ik de kilheid, alsof niemand er iets mee te maken had.” Zo werkt de groep. Toch: verreweg de meeste Japanners voelen zich in de groep thuis als een vis in het water.

In Japan is het ‘peace’ voor en ‘harmony’ na maar de geschiedenis is er een van onderdrukking en in bloed geschreven. Elk aspect van het gedrag voorgeschreven en draconische straffen voor degene die niet past in de orde: zo is de harmonie bereikt. Ik schreef over de traditionele Japanse architectuur, de architectuur van tempels en schrijnen, van tuinen waar de positie van elke steen precies is bepaald. Die architectuur weerspiegelt de samenleving van toen. Wat een kloof gaapt er tussen de architectuur van toen en van nu! En toch… Nog steeds zit in de architectuur, hoe vrij en dynamisch ook, die hang naar perfectie; er kleeft iets berekends, iets kils aan. Nog steeds zit geweld diep in de Japanner, zei het dan gesublimeerd: in de Japanse film, in de stripboeken waar Japanners zo van houden. Sadistisch en masochistisch geweld. Nog steeds zijn Japanners heel gevoelig voor ‘hoe het hoort’.

De Japanse samenleving is heel gesloten en er wordt stevig gediscrimineerd. Westerse buitenlanders heten ‘gaijin’ en een slecht geklede Japanner wordt ‘yanquis’ – afgeleid van ‘yankee’ – genoemd. Op Koreanen is altijd al neergekeken en de oorspronkelijke inwoners van Japan zijn teruggedrongen naar de binnenlanden van Hokkaido en pas recentelijk als attractie ontdekt. Ik ben een gaijin. Hoe vriendelijk en hulpvaardig Japanners ook zijn, ik heb vaak het gevoel gehad voor een loketje te staan: ik mag wel iets bestellen maar vooral niet binnenkomen. Drie maanden lang heeft Japan zich vrijwel zonder aanraking om mij heen geplooid. Ik ben niet afgewezen, niet aangehaald, vooral genegeerd. Eén keer heeft iemand gevraagd van welk land het kenteken van mijn motor is hoewel in heel Japan hooguit tien auto’s rondrijden met een buitenlands kenteken. In de cento en de onsén wordt mijn aanwezigheid doorgaans volstrekt genegeerd hoewel mijn lijf tamelijk afwijkend is van het Japanse, in ieder geval veel behaarder. Eén keer ben ik aangestaard door een jongetje dat onmiddellijk zachtjes door zijn vader werd vermaand. Overal wordt mijn aanwezigheid zó normaal gevonden dat het niet normaal is. Na zes maanden onthouding in Centraal Azië en Siberië had ik wel behoefte aan gaylife. Het is tegengevallen, er is geen traceerbaar homoleven in Japan, zelfs niet in Tokio. In Shinjuku zouden meer dan tweehonderd gaybars zijn maar ik heb ze niet gevonden. Had ik ze gevonden, vertelt Chris mij, dan was ik er niet binnengekomen: geen buitenstaanders. Daarom kan ik niet schrijven “Ik kwam de hoek om en daar was hij: mijn droomprins, mijn samoerai. Hij heet Yukio en heeft een heel moeilijke Japanse achternaam maar ik noem hem lekker ‘Joek’.” Eén keer ben ik te gast geweest bij een Japanse familie, een moeder met haar dochter. De dochter spreekt goed Engels; ze is getrouwd met een Amerikaan van de nabij gelegen luchtmachtbasis. Haar man is overgeplaatst naar Italië en zij zal spoedig volgen. De dochter wil weten hoe het in Italië is en vooral of er convience stores zijn. Het gebeurt overal: je wordt uitgenodigd om informatie te verschaffen. Moeder en dochter hebben goed voor me gezorgd. Ze hebben me volgestopt met eten en een lunchpakket meegegeven waar ik nog dagen plezier van heb gehad. Ik heb de dochter per email bedankt en nog eens gemaild vlak voor mijn vertrek uit Japan. Ik heb nooit antwoord gekregen. Dat is óók Japan.

De Japanse samenleving is heel gesloten. De overheid probeert individualisering te bevorderen en discriminatie tegen te gaan en wordt daarbij braaf geholpen door de pers. Japan moet een meer open samenleving worden, volgens de krant. Dat wordt gezien als een recept om de economische crisis te bezweren. Crisis? Nou ja, economische problemen. Het probleem heet ‘deflatie’: de prijzen zakken, alles wordt goedkoper. Voor mij is dat heel aangenaam; ik merk dat de prijzen die in mijn Lonely Planet van 1997 worden genoemd in 2004 nog steeds dezelfde zijn of soms lager. Maar voor een land is dat niet fijn: het betekent dat er meer geproduceerd wordt dan geconsumeerd. Bedrijven reageren daarop door de productie te beperken en dat brengt weer ontslagen en werkloosheid mee. Ik kan niet inschatten hoe groot het probleem is. Voor sommige restaurants staan rijen wachtenden, de boodschappentas is welgevuld. Het is Kersttijd – geen kindje in een kribbe maar de kerstman – en de consumptie wordt tot nog grotere hoogten opgevoerd. De Japanner is niet armer geworden, hij geeft het geld niet meer zo gemakkelijk uit. Misschien heeft hij alles al? Dit land is overvoerd met spullen. In de Japan Times las ik een artikel over het probleem. Daarin wordt gesproken over “lack of confidence in the future”. De Japanner is onzeker geworden over de toekomst! Dat krijg je er van als je zoveel hebt bereikt. Gek genoeg raken ze niet massaal aan de drugs. Individualisering moet nieuwe uitdagingen bieden. Chris en anderen zeggen dat Japan de laatste jaren erg is veranderd. Ik kan dat natuurlijk niet vaststellen, ik ben hier voor het eerst. Ik vind de Japanner best individueel, in ieder geval in uiterlijk voorkomen. Tegelijkertijd kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het een pose is: ze willen zich wel onderscheiden maar vooral niet scheiden.

Ik was bijna drie maanden in Japan. Ik bereisde Honshu, Shikoku en Kyushu. Ik was niet op het noordelijke eiland Hokkaido en niet op de zuidelijke eilandenboog van Okinawa. Ik heb me vaak buitengesloten gevoeld. In geen samenleving komt een vreemdeling echt binnen maar in Japan had ik de grootste moeite zelfs maar een voet tussen de deur te krijgen. Juist die moeite maakt het ontdekken, het proberen te begrijpen alleen maar uitdagender. Ik was drie maanden Japanner met de Japanners, zoals ik Rus ben geweest met de Russen, Turk met de Turken, Arabier met de Arabieren. Ik doe mee. Ik heb ook de attractiepunten bezocht, en de shopping malls natuurlijk. Ik heb ook de herfstkleuren gefotografeerd zoals alle Japanners doen. Ooooh, ik heb vergeten de damessandalen te fotograferen en het eten en de Meisjes van Yakult en …. Ik maak ook die beleefde buiging en zeg “arigato”, bedankt. Japan, zo herkenbaar en zo vreemd. Het is alsof je in een spiegel kijkt. Als je oppervlakkig kijkt zie je jezelf, kijk je nauwkeuriger dan zie je dat jij het niet bent maar een ander die erg op je lijkt en die ander kopieert je bewegingen maar niet precies. Hoe nauwkeuriger je kijkt hoe hallucinerender die ervaring is. Japan ligt op een andere planeet, ergens in de Andromedanevel vermoed ik. Ik ben er gekomen via een wormhole met de Rus van de Far East Shipping Company en ik verlaat Japan ook weer via een wormhole met de DL056 van Delta Airlines. Voor alles wat Japan heeft laten zien en voor alles wat het verborg zeg ik “Arigato Nippon”, bedankt Japan.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Japan en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s