Het is wennen

Wat een poppenlandje! Ik bedoel niet dat het een erg klein land is. Japan is groot; het hoofdeiland Honshu is, ruw geschat, vijftienhonderd kilometer lang. Ik bedoel dat het zo vreselijk gedetailleerd is ingericht. Piepkleine rijstveldjes en kromme poppenvrouwtjes die de rijst oogsten met kabouter dorsmachientjes en bundelen tot lilliputter rijstschoofjes. Dorpjes, stadjes en steden rijgen zich aaneen. Borden wijzen naar attractiepunten, naar tempels en schrijnen en daarvan zijn er heel veel. Vreselijk veel detail, in ieder geval voor iemand die uit Rusland komt. Voor het motorrijden gebruik ik de Touring Mapple, een wegenatlas. Die bestaat uit zes delen en deel twee beschrijft Noord Honshu in maar liefst honderd kaarten met een schaal van een op honderdveertigduizend; een centimeter op de kaart is bijna anderhalve kilometer in werkelijkheid. Mijn geliefde Russische Atlas Automobilnje bevat uitsluitend kaarten met een schaal van een op tweeënhalf miljoen; een centimeter op die kaart is vijfentwintig kilometer in werkelijkheid. Met zo’n kaart kun je even vooruit. Elk kaartblad van de Touring Mapple bevat een lawine aan informatie: alle verkeerslichten staan er op en alle benzinestations en convience stores, met het logo van de maatschappij. Campings, hotels en jeugdherbergen zijn aangegeven en ook alle tempels en schrijnen. Er zijn symbolen voor steile of gevaarlijke hellingen, voor landschappelijk aantrekkelijke trajecten, voor trajecten met bijzonder mooie herfstkleuren, voor stranden en viswaters. De weghiërarchie is aangegeven met kleuren in maar liefst zeven niveaus. De Touring Mapple bevat veel te veel informatie maar het is de beste wegenatlas die ik kon vinden. Van de grote plaatsen is de naam ook in ‘romaji’, westers schrift, aangegeven en alle wegnummers zijn vermeld. Ik rijd op wegnummers: ‘Dit is weg nummer 45, dus hier rechtsaf naar weg 398 en dan de 242.’ Voor ik ’s morgens vertrek maak ik een lijstje met kaartbladnummers en wegnummers, anders raak ik de draad kwijt.

Motorrijden in Japan is geen onverdeeld genoegen. De steden zijn enorm uitgebreid en om de stad ligt een brede ring bedrijventerreinen en dan komen de suburbs. Als je die hebt gehad beginnen de bedrijventerreinen van de volgende stad. De stedelijke zone van Toyama strekt zich uit over bijna honderd kilometer. De wegen zijn smal, er zijn meer verkeerslichten dan sterren in het heelal en een groene golf is onbekend. Overal gelden snelheidsbeperkingen tot vijftig, veertig en zelfs dertig kilometer per uur en er is een bijna continu inhaalverbod. De wegen zijn vol kleine stadsautootjes en piepkleine vrachtwagens. Die parkeren langs de smalle weg of wachten om af te slaan en veroorzaken zo veel oponthoud. Er zijn myriaden wegwerken. Als je eindelijk eens lekker door kunt rijden kom je in no time achter het stadsautootje van een oud dametje waarvoor vijftig kilometer per uur racesnelheid is of achter een vrachtautootje met een eunuch aan het stuur. Brave Hendriken heb je overal maar in Japan zijn er erg veel. Reed ik in Rusland minder dan tweehonderd kilometer, dan had ik een slechte dag; haal ik in Japan tweehonderd kilometer op een dag, dan ben ik spekkoper.

Japan: het is wennen, zeker als je uit Rusland komt. De service. De receptioniste van het hotel staat klaar en het inchecken is in een minuut gebeurt. Hier hoor ik niet “Kunt u over een uur terugkomen? We hebben het nu erg druk” (hotel Amursky Saliv in Vladivostok). Mevrouw Kazuki is het Japanse equivalent van de djezjoernaja. Ik zie haar niet en ik hoef haar ook niet te zien; ze werkt achter de schermen. Alleen een kaartje wijst op haar bestaan. Daarop staat dat ze me een aangenaam verblijf toewenst. Een Russische djezjoernaja spijkert de huisregels aan de deur. Het meest gebruikte Japanse woord is hai. Het betekent ‘ja’ en wordt ook veel gebruikt als begroeting, “haaai?”, of als teken van aandacht, “hai, hai”: ik luister, ik heb het begrepen. In het Russisch komt njet en nje heel veel voor: “Njet, nje rabota”, nee het werkt niet, buiten bedrijf, gesloten. Zegt een Rus “da” dan bedoelt hij meestal een schouderophalend ‘oh’. In Japan hoef ik niet te roepen “djewotsjka!” – juffrouw! – want ze is er al en een en al gedienstigheid. Ik heb belangstelling voor een digitale fotocamera en vraag naar de eigenschappen van het ding. De verkoper zoekt ze op maar ik heb een lage vervelingsdrempel voor techniek en zeg dat ik later terug zal komen. Als ik terug kom, heeft hij de specificaties uitgeprint. Het ligt klaar. Service is overal. Parkeerterreinen hebben een medewerker, in uniform en met witte handschoenen, die je het terrein op- en afloodst en zo nodig helpt een plaats te vinden. Een loodsmannetje. Bij wegwerkzaamheden staan altijd twee mannetjes die je om het werk heen loodsen. Nog meer loodsmannetjes. Tourbussen – daar zijn er erg veel van – hebben hostesses in stewardessenuniform. Japan heeft legioenen loodsmannetjes en hostesses en ze buigen allemaal bij de geringste dienstverlening.

En dan het comfort. Mijn hotelkamer is schoon, er ligt geen stof onder de televisie, laat staan er op, en alle lampen doen het. Het bed is niet te hard en niet te zacht, het zakt niet door, de veren zijn niet te voelen en de lakens zijn niet gescheurd of versteld en niet te kort (om een of andere reden is in Rusland het onderlaken altijd te kort). Er is altijd warm water, niet alleen ’s avonds laat en ’s morgens vroeg, er is zeep en shampoo en een kam, tandenborstel en scheermesje, hygiënisch verpakt in cellofaan. De kranen lekken niet en dus is er geen roestspoor in het bad en toilet. Vanzelfsprekend comfort maar niet als je uit Rusland komt. In Rusland is een openbaar toilet een plek die ten koste van alles moet worden gemeden, wil je niet getroffen worden door een aanval van acute misselijkheid. De Japanse openbare toiletten zijn brandschoon en heel vaak met verwarmde bril. Da’s lekker. Ik ben dol op de convience stores, de gemakswinkels; je gaat er niet speciaal naar toe maar je komt er toevallig langs en koopt vanwege dat gemak. Er zijn er verschrikkelijk veel; ik ben vaste klant geworden bij Lawson’s, voor de broodjes en de batterijen. Ik ben dol op de automaten, vooral de koffieautomaten. Die bieden een grote variatie aan ijskoffie in blik: Morning Shot, refresh coffee, relax coffee, Georgia Blend, European Blend, black, milky; you name it, it’s there. En warme koffie, soms in een bekertje vaker in blik. Die blikjes worden pas warm nadat ze uit de automaat komen; ik weet niet hoe dat kan. Comfort, comfort, comfort. Toch ontbreekt er nog iets aan het comfort: er zijn nergens prullenbakken, behalve bij de convience stores, en er zijn geen papieren handdoekjes in de openbare toiletten.

Ook het eten is wennen. Een menukaart kan ik niet lezen, dus ga ik naar restaurants waar in de etalage foto’s van de gerechten worden getoond, inclusief de prijzen. Maar dan nog: wat is dat en hoe moet je dat eten? Ik bestel noedels; dat gerecht herken ik tenminste en het is het goedkoopst. De serveerster brengt een schaaltje met een kwartelei, een witte en een groene pasta en fijngesneden bosuitjes en een kommetje met bruin vocht. Wat is dat? De amuze? Ik proef voorzichtig: het kwartelei is rauw, de groene pasta afschuwelijk scherp en het bruine vocht blijkt soja. De serveerster legt uit: de ingrediënten van het schaaltje meng ik naar believen door de soja en zo krijg ik een dressing voor de noedels. Die zijn koud. Eten met stokjes is niet eenvoudig; probeer eens een glibberige rauwe inktvisring tussen twee stokjes te klemmen. Veelal negeren de Japanners mijn worsteling, een enkele maal wordt lepel en vork aangeboden. Ik heb doorgezet en nu kan ik er mee omgaan, ik kan zelfs een omelet met stokjes eten. Ik weet nu wat lekker is. Sashimi: rauwe vis, inktvis, schelpdieren, garnalen. Tempura: in dun beslag gefrituurde kruiden, paddenstoelen, garnalen. Misosoep is lekker. In volksrestaurants wordt stevig gevulde soep verkocht. Eerst vis je met stokjes de ingrediënten er uit en daarna lepel je de bouillon of je zet gewoon de kom aan de mond. Al die lekkere dingen kan ik nu herkennen op de foto’s. Ik mis brood; ik ben een broodeter. In de grote steden zijn ‘German bakeries’ maar het brood smaakt niet, het is te zacht en te zoet. Brood is in Japan een nieuwigheid en er is geen broodbeleg. Ik heb een probleem met het Japanse eten: het bevat te weinig calorieën en de porties zijn te klein. Ik heb behoefte aan veel en vet. Siberië is moeilijk geweest, ook fysiek. In Vladivostok woog ik nog zeventig kilo, dat is op het randje, maar in Japan is mijn gewicht in een vrije val terecht gekomen: negenenzestig, achtenzestig, zevenenzestig kilo. Dat is over het randje. Eten is nu mijn grootste zorg. Ik bezoek McDonalds en koop de vetste broodjes bij Lawson’s.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Japan en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s