Ik ook van jou

Bij de prijs van het ticket zijn de maaltijden inbegrepen. Aan boord van de Rus geen lopend buffet maar tafelbediening, geen keuzemenu maar eten wat de pot schaft. Het avondeten: een kleine salade, soep, stoofvlees met aardappelen, thee en een plak cake na. Het avondeten is van acht tot negen, het ontbijt van negen tot half tien en de lunch van een tot twee. Daarna gaat het restaurant op slot; niet uitbuiken, dit is gewoon Russisch grondgebied. Het schip vertrekt twee uur te laat. Ik hoor dat ze de trossenman niet konden vinden. Vast weer dronken. Jammer, want nu kan ik de atoomonderzeeërs niet zien die bij de havenmond zouden liggen. Vladivostok wordt tot een dunne band van twinkelende lichtjes in een donkere wereld. De stoere mannen die mij zojuist aan tafel hebben verbeeld hoe groot de vagina is van de Japanse vrouw – “maar zó groot”, duim en wijsvinger een klein beetje van elkaar – haasten zich met hun mobiele telefoons naar buiten om nog even moeder de vrouw te spreken. Ik hoor de Russische equivalenten van ‘tot gauw schat’ en ‘ik ook van jou.’ Zelf zeg ik zachtjes tegen het verdwijnende land “do swidanja” – want ik blijf langer weg – en “ik ook van jou” want Rusland is goed voor mij geweest. Zou ik Vladivostok hebben gehaald zonder de aanmoedigingen van de opgestoken duimen, van het applaus, van de kleine gestes? Ik heb me gesteund gevoeld en daarvoor ben ik dankbaar.

Russen zijn aardige mensen en ze zien er leuk uit. Knappe jongens met brede jukbeenderen en waterig blauwe ogen. Niet allemaal natuurlijk, er zijn ook donkere dikke, en wellicht zelfs niet de meerderheid maar het is wel een heel typische kop. De blik is fascinerend; dat koortsig zoekende, dat rusteloze. Russen zijn zenuwpezen. De jongens zien er leuk uit en zitten over het algemeen goed in de kleren; een tikje ordinair – strakke T-shirts, jasjes die ver op de schouders worden gedragen – en dat is lekker. Maar de meiden: te mager en te bleek, te hoge hakken en te korte rokken, teveel make-up. Dat is ook ordinair maar niet lekker. In het verlengde van ordinair ligt plebejisch en dat komt ook veel voor. Slecht zittende pakken, alle knopen dicht en de verkeerde schoenen aan, leren colbertjes, trainingspakken, sportschoenen. En tasjes. Mannen hebben tasjes! Handtasjes, polstasjes, schoudertasjes. Soms staat het best kittig, als die tasjes van Calvin Klein zijn, maar meestal zijn het lompe leren dingen. Een man met een tasje, ik vind dat geen gezicht; zó ontmannend. Aan het plebejische draagt ook het rondlopen op straat bij met flessen bier in de hand. Mannen en vrouwen, jong en oud. Er wordt vreselijk veel gedronken. Bier wordt in plastic literflessen verkocht. Russen veronderstellen dat bier een soort limonade is. Bij de hoeveelheden die hier naar binnen worden gegoten valt de openbare dronkenschap nog mee. Russen kunnen goed tegen alcohol. Maar toch, als je er een laveloos over de grond ziet kruipen, dat is ontluisterend.

Ik weet niet wat er in het hoofd van Russen om gaat. Het contact is moeizaam. Ik moet het hebben van acties, van handen en voeten, van gelaatsuitdrukkingen; niet van conversaties. Ik spreek veel te weinig Russisch voor een wat diepgaander gesprek en vrijwel niemand spreekt Engels. Er zijn weinig mogelijkheden om Engels te leren en te oefenen. Op de televisie heb ik CNN en de BBC Worldservice tevergeefs gezocht en de vele Amerikaanse films zijn altijd overvoiced. In de boekhandels is wel een groot aanbod te vinden van woordenboeken en Engelse taalcursussen – Engels voor beginners, Engels voor gevorderden, Engels voor het bedrijfsleven – maar er zijn geen Engelstalige boeken te krijgen om de opgedane kennis in praktijk te brengen, op een kleine verzameling dunne flutboekjes na. Nergens heb ik een Engelstalige krant kunnen vinden. Mensen horen geen Engels op de televisie en er zijn geen Engelstalige boeken of kranten. Dan moet je het hebben van de enkele buitenlandse bezoeker wil je je kennis van het Engels kunnen oefenen. In de Arabische landen, in Iran en ook in Oezbekistan vragen mensen om een gesprek: “I want to practise my English.” Niet in Rusland. Er is weinig belangstelling voor het buitenland: “Waar kom je vandaan? Uit Holland? Da…” In de Arabische landen, in Iran, in Oezbekistan rollen op ‘Holland’ de namen van bekende voetballers: Cruijff, Gullit, Rijkaard, Davids, van Hooydonck, van Nistelrooy. Niet in Rusland. Dit is een wereld op zichzelf.

Ik had een land verwacht in bestuurlijke wanorde en economische rampspoed. Armoede, criminaliteit, corruptie. Het valt reuze mee; de staat functioneert. Het viel me gelijk op toen ik vanuit Kazachstan Rusland binnenkwam: de telefoonpalen staan netjes in het gelid, de hoofdwegen zijn goed onderhouden en de politie zit keurig in het pak. De toestand van het uniform is een indicatie voor de toestand van het politieapparaat en dat is weer een indicatie voor de toestand van de staat. Ik had akelige verhalen gehoord en gelezen over de Russische politie: grof en gewelddadig, corrupt en crimineel, dronken. Het is niet mijn ervaring. Er zijn veel politieposten langs de weg; bij belangrijke kruisingen, in de buurt van steden. Meestal word ik doorgezwaaid. Een enkele keer gaat het stopbordje omhoog. Uit nieuwsgierigheid, om de motor te kunnen bekijken, om een praatje. De politie is wel precies. Een overtreding betekent een boete maar je krijgt ook een bon. De politie in Kazachstan en in Kirgizstan is ook tuk op het constateren van snelheidsovertredingen maar daar krijg je geen bon; die steken het geld in eigen zak. Van de jongens van de Iron Tigers motorclub in Vladivostok hoor ik wel klachten. Maar zij rijden zonder kentekenplaat. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen.

Een ingestorte economie? Alles lekt: daken en dakgoten, kranen en leidingen. Vermoede-lijk heeft het altijd gelekt; het is gewoon Russisch. Natuurlijk zijn er problemen. Veel schoorstenen roken niet meer en hele complexen wachten op de industrieel archeologen. Roestende hijskranen en chemische installaties, pijpleidingen waarvan de isolatie afbladdert, met onkruid overwoekerde rails. Maar boven Novosibirsk en Krasnojarsk hangt smog, toch een teken van productie en werk. Het zijn welvarende steden, net als Irkoetsk en Ulan Ude. Alles is te koop, de reclame is menigvuldig en er bestaat een verfijnd systeem van verkoopkanalen. Straatkiosken zijn gespecialiseerd in bier, wodka en sigaretten, in ijs en met een heel uitgebreid assortiment, in kranten en tijdschriften, in brood en kleine kruidenierswaren. Veel voormalige staatswarenhuizen, de TSUM’s, zijn geprivatiseerd en omgebouwd tot winkelcentra. De TSUM van Irkoetsk is een doolhof van kleine winkeltjes. Je gaat er naar toe voor kleding, elektronica, huishoudelijke apparaten en mobiele telefoons. Meer keuze, hippere kleding en betere kwaliteit leveren de gewone winkels in de straat. Maar daar zijn de prijzen veel hoger. Hét verkoopkanaal is de overdekte markt. Die van Irkoetsk vond ik geweldig. Groenten en fruit zien er mooi uit en liggen fraai uitgestald. Verschillende rassen tomaten, aardappels en uien, appels en peren, pruimen en abrikozen en heel veel soorten kruiden. Weinig exotisch fruit als sinaasappels en kiwi’s; bananen zijn duur. Rechtstreeks uit de natuur komen bosbessen, frambozen, cantharellen en andere paddenstoelen. De radijzen zijn groot, hard en scherp en de komkommers een tikje bitter zoals een komkommer hoort te smaken. Er is een afdeling met salades en daarvan heb ik er wel vijftig geteld. Worsten en kazen te kust en te keur; uit heel Rusland en ook Edammer kaas maar vooral streekkazen. Boter wordt verkocht in grote blokken, verpakt in cellofaan. De markt van Irkoetsk heeft een enorme zuivelafdeling met alles wat in de driehoek van melk, yoghurt en kaas zit, een vleesafdeling met grote lappen en vers vet spek en tongen, een gevogelte-afdeling met hele gerookte kippen. De visafdeling heeft verse vis, gestoomde en gerookte; vis uit het Baikalmeer en uit de rivieren maar ook haring en makreel. Grote stapels gerookte zalm en blikjes kaviaar; de goedkope roze van de zalm en de dure zwarte van de steur. Een blikje zwarte kaviaar kost ongeveer twintig dollar. Er is een afdeling met koffie en thee. Natuurlijk is er Nescafé maar dan ook gelijk vijf soorten. Ik wist niet dat Davidoff ook koffie levert. Ik tel snel tien merken thee en van elk merk weer verschillende soorten. Groene en zwarte thee, thee van hoog op de bergen en thee uit het laagland. Ik vergeet de bloemenafdeling niet, met rozen zo groot als een mannenvuist. Ze komen uit Polen. Om ze nog aantrekkelijker te maken zijn de toppen in goudverf gedompeld. Ik vind dat lelijk maar ik ben geen Rus. Het aanbod is geweldig maar goedkoop is de markt niet. Vooral groenten en fruit worden duur betaald. Behalve de markt voor de dagelijkse levensbehoeften is er een textielmarkt en een automarkt waar behalve auto’s ook fietsen en motoren en onderdelen worden verkocht. Remblokken, schokbrekers, accu’s en bobines, hele versnellingsbakken, lagers en klemmen en natuurlijk alles om de auto mooi aan te kleden. De supermarkt kan niet tegen de dagmarkt op, zowel qua assortiment als qua prijs, en dus zijn er weinig supermarkten. De Rus koopt op de markt.

Rusland is een land van luikjes. De tankstations hebben een luikje met een kleine schuiflade voor het geld en vaak een spiegelruit zodat je de kassier niet kunt zien. Dat is lastig want ik moet met gebaren duidelijk maken hoeveel liter van welke soort benzine ik wil hebben: ‘vijftien liter octaan 92.’ Het kan goed zijn dat ik tegen een lege stoel sta te gebaren. Dat merk ik pas als er geen reactie uit de luidspreker komt of de schuiflade met het geld niet naar binnen wordt getrokken. Bij de straatkiosken is het eender: een luikje op borsthoogte zodat ik mijn hoofd schuin voor het luikje moet wringen om de uitbater te kunnen zien. Soms is het luikje dicht; klop je dan kan het gebeuren dat van binnen geroepen wordt “nje rabota”, gesloten. “Gesloten” en “Wij werken niet” komt tamelijk vaak voor. Geen zin om voor die ene klant aan de slag te gaan. In Rusland ligt de macht bij de aanbieder; de klant is een nederige verzoeker.

De djezjoernaja, de etagedame in de hotels, is een typisch Russisch instituut. Ze bestiert haar etage en richt die in als was het haar huiskamer. Het geeft de gast het gevoel indringer te zijn in andermans leven. Heb je haar niet nodig, dan loopt ze je voor de voeten. Moet je haar hebben, dan is ze in geen velden of wegen te bekennen. En je moet haar hebben want ze beheert de sleutel van je kamer. En dus moet je haar gaan zoeken. Ze zit in een kamer televisie te kijken, met haar vriendin te bellen of ze zit bij haar collega’s gezellig te praten en dan kom jij met die stomme vraag om de sleutel. Luikjes, djezjoernaja’s en administratie tekenen de dienstverlening in Rusland. Russen zijn dol op administratie. In hotel Novosibirsk moet ik mijn vuile was vóór acht uur ’s morgens – vóór acht uur! – bij de djezjoernaja inleveren. Ze weegt de was en belt het gewicht naar de balie beneden. Ik moet met de lift veertien verdiepingen omlaag om te betalen en de kwitantie te krijgen. Met die bon moet ik weer naar boven, naar de djezjoernaja die ik moet zoeken – op haar deur hangt een briefje “ben even weg” – en pas dan zijn de voorwaarden voor de wasservice verricht. In hotel Amursky Saliv in Vladivostok is wel een kamer beschikbaar maar ik kan niet inchecken: “We hebben het nu te druk. Komt u over een uur terug.” In dat uur kan ik geen kopje koffie drinken in de lobby want ik ben geen gast. In dat hotel kan ik mijn verblijf ook niet even verlengen; nee, ik moet morgen terugkomen want dan is immers mijn geboekt verblijf pas geëindigd. Of je je eraan ergert of erom lacht, hangt van jezelf af; ik prefereer erom te lachen. Ik vind het een sport die djezjoernaja’s te lijmen. Ik glimlach naar ze, knipoog, complimenteer. De een is gemakkelijker te lijmen dan de ander maar uiteindelijk gaan ze bijna allemaal voor de bijl. Djezjoernaja’s zijn vrouwen. Het is merkwaardig, die beroerde dienstverlening, want er werken veel mensen in de service. Te veel, dat is het probleem: ledigheid is niet goed voor service. De winkelmeisjes in de TSUM vervelen zich te pletter, gaan dus gezellig met elkaar in gesprek of lezen een boek en dan komt de klant, net bij de clou van de mop of net in een spannende passage. Nog een oorzaak: alle inspanning is gericht op het dienstverlenend systeem en de daarbij behorende administratie, niet op de klant. De hotelkamer is van de djezjoernaja, niet voor de klant. In een restaurant maken twee obers ruzie over wie mij ‘moet nemen’. Elk heeft de verantwoordelijkheid voor een aantal tafeltjes die hij op orde wil houden. Het is geen eenmalige ervaring. En nog een oorzaak: er is geen, zichtbaar, management. Er is niemand die zegt: “Kom op, we gaan er tegen aan.” En dus hangt het meisje van het internetcentrum zuur achter haar bureau: “nje rabota”; het werkt niet. “Wanneer wel?” “Dat weet ik niet hoor.” “Waar vind ik een andere internetservice?” “Dat weet ik niet hoor.” Zo gaat dat. Het zal niet veranderen, alle marketingboeken in de boekhandels ten spijt, het is gewoon Russisch.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Siberië, Mongolië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s