Voltooide tijd

Vladivostok binnenrijden, dat is emotioneel! Van Khabarovsk naar Vladivostok is aardig, een goede weg door een mooi, niet erg interessant landschap. Ik heb het gevoel te reizen in spare time: ik heb het gehaald maar moet er alleen nog even komen. Van een automobilist heb ik een cassettebandje met Russische pop gekregen en in een café blini’s met vanillesaus omdat ik helemaal vanuit Galandija op de motor ben gekomen. De laatste kilometers. Er komen meer huizen. De weg gaat een helling op, een bocht om en daar staat het toegangsmonument van Vladivostok. De naam in grote bronzen letters op een rechthoekige stenen sokkel. Ik stop voor de foto. En dan breekt de emotie door. Ik heb gelachen en gehuild. Ik heb gelachen omdat ik er ben. Ik ben in Vladivostok na honderdnegentig dagen en tweeëndertigduizend kilometer reizen. Tweeëndertigduizend kilometer in honderdnegentig dagen: ik heb het grootste continent doorkruist. Ik heb gereisd door woestijnen, steppen en de Siberische wildernis. Ik ben drijfnat geweest van het zweet en heb pijnlijke vingers gehad van de kou. Maar ik ben in Vladivostok! Tegenover het toegangsmonument is een kiosk met tafeltjes en stoelen. Ik bestel er een broodje en een kop koffie om de aankomst te vieren. De ober vraagt waar ik vandaan kom. “Uit Galandija op de motor?” “Da” En dan barst ik in huilen uit. Het is de ontlading. Ik huil om dezelfde redenen als waarom ik gelachen heb: om de gekmakende afstanden, om de modder, om de pijn, om de spanning. Maar ik huil vooral omdat het gedaan is. Het is volbracht. Voltooide tijd. Opeens. De ober brengt een pakje sigaretten – “Voor jou omdat je helemaal vanuit Galandija naar Vladivostok bent gekomen.” – geeft een schouderklopje en laat me verder rustig zitten. Zo zijn Russen.

Toegangsmonument Vladivostok.

Het toegangsmonument van Vladivostok met trots mijn motor ervoor.

Ik ben aangeslagen door de oneindigheid van Siberië. Toen ik de reis voorbereidde nam ik de atlas. Siberië is daarin een groot groen en bruin vlak met blauwe kronkelige rivieren, kleine tekentjes die moerassen voorstellen en een enkele rode lijn, een weg. Het ziet er overzichtelijk uit maar zegt niets. Aan de hand van tabellen heb ik de afstand berekent, soms moest ik een schatting maken: van Utrecht naar Vladivostok is ongeveer vijfentwintigduizend kilometer – ik zat er zevenduizend naast – en van Novosibirsk tot Vladivostok is zesduizend zeshonderd kilometer. Indrukwekkende getallen maar ze zeiden me niets; ik kon me er niets bij voorstellen. Hoever is vijfentwintigduizend kilometer, hoever zesduizend zeshonderd? Het zijn abstracte getallen. De Siberische ruimte is niet te bevatten, niet vooraf en niet als je het hebt gedaan. Het is magisch, Siberië te doorkruisen. Duizend kilometer is de rekeneenheid, als een lichtjaar in de astronomie. Van Novosibirsk naar Irkoetsk zijn twee Siberische lichtjaren, van Irkoetsk naar Chita weer twee, van Chita naar Khabarovsk nog eens twee en van Khabarovsk tot Vladivostok bijna één. Het zegt allemaal niets, een Siberisch lichtjaar is niet te overzien. Het blijven voortrollende wielen, voorbijgaande bossen, altijd maar kilometerbordjes, aaneenrijgende dagen. Ik heb me een mier gevoeld op een voetbalveld. ‘Sibir’ betekent stilte: hier verdwijnt elk geluid in de oneindigheid. Het is huiveringwekkend en majestueus.

Siberië is oneindig en de oneindigheid is een piepklein doosje waar je in zit. Ik weet dat niet zeker want daarvoor moet ik het doosje aan de buitenkant kunnen bekijken en dat gaat niet want ik zit er in. Maar het móet wel zo zijn; het is de enige manier om de Siberische ruimte te bevatten: een piepklein doosje in Gods hand. Als het Hem behaagt dan doet Hij het doosje open en dan ben je – ploep – in Vladivostok. Pas in Vladivostok besefte ik dat ik al die tijd in een piepklein doosje in Zijn hand was, zonder het te weten. Ik zou terug willen – dezelfde ervaring maar nu bewust – maar dat gaat niet. Het gaat niet want de winter komt er aan. En al ging het wel, ik zou het doosje niet terugvinden. Terug gaan levert niet dezelfde ervaring op; het zou kilometers vreten zijn over rottige wegen langs plaatsen met beroerde overnachtingsgelegenheid. Ik weet dat ik die ervaring niet terug kan krijgen op dezelfde manier. Ik ervoer God in het niets van de Sahara: ‘IK ben bij je.’ Daarom ging ik bij Kerman, in Iran, de woestijn in. Het was een mooi landschap, het was heet en het was op het randje maar God vond ik niet. God laat zich niet twee keer op dezelfde manier vinden. Hetzelfde geldt voor mensen. Reizen is toevallig vinden en ook onmiddellijk weer verliezen: de tomatensoep van Abu Mohamed en de blini’s met vanillesaus, Khumsan en Doesja, de God van de woestijn en de God van het doosje. Eenmaal gevonden is verloren en dwingt opnieuw te vinden. Dat maakt reizen zo verslavend.

Ik heb gelachen en gehuild maar ik heb geen triomf gevoeld. Ik heb Siberië niet overwonnen, Siberië heeft me laten gaan. Ze had me kunnen vangen in haar modder, verstijven in haar kou, opslokken in haar oneindigheid. Ze heeft het niet gedaan, ze heeft wat tikjes uitgedeeld, ze heeft me laten gaan. Ik heb geluk gehad. Voltooide tijd.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Over mij, Siberië, Mongolië en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s