De Zilov Gap

De Zilov Gap, van Chita tot Khabarovsk, is beroemd en berucht bij langeafstandsmotorrijders: “Is het te doen?” is de meest gestelde vraag op de website van HorizonsUnlimited. Even buiten Chita staat een richtingwijzer: Khabarovsk, 2165 kilometer. Er naast staat een paaltje met het bordje ‘1’. Strafgevangenen moeten zelf hun dagen afstrepen; voor mij houdt de staat de telling bij. Twee kilometer is één promille; tweeëntwintig kilometer één procent. Ik haal diep adem en geef gas; de Zilov Gap.

De Zilov Gap; wegcondities september 2004.

De Zilov Gap; wegcondities september 2004.

Er is enig uitstel van de beproeving: de kaart in mijn Atlas Automobilnje belooft nog tweehonderd kilometer asfalt. Ik geniet er bewust van. Na honderdveertig kilometer houdt het asfalt op. De kaart is blijkbaar gebaseerd op een optimistisch plan. Het valt mee: de weg is weliswaar ongeasfalteerd maar heeft een hard oppervlak met weinig grind. Het is een nieuw aangelegd tracé, een deel van de weg die president Poetin laat aanleggen naar Vladivostok en die over een paar jaar klaar moet zijn. Ik kan een snelheid van tachtig kilometer per uur gemakkelijk handhaven. Het landschap draagt een feestgewaad van herfsttinten: intens geel van berken, rood van vogelkers, zwart en groen van dennen en er is ook paars en oker. De hemel is blauw en de temperatuur aangenaam; heerlijk motorrijden. Als dát de Zilov Gap is… De angst vooraf is altijd erger dan de werkelijkheid. Angst, gevoed door de verhalen van motorrijders die ik ben tegen gekomen. Yun: “Riddled with potholes, covered with mud.” Glenn: “Het ergste dat ik ooit heb gereden.” Vooralsnog is er niets aan de hand. Er is tamelijk veel verkeer. Veel personenauto’s, de meeste in konvooien van vier, zes of acht auto’s. Dit is de nieuwste karavaanroute: tweedehands auto’s worden in Japan en Korea gekocht, verscheept naar Vladivostok, gereden naar Krasnojarsk of Novosibirsk en daar verhandeld. De motorkap is afgeplakt, de koplampen beschermd met karton en in de wielkassen is linoleum aangebracht; sommigen hebben ook een deel van de voorruit afgeplakt. Alles tegen opspattende stenen. Het gaat goed, het gaat heel goed. ’s Avonds bereik ik het stadje Zhireken. Ik heb meer dan vierhonderd kilometer afgelegd.

Zilov Gap, de weg naar Zjireken

Naar Zjireken; ongeasfalteerd maar goed, in een landschap met herfsttinten

Er is een gastinitsa in Zhireken maar die is gesloten. “We zijn aan het verbouwen” zegt de hoteldame. Ze gaat telefoneren. Ik hoor het woord ‘kwartiri’: ze probeert me bij iemand onder te brengen. Ze kijkt me vragend aan: tweehonderdvijftig roebel, oké? Ik vind het goed. Zo beland ik bij Doesja. “We gaan eerst je motor wegbrengen” zegt Doesja. Ze gaat me voor naar het einde van de wijk. Daar staat, gebruikelijk in Rusland, een verzameling betonnen bouwseltjes en wrakkige containers. Dat is de mannenrommelplaats. Een ervan is van Nikolai, werkplaats en garage voor zijn motor. “Jouw motor eruit en die erin” zegt Doesja. Nikolai duwt zijn Planeta met zijspan het hok uit, de mijne gaat er in en met een groot hangslot gaat het hok op slot. Nikolai brengt me terug, naar het appartement van Doesja. Mijn bagage gaat in het zijspan en ik achterop. Doesja’s appartement heeft twee kamers, een keuken en een badkamer. Alle binnendeuren zijn verwijderd; ze heeft er een doorloopwoning van gemaakt. Het interieur is kaal en armoedig – weinig en erg gesleten meubels – rommelig en een tikje smoezelig. Het ruikt er naar kattenpies. “Het is maar een dier” zegt Doesja en knuffelt haar kat. Ze is aardig, heeft een geleefd lief gezicht met sprekende ogen. Een echte vrouw: niet onschuldig en niet verdroogd. Ze spreekt haar naam koket uit: de klemtoon op ‘doe’ en langgerekt en ‘sja’ kort als een punt. DOEsja. Ze is vijftig: “Ik ben een jaar jonger dan jij” zegt ze. Ze noemt me Max want met ‘Mart’ kan ze niet uit de voeten. Doesja is geen opruimtype noch een schoonmaaktype maar wel zorgzaam. Ik moet in haar huis mijn schoenen uit doen en mag ook niet op mijn sokken lopen. Ze geeft me sloffen. In de badkamer is alleen koud water. Doesja warmt een ketel water voor me. Als ik in de badkamer de ketel uit mijn handen laat glippen zegt ze “maakt niet uit”, dweilt het water en zet een nieuwe ketel op. Ik moet nog eten. Ze vraagt iets dat ik begrijp als “Voor hoeveel wil je eten?” Ze wil kennelijk voor me koken. Ik geef haar honderd roebel en daarmee gaat Doesja inkopen doen. “Niet opendoen als ik er niet ben” waarschuwt ze. Ze komt terug met drie worstjes van smackkwaliteit, vier eieren, een stuk kaas, een brood, een flesje bier en een zakje koekjes. Ze geeft me de kwitantie: ze heeft voor precies honderd roebel gekocht. Ze bakt twee worstjes met twee eieren, snijdt brood en kaas voor me, zet thee. Terwijl ik eet vertelt ze. Doesja begrijpen is niet moeilijk: ze spreekt met haar handen en met haar gezicht. Ze is getrouwd geweest. Over haar ex zegt ze “plachoje”, slecht. De drank. “Het is verschrikkelijk. Weet je dat er zelfs reclame wordt gemaakt voor kinderbier?” Doesja is kraandrijfster geweest. Ze doet het voor met haar handen: ze pakt een doosje op, beweegt het horizontaal, laat het weer zakken. Vijftien jaar. Daaraan heeft ze een kleine uitkering overgehouden. Nu zit ze in de werkverschaffing. Ze had ook een beetje geld gespaard. Dat geld stond op de bank en die is failliet gegaan. “Politiek en bizniz, plachoje.” Doesja heeft kennis gemaakt met de Russische variant van het kapitalisme. Tegen tienen pakt ze haar tasje in: een kam, tandenborstel, pasta. Ze gaat elders slapen.

Doesja

Doesja

Ik heb bij Doesja niet goed geslapen. Het bed zakte diep door, de kat jankte en ik had veel spanning, zorg om wat voor me ligt. Om half zeven is Doesja er weer. Dat hebben we afgesproken. Ik wil vroeg op pad en zij moet naar haar werk. Ik wil geen ontbijt, alleen thee en koekjes. Er is nog een worstje, eieren, brood en kaas. Ze wil het meegeven als lunchpakket. Ik wil het niet. Om zeven uur staan we buiten. Het is nog donker en het is koud. “Het heeft vannacht gevroren.” Doesja brengt me naar Nikolai, zegt “do swidanja”, tot ziens, en “veel geluk”. Ze zwaait nog ’n keer. Doesja.

Nikolai staat op me te wachten. Zijn pet diep over de ogen en zijn schouders opgetrokken zodat zijn hoofd nog kleiner lijkt dan het al is. Hij heeft het ook koud. Samen halen we de motor en hij helpt met mijn bagage. Ik krijg de topkoffer niet vastgeklikt, het slot is kapot. De sluitplaat is van de bevestigingspennen losgeraakt. Ik heb het al een tijd zien aankomen: het slot zat steeds losser. Nikolai bekijkt het slot. “Dat kan ik repareren” zegt hij, “We gaan naar mijn huis.” Zijn woning ligt achter die van Doesja en het is er net zo armoedig en veel rommeliger. Hij heeft wel een mooie grote stereo-installatie. Nikolai houdt van Nirvana. Nirvana is een erg nihilistische popgroep, zo nihilistisch dat de leadzanger Kurt Cobain zichzelf heeft doodgeschoten of doodgespoten. Nirvana is heel populair in Rusland en dat is niet toevallig want in de Russische psyche zit ook een nihilistische onderstroom. Met het gejank van Nirvana op de achtergrond gaat Nikolai aan de slag. Hij prutst de sluitplaat over de bevestigingspennen, pakt een hamer en een drevel, slaat de pennen uit elkaar en – hop – de sluitplaat zit weer vast. Als dank heb ik hem mijn waterpomptang gegeven. Aan Doesja heb ik mijn zilveren klavertjevier gelaten. Ze kan wel wat geluk gebruiken.

Door het probleem met het slot van de topkoffer is het toch negen uur geworden als ik Zhireken verlaat. Maar de lucht is blauw, de zon piept over de heuvels, het wordt wat warmer en de weg is uitstekend. Het gaat goed, het gaat heel goed. Tot honderd kilometer achter Zhireken. Daar houdt het nieuw aangelegde tracé op en volgt een lokale weg. Een lemen wegdek met diepe sporen en bezaait met kuilen. “Riddled with potholes.” zei Yun. Het lukt niet alle kuilen te ontwijken, zelfs niet altijd de grote. “Dat redt je schokbreker nooit. Die sneuvelt.” zei Glenn. Om de schokbreker te ontlasten sta ik op de voetsteunen en dat is uiterst vermoeiend. Hotsebotsend kom ik langzaam verder; meer dan tien tot twintig kilometer per uur zit er niet in. In de eerste versnelling en daarvan wordt de motor erg heet. En ik heb weinig benzine. Door de hitte van de motor en de lage druk in de tank ontstaan dampbellen in het benzinefilter waardoor de benzinetoevoer wordt geblokkeerd en de motor afslaat. Een vapour lock heet dat. Het is een ramp: om de vijf kilometer heb ik weer een vapour lock, moet ik de motor langs de kant van de weg zetten, de jerrycan met water losgespen, het filter koelen, de jerrycan weer vastsjorren. Om de vijf kilometer! De medeweggebruikers – dat zijn er best veel – zijn aardig: ze wijken uit en laten aan mij het beste, minst beschadigde deel van de weg, het middendeel. Ze zwaaien en steken hun duim op: ‘top!’ Die aanmoediging kan ik goed gebruiken. Ik praat mezelf moed in: “Die kuil heb ik mooi ontweken”, “Alweer vijf kilometer afgelegd” en “Een vlak stuk weg!” Na honderd kilometer hotsebotsen bereik ik eindelijk een tankstation zodat ik van de vapour locks af kom. Doodmoe en helemaal door elkaar geschud kom ik om acht uur ’s avonds aan in Mogocha. Ik heb in een hele dag amper tweehonderdvijfenzeventig kilometer afgelegd. Nog vijftienhonderd kilometer. Dit is de Zilov Gap.

Wegwijzer, 500 kilometer van Chita.

500 kilometer van Chita en nog 1665 naar Khabarovsk. Moskou ligt 7200 kilometer hier vandaan.

“Is er hier een hotel?” “Gaat u naar het station.” De regionale spoorwegstations hebben hotelaccommodatie. In Mogocha op de derde verdieping van het stationsgebouw. Daar zit een pinnige dame die me resoluut naar beneden stuurt: inboeken moet bij het loket in de stationshal. Het vergt enige administratie; er worden drie bonnen uitgeschreven die ik alle drie moet tekenen. Een is voor de loketadministratie, een voor de hoteldame en een voor mij. De prijs is uiterst vriendelijk: vijfennegentig roebel, drie dollar. Daarvoor krijg ik een bed in een kamer met vijf bedden. Een ervan is bezet door een ingenieur uit Novosibirsk die in Mogocha is om een treinwagon te repareren. Hij maakt me attent op de aanwezigheid van een douche. Dat wil ik graag. “Dat kan” zegt de hoteldame die vriendelijker is omdat ik nu een reglementaire gast ben “Dat kost drieënveertig roebel.” Ik vind het prima en trek de beurs. “Nee” zegt de dame “naar het loket en een douchebon halen.” Er worden weer drie bonnen uitgeschreven en weer zet ik drie handtekeningen om te kunnen douchen voor anderhalve dollar. De douche is heerlijk warm en ik kan me scheren. Het handdoekje daarentegen is het kleinste en het dunste dat ik ooit heb gezien. Ik moet ook de motor onder dak zien te krijgen. De hoteldame bevriest als ik haar vraag naar een bewaakte parkeerplaats: “Dit is een station, geen autostojanka.” Ik ben zelf op zoek gegaan en heb een plaats gevonden tegenover het station, bij mensen in de tuin met een hoge schutting en met een heel grote valse hond. Ik heb de motor zo dicht als ik durfde bij die hond geschoven. Ik heb niet goed geslapen in het stationshotel: het bed was het hardste waarin ik ooit heb gelegen, de hele nacht hoor ik de keiharde schelle stem van de stationsomroepster en mijn kamergenoot wil het raam open en dus zijn er muggen. Voordat ik ’s morgens vertrek controleert de hoteldame of ik het handdoekje niet meeneem.

De derde dag in de Zilov Gap. Vandaag wil ik Skovorodino bereiken. Dat is een mijlpaal: het is min of meer op de helft en ligt op de grens van Siberië en het Verre Oosten. Het is acht uur en bitter koud. De motor is dik berijpt en start met moeite. Tot laat in de ochtend moet ik elk half uur stoppen om mijn vingers te ontdooien. Dat doet vreselijk pijn. Pas in de loop van de middag wordt de temperatuur aangenaam en om vijf uur koelt het alweer af. Dit is Siberië in de herfst. Vanaf Mogocha is de weg niet ‘riddled with potholes’ maar ‘riddled with detours’, omleidingen. Het tracé van de nieuwe weg is nog in aanleg en hetzelfde geldt voor de bruggen. Er zijn heel veel rivieren en dus ook heel veel bruggen in aanbouw en voor elke brug is er een wegomleiding: vlak voor de brug steil omlaag en vlak er na steil omhoog en de hellingen zijn bedekt met leem en grote keien. De vrachtauto’s van de wegenbouwer wachten geduldig tot ik omlaag en weer omhoog ben geklauterd. De chauffeurs steken hun duim op. Wegwerkers kijken toe vanaf de brug en roepen “Je kan er door heen, het is maar zó diep!” Over grote stukken van het tracé ligt een dikke laag grof hoekig grind, de onderlaag van de toekomstige weg, waarop de motor beweegt als een balletdanser in een experimenteel stuk. Op andere plaatsen is de toplaag wel aangebracht maar nog niet platgewalst. De overgang van onderlaag naar toplaag is een akelige steilrand van soms wel een meter hoog. Een enkele keer schiet de wegenbouwer de zwoegende motorrijder te hulp met een bulldozer en een wals. De wegwerkers zwaaien, steken hun duim op, willen met mij – en vooral met de motor – op de foto, vragen om mijn handtekening en om sigaretten. Ik ben een vrek maar niet met sigaretten; ik heb altijd genoeg om uit te delen. Daarom komen de wegwerkers ook te hulp als ik vast kom te zitten in een diep spoor. Zes mannen tillen de motor op en dragen hem tot het eind van het spoor. Delen loont. De laatste zestig kilometer van het tracé, tot vlak voor Skorovodino, is klaar, op het asfalt na, en hier gaat de ene beproeving naadloos over in de volgende. Het verkeer werpt enorme stofwolken op. Soms is het zicht niet meer dan tien meter. Het gevolg is dat ik het eind van het tracé niet opmerk en met zestig kilometer per uur een kuilenveld inrijdt. Over de eerste kuil vlieg ik heen, de tweede kan ik ontwijken maar de derde, daar beland ik middenin. Ik voel de schokbreker dichtslaan maar er is godzijdank geen schade. Ik heb God gebeden om een piepklein regenbuitje, net genoeg om het wegdek vochtig te maken en het stof vast te houden.

Ik ben gehoord en hoe! Ik word ’s nachts wakker van het geklater van de regen op het dak. Het stortregent. ’s Morgens is de hemel loodgrijs en het regent zachtjes maar in het noorden en het zuiden zie ik blauwe lucht; het is een smalle regenzone. Achter Skovorodino ligt een nieuw tracé met wasbord, kuilen en veel grof grind. Het is te doen, ik haal er wel veertig tot zestig kilometer per uur. Na honderdvijftig kilometer wacht een ramp: het nieuwe tracé houdt op en gaat over in een lokale weg van leem dat door de regen is veranderd in een modderbrij en vergeven van de diepe kuilen. Op de kaart lees ik dat deze beproeving honderdzeventig kilometer zal duren. Ik zal God nooit meer vragen om regen. Het valt eigenlijk nog mee: de banden – geknipt voor het ruige werk – hebben grip in de modder en ik kan om de meeste kuilen slalommen. Ik leer modderrijden en haal wel dertig kilometer per uur. Maar in no time zijn motor en berijder bedekt met een dikke laag modder. De modder plakt zelfs bovenop mijn helm. Na een tijdje gaat het waarschuwingslampje van de koeling branden: de radiator is dichtgemodderd. Met een borsteltje probeer ik de radiator schoon te maken. Een passerende automobilist geeft me een plastic fles die ik kan gebruiken als een spuit. Met het water loopt de modder uit de radiator. Die dag heb ik dat karwei nog driemaal moeten herhalen. Opbeurend is de omgeving niet: hemel en aarde zijn even grijs, sombere bossen en moerassen en de opklaringen blijven pesterig op een afstand. Opbeurend is wel de machinist van de goederentrein die een tijdje met me oprijdt want de weg volgt de Trans-Siberische spoorlijn. Hij laat de fluit klinken, steekt zijn hand uit het raampje en zijn duim omhoog.

Na zeven uur zwoegen over honderdzeventig kilometer komt er inderdaad een eind aan de modder zoals de kaart belooft. Er ligt een nieuw tracé met een hard, vlak dek en weinig grind. Het is aanlokkelijk maar het loopt tegen zevenen en de schemering begint. Bij een café in een dorp vraag ik naar onderdak. Binnen is iedereen volkomen laveloos. Het gezicht van de serveerster is besmeurd met ketchup en mayonaise omdat ze vergeefs een hotdog in haar mond probeert te krijgen. Er is geen gastinitsa in het dorp. Over kwartiri begin ik niet, de dronkenschap is te angstaanjagend. Een van de gasten brengt er met moeite uit “Shimanovsk”, daar zou een hotel zijn. Het is nog honderd kilometer naar Shimanovsk. Totaal bemodderd heb ik geen zin in kamperen dus dan maar Shimanovsk. Tachtig, negentig, honderd kilometer per uur om nog zoveel mogelijk te profiteren van het laatste licht. In het pikkedonker mis ik bijna de afslag. Er is inderdaad een hotel in Shimanovsk. “Een kamer met douche?” vraagt de hoteldame “Dat kan maar aan die douche heb je niks, alleen koud water.” “Wat kost die kamer?” Ze wijst op een bordje: zestienhonderd roebel. Meer dan vijftig dollar voor een kamer met een koude douche. “Wat kost een kamer zonder douche?” Ze wijst opnieuw op het bordje: negenhonderd roebel, dertig dollar. Verschrikkelijk! “Ja” zegt de dame “dat is nu eenmaal de prijs en er is geen ander hotel in deze stad.” Bij die prijs breng ik nog liever de nacht door onder een boom in het bos. Ik doe een tegenbod: zeshonderd roebel. Dat is ook heel erg veel voor een kamer zonder douche maar het is negen uur ’s avonds en ik ben uitgeput. Ze zegt niet ‘ja’ en niet ‘nee’ maar wil mijn paspoort en gaat daarmee naar achteren, kennelijk voor overleg. Ze komt terug met twee mannen waarvan er een behoorlijk Engels spreekt. “Natuurlijk is er een kamer. Voor vierhonderdvijftig roebel.” “Nee” sist de dame “hij heeft zojuist zeshonderd roebel geboden.” “Voor zeshonderd roebel en” – hij wijst naar zijn metgezel – “dat is de chef van de politie en die brengt je motor onder dak in het bureau.” Een politieauto gaat me voor en brengt me ook weer terug naar het hotel. Mijn kamer is de meest afgekloven die ik ooit heb gehad: geen gordijnen, twee wrakke stoelen, een bedbank en een wasbak. Met koud water. De deur kan niet op slot. Het toilet is buiten op de gang; geen bril, geen toiletpapier. Voor zeshonderd roebel. De hoteldame komt me halen: mijn nieuwe vrienden verwachten me nog. Voorbij een donkere zaal, in een zijkamer achter een gordijn tref ik ze aan, een gezelschap van vijf mannen. Mijn Engels sprekende helper blijkt de plaatselijke officier van justitie en verder zit daar de chef van de politie, de rechter, de chef van de veiligheidsdienst en een Litouwer die heel laatdunkend wordt behandeld en aangeduid als “a little prosecutor”. De officier heeft het hoogste woord, de politiechef vult aan, de rechter luistert, de chef van de veiligheidsdienst stelt wat vragen. De Litouwer is geheel beschonken en komt niet verder dan “Sprechen Sie Deutsch?” De Staat in Shimanovsk, in een zijkamer achter een gordijn aan de dis en, vooral, de wodka. Maar ze zijn aardig en gul voor mij met eten en drinken. En ze dringen niet al te hard aan als ik geen wodka meer wil. Als ik afscheid neem en naar mijn kamer ga, roept de politiechef me nog na: “Je moet morgen op het bureau naar mij vragen, naar Pavel, anders krijg je je motor niet.”

Voor zeshonderd roebel heb ik goed geslapen. De regenzone is weggetrokken, het is stralend weer, en mijn motor krijg ik terug zonder dat ik de chef er bij hoef te roepen. Ik rijd Shimanovsk uit en passeer de afslag die ik in het donker met honderd kilometer per uur bijna miste. Nog geen vijftig meter achter die afslag eindigt het nieuwe tracé in een brug in aanbouw. Ik heb vreselijk veel geluk. Aan een beekje was ik de ergste modder van de motor. Ik krijg de modder niet uit de lamellen van de radiator. Tegen enen ben ik weer op weg. Het is een fantastische dag geworden: alleen maar asfalt op lekker bochtige wegen. Ik heb lui gereden, lekker geluncht en koffie gedronken. Het land is mooi, de herfsttinten zijn verdwenen en er is veel meer variatie in de vegetatie. Ik zie bomen die ik nog nooit eerder heb gezien. Ik ben uit Siberië, weg van de berken en de dennen, weg van de herfst, weg van de kou. Dit is het Verre Oosten. Aan het einde van een vakantiedag rijd ik Zavitinsk binnen.

In Zavitinsk vind ik opnieuw onderdak bij de Russische spoorwegen. Hier is de overnachting veel duurder dan in Mogocha, tweehonderdnegenenveertig roebel – niet tweehonderdvijftig! – maar toch nog goedkoop, bijna negen dollar, en veel beter. Er is hotelverschil tussen de stations. In mijn kamer staan maar twee bedden en ik heb de kamer voor mij alleen. Het bed is prima, niet te hard en niet te zacht. Er zijn gordijnen, er is een nachtkastje, een kapstok en een wastafel. Aan het loket krijg ik een redelijk grote handdoek en een enorm stuk zeep. De douche is geweldig: lekker veel en lekker heet water. In Siberië is warm water een luxe maar de spoorwegen zijn er gul mee. Ik hoop dat faciliteiten als deze blijven bestaan maar ik ben bang dat zich op enig moment een consultant bij de Russische spoorwegen zal vervoegen met woorden als ‘corebusiness’, ‘efficiency’ en ‘bedrijfsmatig werken.’ Dan wordt het hotel opgedoekt of geprivatiseerd, worden weer wat dames brodeloos en kan de reiziger de nacht op het perron doorbrengen. Vreselijk!

Mijn aankomst in Zavitinsk is niet onopgemerkt gebleven. De serveerster van het cafetaria aan de overkant van het stationsplein wil graag dat ik op haar damesblad schrijf ‘voor Natasja’ en dat ik er mijn handtekening onder zet. Rondom mijn motor heeft zich een groep mannen verzameld die de technische bijzonderheden bediscussiëren. Ik vraag naar de autostojanka. “Rij maar achter mij aan” gebaart een van hen. Ik volg hem naar zijn huis aan de rand van Zavitinsk. Mijn motor mag op zijn binnenplaats. Hij brengt me terug naar het station en belooft dat hij me de volgende ochtend om negen uur ook weer komt ophalen. Hij is er inderdaad om negen uur. Voor de nacht heeft hij mijn motor afgedekt met een deken. Wat wil hij als beloning? Hij wil graag een foto maken van zijn kleindochter op de motor.

Ik heb goed geslapen in Zavitinsk. Het is nog steeds stralend weer, het is nog maar zeshonderd kilometer tot Khabarovsk en mijn kaart belooft voor het overgrote deel geasfalteerde weg. Piece of cake. “De weg is slecht tot Birobidzjan” zegt de man die mijn motor onderdak heeft gegeven. Even buiten Zavitinsk houdt het asfalt inderdaad op; ik heb vast een communistische propagandakaart. Het onverharde tracé is redelijk te berijden maar er is veel verkeer en dat veroorzaakt enorme stofwolken. Het is windstil en het stof blijft als een dichte mist tussen de bomen en boven de weg hangen. De stofmist is zó dicht dat ik de wegranden niet kan zien. Ik rijd met groot licht om opgemerkt te worden door de tegenliggers. Om de haverklap moet ik stoppen; niet om mijn handen te ontdooien, niet vanwege een vapour lock, niet om de radiator schoon te maken, nee: deze keer om mijn helmvizier van stof te ontdoen. Af en toe is er een stukje asfalt, een paar kilometer, een pauze in de stofkwelling. En elk stukje asfalt maakt de kwelling groter, roept hoop op: ‘ben ik er uit?’ Nee, daar begint de stofweg weer. Het gaat zo tot ongeveer zeventig kilometer voor Birobidzjan. Daar begint weer asfalt en nu weet ik dat de kwelling definitief voorbij is: de tegemoet komende auto’s zijn schoon, stofvrij. Birobidzjan is een echte stad met een toeristenhotel en Chinese toeristen en banken met geldautomaten. De Zilov Gap ligt achter me. Ik inspecteer de luchtfilter van de motor. Die is volkomen dichtgestofd en in de voorruimte van de luchtkamer ligt zeker één centimeter stof en een steentje.

Khabarovsk

Khabarovsk

De volgende dag leg ik onder stralend weer de laatste honderdtachtig kilometer af naar Khabarovsk. Het is een feestrit als van de gele trui drager in de Tour de France op weg naar de Champs-Elysées die weet dat hij niet meer verslagen kan worden. Ik steek de Amur over en rijdt Khabarovsk binnen. Het laatste kilometerbordje meldt ‘2165’. De Zilov Gap: het is gedaan en het was te doen. Mijn naam kan in het dunne boekje van de motorrijders die de Gap hebben gedaan. Ik heb vreselijk veel geluk gehad: maar één dag regen. Ik moet er niet aan denken de Gap met regen en modder te moeten doen. Ik zal me de opgestoken duimen en het applaus blijven herinneren. Ik sta op veel foto’s en mijn handtekening is menigvuldig verspreid. Voor de aanmoedigingen en voor de hulp ben ik de medeweggebruikers en de wegwerkers dankbaar. Ik ben de mensen dankbaar die mijn motor onderdak hebben gegeven. Russen zijn top! Bovenal ben ik Doesja dankbaar. Zij heeft mij een avond lang een thuis gegeven. Ze was hartelijk en zorgzaam. Zulke ontmoetingen zijn zeldzaam en ik zal me haar blijven herinneren. Het was maar een avond lang. Ik zou willen weten hoe het met haar gaat. Het kan niet; reizen is afscheid nemen. Maar toch: als iemand per trein naar Vladivostok reist, stap dan uit in Zhireken. Ga naar het hotel en vraag daar naar Doesja. Doe haar dan de groeten van Max uit Galandija. Geef haar de zoen die ik niet gegeven heb.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Siberië, Mongolië en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s