Mongolië

De Mongoolse douanebeambte wil weten hoeveel roebels ik bij me heb. Ze wil het geld zien, telt het na en steekt honderd roebel in haar zak. Haar collega die de import-administratie doet is blij verrast: “U komt uit Nederland? Kent u Arnold Vanderlyde?” In andere landen wordt gevraagd naar ‘Kroef’ en ‘Koeliet’ en ‘Vanbastèn’, in Turkije is van Hooydonck heel populair, maar in Mongolië wordt gevraagd naar Arnold Vanderlyde. Mongolië is een worstel- en boksnatie. “Ik heb Arnold Vanderlyde ontmoet op de Olympische Spelen in Barcelona. Hij zat in de tachtig kilogram klasse en ik in de zestig kilogram klasse. Uw landgenoot is een groot bokser.” Al aan de grens ben ik gewonnen voor Mongolië.

Van Irkoetsk langs het Baikalmeer – niet gezien vanwege de regen – over Ulan Ude naar Ulaanbaatar. Dat is duizend kilometer, de rekeneenheid in de Siberische ruimte. Als de weg van het Baikalmeer afbuigt openen zich eindelijk de zware deuren van het bos en sta ik buiten. Weg uit de benauwenis, eindelijk open ruimte en, vooral, lucht! Het bos bezet nog de heuvels maar de vlakten zijn in beslag genomen door akkers. Zuidwaarts trekt het bos zich verder terug naar de hoogste ruggen en maakt het akkerland plaats voor de steppe. Grijsgroen in het middaglicht en geelgroen in het late licht dat toch het mooiste is van alle licht. Kudden geiten, koeien en paarden worden voortgedreven door herders te paard. Paarden met korte benen, stevig gespierde billen en een glanzende bruine vacht. Gezonde beesten, de trots van Mongolië. Veel, heel veel roofvogels. Kleine, denkelijk haviken, en grote jongens, de adelaars. Er zit er een op een verkeersbord uit te buiken. Ik stop er niet meer voor – ik heb er zoveel gezien – behalve als ik een hele zwerm zie cirkelen. Ze hebben het gemunt op het lijk van een kalf. Vliegende tijgers zijn het, de andere trots van Mongolië. De Mongoolse steppe: niet als de Kazachse die golft over de horizon. Een vlakte zien is leuker dan er een over moeten. Ik bedoel de kwelling van die almaar wijkende horizon. Van Almaty naar Karaganda is duizend kilometer wijkende horizon. Dat is heel erg veel. Op de Mongoolse steppe is de horizon verborgen achter bergruggen; de ruimte is begrensd. Niet zoals in het Siberische bos waar de grens bijna binnen handbereik is: twee stappen links en twee stappen rechts. In het Mongoolse land ligt de grens ver genoeg weg om echt ruimte te scheppen. De Mongoolse steppe: de mooiste van alle ruimten. Het grijsgroen en het geelgroen en alle tinten groen op de berghellingen en het roodbruin van de toppen. Met de witte stippen van de gers en de bruine vlekken van de kudden. Met de eenzame wegwijzer die wijst naar iets in het niets – Kashaat, achtentwintig kilometer, maar geen weg – en de stofwolk die ik zelf heb getrokken. De Mongoolse steppe: Gods schepping nadat Hij het water scheidde van het land en het gras maakte maar voordat Hij de bomen vrijliet uit Zijn proeftuinen hoog op de bergen.

De Mongoolse steppe.

De Mongoolse steppe.

Naar Ulaanbaatar is driehonderddertig kilometer vanaf de grens en over een van de twee geasfalteerde wegen van dit land (de andere loopt van Ulaanbaatar naar westen met een blindedarm van zeventig kilometer naar Kharkhorin). Langs de weg liggen betrekkelijk veel dorpen. Dorpen van het Sovjettype: grauwe appartementsgebouwen langs ongeplaveide straten te midden van houten huisjes. Slecht gebouwd, niet onderhouden. Wie bouwt appartementsgebouwen in een land met een oceaan aan ruimte? De Roemeense dictator Ceaucescu is berucht geworden vanwege de vernietiging van de dorpen in zijn land en de concentratie van de boerenbevolking in wooncomplexen. Boeren in een flat. Hij is de enige niet.

Ulaanbaatar is de meest westerse stad die ik tot nu toe op deze reis heb bezocht en de State Department Store – de Mongoolse TSUM – de meest welvoorziene. Kasjmir truien, leren kleding, parfums, de nieuwste breedbeeld televisies en de laatste laptops. Alles professioneel uitgestald. Het barst in Ulaanbaatar van de restaurants. Chinese en Koreaanse en Italiaanse pizzeria’s. Voor de toerist of de expat met heimwee is er Chez André, een Duitse Bäckerei-Konditorei en restaurant California met Cesar Salad en Amerikaanse reuzensteaks. Hier rijden de grootste fourwheeldrives, er zijn heuse files en ik ervaar het meest abominabele verkeersgedrag sinds Teheran. Mongolen rijden een auto alsof het een paard is. De jongeren van Ulaanbaatar zijn de hipste van Azië met geblondeerde haren of kaal geschoren, oorringen en tatoeages, voorgescheurde spijkerbroeken, de nieuwste runners aan de voeten en natuurlijk een mobiele telefoon. De nomaden van nog maar kort geleden passen zelfbewust moeiteloos in het straatbeeld van Londen, Parijs of New York. Tegenover de hippe welvaart staat de schrijnende armoede van dronken daklozen en intens smerige bedelende straatkinderen. Waar overleven die kinderen de Mongoolse winter? Ik heb me laten vertellen: in de ondergrondse gangen van de warmwaterleiding. Je moet van beton zijn om ze te negeren. Ik ben van beton want er is geen beginnen aan. Geef je er een wat, dan duikt een hele horde op uit hoeken en gaten als een zwerm mussen op broodkruimels. Ik ontmoet een aardige jongen van het middenklasse type. Hij komt uit Oost Mongolië. Omdat ik nieuwsgierig ben hoe het is om uit een ger te kruipen het stadsleven in, vraag ik of zijn familie daar nog woont. Hij heeft geen familie. Zijn vader is dood en zijn moeder is met zijn zusje naar Rusland vertrokken en heeft hem achtergelaten. Een straatkind, verlaten als de meeste straatkinderen, maar hij heeft enorm veel geluk gehad. Hij is terecht gekomen in het vangnet van een Amerikaans zendingsgenootschap en heeft daaraan zijn opleiding in de Verenigde Staten te danken. God is zelden gul, anders waren er geen wonderen.

Ik verblijf in Gana’s Guesthouse, in een van de slums van Ulaanbaatar met houten optrekjes en gers langs ongeplaveide modderige wegen. Gana’s Guesthouse heeft een binnenplaats waar mijn motor veilig is voor de straatkinderen en de dronkenlappen, eenvoudige maar schone kamers, douches met warm water en echte toiletten. Het is goed toeven bij Gana en ik kan nu tenminste zeggen niet alleen in de Wilhelminaparkbuurt maar ook in een slum te hebben gewoond. Er zijn veel guesthouses in Ulaanbaatar, het alternatief voor het dure hotel, en ze zijn grotendeels bevolkt door rugzakjongeren waarvoor de treinreis van Moskou naar Peking een soort initiatierite is voor het volwassen leven. Er kleeft een zekere Marco aan mij vast, een Italiaanse jongen met lang haar, een pluisbaardje en een pikzwarte ET-zonnebril op de neus die hij alleen afzet om zijn ontbijt te kunnen zien. Hij heeft een vijftiendaagse tour achter de rug door de Gobi woestijn maar waar hij precies is geweest krijg ik er niet uit. Hij weet het niet. Marco vertelt warrige verhalen over een auto die hij moest aanduwen en toen is hij zijn geldbuidel verloren en moesten ze veertig kilometer terug rijden en daarvoor heeft hij tien dollar betaald. Ik kan er geen touw aan vastknopen ook al omdat het verhaal overgaat in gegiechel; misschien het gevolg van langdurig hasjiesjgebruik of van de Mongoolse whisky die hij drinkt. Hij vindt het puik spul en biedt het mij ook aan. Het smaakt zoals benzine ruikt met de weeë nasmaak van heel slechte bourbon die zelfs na het tandenpoetsen nog blijft hangen. Marco lijkt me erg eenzaam en ik betwijfel of hij een gelukkige tijd in Mongolië heeft gehad. Zelf noemt hij Mongolië een top land en het boeddhisme een top godsdienst. Hij kan me niet uitleggen wat het boeddhisme inhoudt; het is gewoon een top godsdienst met veel vrede en zo. Zelf heb ik een andere indruk van het boeddhisme, met veel angst en wraak en zo. Hij wil graag voor altijd in Mongolië wonen en moet daarvoor alleen nog even zijn vriendin bewerken die liever op Ibiza zit. Ik hoop dat die vriendin hem kan bewerken naar Ibiza te verhuizen. Dat lijkt me toch beter. Misschien heeft hij het zelf ook in de gaten want elk gesprek eindigt met de mededeling dat hij zondag met het vliegtuig vertrekt. Terug naar Milaan, terug naar zijn vriendin en naar zijn moeder die heerlijk schijnt te kunnen koken. Hij staat op een wachtlijst. Hopelijk heeft de vliegmaatschappij compassie want zijn geld is op en ik ben bang dat hij instort als hij hier nog langer moet blijven. Die initiatierite is nog zo makkelijk niet. Hij heeft beloofd me te zullen mailen als hij in Milaan is. Ik heb nooit meer iets van hem vernomen.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Siberië, Mongolië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s