Ik heb altijd geluk

Zoals ik Kazachstan binnenkwam, zo ben ik er ook uitgegaan: sluipend. Binnen geslopen langs de rand van het gebergte en er uit geslopen langs de rand van het bos. En daartussen ligt de grote steppe die ik met één sprong heb genomen. In Semey heb ik nog wat geneusd op het internet op zoek naar informatie over de route naar Novosibirsk. Ik vond een heel recent verslag, nauwelijks twee maanden oud, van twee Amerikaanse motorrijders die dezelfde route hebben gereden. Ze zijn door de Russische douane helemaal binnenstebuiten gekeerd – de heren waren heel vriendelijk maar zo moest het nu eenmaal – en er werden eindeloos documenten en kopieën van documenten gefabriekt. Van elf uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds. Meer leed: achter de grens werd aan de weg gewerkt; ze zijn bijna blijven steken in de modder en hebben uiteindelijk ergens gekampeerd. Ik ben erg geschrokken van dat verhaal, heb slecht geslapen en de volgende dag extra brood ingeslagen. Ik zag mezelf al kamperen in een donker modderig bos met allemaal enge geluiden. Ik ben vertrokken met het hart in de keel.

Het is honderdtwintig kilometer naar de grens. De Kazachse douane is gemakkelijk: ze accepteren de deklaratsja van de motor, zetten het uitreisstempel in mijn paspoort en wensen me goede reis. De Russische grenspost ligt een paar honderd meter verderop. De eerste horde is de politie. Een officier bekijkt alle pagina’s van mijn paspoort, mijn visum en mijn inreiskaart – ik moet nog een inreiskaart invullen, waarschijnlijk vanwege mijn dual entry visum – maar zet zonder omhaal het inreisstempel. De volgende horde is de douane. Daar zit een aardig meisje dat het maken van documenten en van kopieën als haar levenswerk ziet. Het duurt een tijdje voordat ik in de gaten krijg dat ze de administratie doet voor de inklaring van de motor en tegelijkertijd voor de verzekering. Dat vind ik efficiënt. In Oezbekistan, in Kazachstan en in Kirgizstan reed ik onverzekerd rond; niet in Rusland. Het kost tweeënvijftig dollar voor twee maanden; ik ben wel eens duurder verzekerd geweest. De laatste horde is een loketje waar het inklaringsdocument wordt afgegeven. Ben ik klaar? Echt waar? Ja, in minder dan een uur ben ik voorzien van een stempel in mijn paspoort, twee inreiskaarten, een verzekeringsbewijs en een inklaringsdocument. Ik lever mijn behandelstaat – het papiertje waarop alle handelingen worden geparafeerd – in bij de wacht. Hij doet de slagboom open en ik ben vrij man in Rusland. Geen urenlange chicanes, geen bagagecontrole, geen inspectie van de motor. Ik heb geluk. Achter de grens ligt gloednieuw asfalt. Het zal het stuk zijn waar mijn voorgangers bijna in de modder bleven steken. Ik heb geluk. Achter de grens wacht nog een verrassing. Er is een oploopje, mensen applaudisseren … voor mij. “U bent op de televisie geweest. Jawel, u was het! U reist de wereld rond en bent op weg naar Vladivostok.” Ik weet van niks. Ik krijg appels en gevulde broodjes. Een vader wil een foto van zijn twee zoontjes met mij en de motor. Natuurlijk poseer ik gewillig met mijn nieuwe fans. Ik ben beroemd!

Barnaul, op tweehonderdvijftig kilometer van de grens, is de eerste stad met accommodatie. Mijn Amerikaanse voorgangers hebben er gelogeerd in het Barnaul Hotel. Het hotel weigerde hun OVIR-registratie te verzorgen – het zou niet mogelijk zijn bij een zakenvisum – en ze kregen voor twintig dollar een grotty room. Ik heb er ook gelogeerd. Achter het loket van de receptie zit een pinnige dame maar als ik “spaciba” (bedankt) zeg en naar haar knipoog ontdooit ze – het is zó gemakkelijk om vrouwen te laten ontdooien – en maakt vanzelfsprekend mijn registratie in orde hoewel ik ook een zakenvisum heb. Op de achtste verdieping krijg ik een heel keurige eenpersoonskamer met tv en koelkast en een groot raam met uitzicht op de stad. In de badkamer hangen mooie grote handdoeken op me te wachten, er is zeep en – na tien uur ’s avonds – ook lekker warm water. Ik heb altijd geluk. Wat kunnen ervaringen verschillen! Ik heb heel beschaafd gegeten in het restaurant van het hotel, daarna nog een paar biertjes in een kroeg en dan op tijd naar bed om fris te zijn voor de rit naar Novosibirsk.

Op weg naar Novosibirsk kwam ik Yun tegen, een Japanse motorrijder. Heel af en toe ontmoet ik collega’s en de gesprekken gaan altijd over hetzelfde: de toestand van de weg, waar een werkplaats of goedkoop hotel te vinden is, welke problemen zich hebben voorgedaan. Van andermans ervaringen kun je leren. Yun, over de weg naar Vladivostok: “riddles with potholes, covered with mud.” In Novosibirsk beveelt hij NBS Motorservice aan en schrijft het adres voor me op. De gesprekken gaan over praktische zaken; we hebben het er nooit over of het de moeite waard is een bepaalde stad, streek of land te bezoeken. Dat doet er niet toe: iets ligt op je pad of niet. Maar het belangrijkste gespreksonderwerp is vrijwel altijd de politie: “Heb je nog moeilijkheden gehad met de politie?” Voor de reiziger is de politie geen ‘beste vriend’ maar een dreiging waarover je iets moet weten. Over de Russische politie doen griezelverhalen de ronde. Dat je wodka met ze moet drinken, dat ze je vervolgens arresteren omdat je dronken bent en dan van de gelegenheid gebruik maken je leeg te schudden. Yun zegt geen bijzondere problemen met de politie te hebben gehad maar raadt wel aan voorzichtig te zijn met de omgang: “Don’t accept wodka.” Yun en ik reizen de wereld rond in tegengestelde richting; we hebben afgesproken elkaar weer te zien in Noord of Zuid Amerika en we hebben emailadressen uitgewisseld. Zo’n gesprek duurt hooguit een half uur. Daarna gaat ieder zijns weegs.

In Novosibirsk laat het geluk me een beetje in de steek. Ik kan niet terecht in hotel Novosibirsk. “Vol” zegt de receptioniste. Dat is verbazend want hotel Novosibirsk is een kolos van wel twintig verdiepingen. Een ander hotel laat geen buitenlanders toe. Dan is er nog hotel Sibir waarvan aan de buitenkant al is te zien dat het binnen afschuwelijk duur moet zijn. Dat bevestigt de receptioniste – “tachtig dollar per nacht” – en bovendien is het volgeboekt. “Waarom gaat u niet naar hotel Novosibirsk?” Ik vertel haar van mijn ervaring. Ze glimlacht: “Ik zal voor u bellen.” Ze voert een kort telefoongesprek en dan: “U kunt terecht bij hotel Novosibirsk. Zeg dat u van dit hotel komt. Ze zijn daar niet zo gewend aan buitenlandse gasten.” Hotel Novosibirsk is opeens niet vol. Voor vijftig dollar krijg ik een klein kamertje met een douche zonder warm water. Dat is een heel dure koude douche. Daar staat tegenover dat mijn kamer op de veertiende verdieping een riant uitzicht heeft over het station, de rivier de Ob en industrieterreinen op de achtergrond. Uiteindelijk heb ik toch geluk.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Siberië, Mongolië en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s