Centraal Azië uit

Met het oversteken van de Irtysj heb ik Centraal Azië verlaten. Ik laat Centraal Azië beginnen bij de Amu Darja en ophouden bij de Irtysj. Ten westen van de Amu Darja ligt het Midden Oosten met Turkmenistan als overgangsgebied. Ten noorden van de Irtysj ligt Siberië.

Pontonbrug over de Amu Darja, bij Khiva.

Over de Amu Darja (bij Khiva). Dan ben je zeker in Centraal Azië.

De Irtysj rivier

De Irtysj, waar Centraal Azië ophoudt en Siberië begint.

Ik was twee maanden in Centraal Azië en reisde er zevenduizend kilometer. Net genoeg om er een beeld van te kunnen krijgen. Als ik dat beeld oproep zie ik de Aziatische meisjes in hun dunne kleurige zomerjurken. Een vermoeden van lichaam, de rand van haar slip, de band van haar bh. Onschuldig pikant. Helaas is het volgende beeld dat van Aziatische matrones, vooral Oezbeekse. Wijven zijn het, met een harde grimmige gelaatsuitdrukking, die hun kinderen meesleuren als waren ze oorlogsbuit. Tegenover de Aziatische meisjes staan de jonge Russinnen: te mager, te bleek, te bloot. Ze overschrijden de grens tussen pikant en ordinair. Hebben ze borsten dan gelijk ook een diep decolleté dat zicht geeft op een bleke weke vleesmassa. Gelukkig, voor het oog, zijn er oudere Russische vrouwen. Voor zover het stadsvrouwen zijn: dames, echte keurige dames in mantelpakjes, bijpassend geverfd haar en lipstick op. Vrouwen in Centraal Azië: een vierhoek van tegenstellingen, van aantrekkelijkheid en afstotelijkheid. Zo’n tegenstelling, maar dan omgekeerd, is er ook tussen de mannen. De Russische jongens: bleek maar met een beweeglijk open gelaat en koortsig rode lippen. Veel aantrekkelijker dan de Aziatische jongens met hun gesloten staalplaten gelaten waarop niets te lezen is of het moest de grimmigheid zijn van hun moeders.

Het toeristische beeld van Centraal Azië is er een van exotische steden uit Duizend-en-een-nacht en van kuddes galopperende paarden over de steppen en de bergweiden. Het is een deel van de werkelijkheid. Het andere deel is getekend door verwoesting en dood. De horden van Dzjengis Khan en van Timoer Lenk hebben zo huis gehouden dat alleen de gieren nog leefden, naar men zegt. Timoer heeft van Kunya-Urgench een knekelveld gemaakt. De botten steken uit de wanden van de archeologische opgravingen. Het geraamte van een mens, blootgelegd in de lengterichting: een arm ligt naast de ribben, de ander vooruitgestrekt. Een slachtoffer. Elders steken twee dijbeenbotten uit de wand: nog een slachtoffer maar nu in dwarsdoorsnede. In de wanden van alle opgravingskuilen zit die laag van mensenbotten, overal liggen schedels. De aanblik van verwoesting en dood is schokkend, zelfs na zeshonderd jaar. De ruïnes van de bouwwerken boven de grond zijn de grafzerken voor de duizenden die er onder liggen. Timoer is in de Turkmeense geschiedenis als massamoordenaar bijgeschreven maar in Tasjkent is hij afgestoft en als held gepresenteerd.

De ruïnes van Kunya-Urgench.

Dit is wat Timoer overliet van Kunya-Urgench.

Khiva, Buchara, Samarkand, Kokand – de steden van de Zijderoute – waren verzamelplaatsen van de handel, geen controleurs, bestuurd door conservatieve machthebbers die vooral uitblonken in exotische wreedheid. De Russen hebben hen opgedoekt, de laatste in 1910. En de Russen brachten weer hun eigen verwoesting en dood naar Centraal Azië, eerst onder de tsaren en daarna onder de communisten. De gaten in Buchara en Kokand spreken boekdelen. In Kokand deden de communisten wat Timoer in Kunya-Urgench deed. De gemummificeerde moskeeën en medressa’s zijn, onbedoeld, monumenten voor de moord op een godsdienst. Ik kan de schilderijen van de vermoorde avant-garde kunstenaars uit de verzameling van Savitsky in Nukus niet vergeten; nog word ik achtervolgd door het gefluister “Kijk naar me, ik was er, ik heb geleefd!” Daarom wil ik de verhalen niet horen van de doden van de mijnen en werkkampen rondom Karaganda; het spijt me, ik kan ze niet aan, ze zijn vast te vreselijk. En dan stort het communistisch systeem in en valt de Sovjet Unie uit elkaar en verdwijnen culturen. In Karaganda, op zoek naar een eetgelegenheid, ontdek ik de “Deutsche Küche” van het “Einheitsgebiet Deutsches Zentrum, offen ab 10.00 bis 22.00 ohne Pause, geschlossen: Sonntag.” Ik krijg een visioen van Schweinefleisch mit Bratkartoffeln. Ik wil ook graag een Duitse Kazak ontmoeten. Binnen zit geen enkele Duitse Kazak, het personeel spreekt uitsluitend Russisch en ook de menukaart is in het Russisch. De laatste Duitser is naar de Heimat vertrokken, heeft vergeten het licht uit te doen en toen zijn de Russen er in getrokken. Wat nog herinnert aan vroeger is de ‘Duitse salade’ die de serveerster aanprijst en het ‘Duitse bier’. De salade bevat olijven en het bier blijkt Heineken. In Buchara ontmoet ik de Laatste Jood – naar eigen zeggen – van het eens zo beroemde getto. Alle joden zijn vertrokken naar Israël of Amerika, vertelt hij, vanwege de onzekerheid van de vrijheid – en enige onaangenaamheden die toen hebben plaatsgevonden – en omdat Israël de achterblijvers dreigde haar handen van hen af te trekken. Zijn twee zonen zijn geëmigreerd naar het Beloofde Land; hij is gebleven want “mijn vrouw ligt hier begraven en ik houd heel veel van haar.” “Israël heeft bijgedragen aan de vernietiging van de diaspora” zegt de Laatste Jood. Verdwenen culturen, Duits en Joods, bij de ineenstorting van de Sovjet Unie.

Die ineenstorting heeft ook ‘kleine’ tragedies meegebracht: de bejaarden die hun hebben en houden moeten verkopen of om een aalmoes moeten vragen aan de nieuwe succesvollen. In een park in Tasjkent ontmoet ik Irina. Ze is op leeftijd en draagt een versleten roze mantelpakje dat op plaatsen met zorg is versteld. Ze heeft vriendelijke ogen achter een roze bril met jampotglazen en haar haar is bijpassend koper geverfd. Ze spreekt gebroken Duits. Ze verkoopt de speldjes en insignes die ze haar hele leven heeft verzameld. Irina is ‘veteraan’ en overtuigd communiste: “Ik had dit niet hoeven doen als ons land niet was verraden.” We kruipen samen over de grond om de speldjes te bekijken want we zijn beiden even bijziend. Ze merkt mijn sterke maar dunne glazen op: “Is dat glas? Ach, had het communisme nog bestaan dan hadden wij vast ook zulke glazen gehad. Voor iedereen.” Ze geeft me een speldje. Ik voel me verplicht er nog een te kopen. Dat kost tweeduizend Sym, twee dollar, en ze doet er nog een bij om de pijn te verzachten. Eigenlijk heeft ze een bulkaankoop geforceerd. Gaf ik in de Arabische landen aan de kreupelen, in Turkije en Iran aan de straatkinderen, hier aan de bejaarden. De oude Russin slaat kruisen voor de vijftig Tenge, ongeveer veertig eurocent, die ik haar geef. Als elk kruis een gebed is dat door God wordt gehoord, dan ben ik nu heilig. Tenminste, als Hij mij het aalmoes van zestig rial heeft vergeven dat ik in Teheran een bedelaar gaf voor het Grand Ferdosi Hotel waar ik zojuist voor zestigduizend had gegeten.

Niet alleen de bejaarden. Een kiosk in Karaganda verkoopt broodjes. Er naast hangt een jongen. Hij fluistert: “Alstublieft, koopt u een broodje voor me, alstublieft.” Ik lees de smeekbede in zijn ogen. Hij heeft een lege maag, nog geen honger, maar lang een lege maag hebben leidt tot honger en voordien al tot paniek bij dat vooruitzicht. Het is nog maar een jongen, zo een waar je voedsel in kunt blijven stoppen. In Tasjkent word ik aangesproken door een jongeman. Ik moet alle zeilen bij zetten om niet te vluchten. Zijn gezicht is afschuwelijk verbrand. Wenkbrauwen en oogwimpers zijn weg en zijn neus en een deel van zijn lippen. Ik ken dergelijke brandwonden: ze zijn het gevolg van de steekvlam uit een defecte gaslamp. Arme mensen vervangen het kousje niet op tijd. Die gaslampen staan meestal op de grond en daarom zijn kinderen vaak het slachtoffer. Hij heeft echt enorm veel pech gehad: de steekvlam heeft hem vol in het gezicht geraakt. Ik kan niet vluchten want daar staat een mens. Hij vraagt om geld voor een operatie in de Verenigde Staten. Ik betaal grif want met zo’n kop krijg je nooit een meisje. Later zie ik er nog een, met precies dezelfde brandwonden.

Het communisme is afgeschaft en de helden van de dictatuur van het proletariaat zitten plotseling in het verdomhoekje. Hun beelden worden vervangen door die van oudere helden of van nieuwe leiders. In Semey ontdek ik een kerkhof voor de beelden van de afgeschreven helden. Het ziet er keurig uit: langs een allee staan de bustes en de allee eindigt met grote bronzen beelden van Lenin. Lenin zwaait geagiteerd ‘Communisme afgeschaft? Hoezo?’ De buste van Marx heeft meer realiteitszin: het kijkt somber de nieuwe wereld aan. Van Stalin geen spoor, die is al lang geleden verdwenen.

Heldenbeelden in Semey.

Het kerkhof van communistische heldenbeelden, in Semey.

Het communisme is afgeschaft maar de geest waart nog rond. Bij de tankstations moet je vooraf betalen en dus ook weten hoeveel liter je wil hebben. Dat is altijd een voorzichtige schatting en dat kost dus omzet. De meeste tankstations zijn niet ingericht op het westerse principe van ‘betalen wat je tankt’. De pomp geeft alleen de geleverde liters aan en zelfs dat niet altijd. Maar ook gemoderniseerde tankstations, met pompen die het getankte bedrag aangeven, hanteren nog het systeem van eerst betalen. Verandering betekent namelijk dat de pompbediende het geld incasseert en dan is de baas de controle kwijt. De geest van het communisme waart zeker nog rond in de TSUM’s, de voormalige staatswarenhuizen. Ik heb ze bezocht in Samarkand, in Tasjkent, Almaty, Bisjkek en in Karaganda. Uit nieuwsgierigheid. De een is moderner dan de ander, de ander rijker dan de een maar allemaal vertonen ze dezelfde kenmerken. De presentatie is lachwekkend beroerd. Van een leuk tasje worden alle beschikbare kleuren in het schap gezet, dicht opeen gepakt als soldaten op het exercitieveld. Op het schap eronder liggen schoenveters, stropdassen en een vergeten stofdoek. Er is heel erg veel personeel maar je moet om aandacht vragen. Het personeel is gezellig in gesprek, zit te eten, te lezen, te breien, kruiswoordpuzzels op te lossen, hangt over de toonbank, slaapt. En dan kom jij. Teveel personeel voor te weinig klanten is dodelijk voor de service. Over de service in restaurants en hotels heb ik in het algemeen weinig te klagen gehad. En toch… In Semey logeer ik in het gelijknamige hotel en dat hotel is goed, een van de beste die ik heb gehad, met behoorlijke handdoeken, zeep, shampoo en warm water en een tv die het doet. Maar de etagedame, die onder meer de was verzorgt, is in geen velden of wegen te vinden en de ontbijtzaal die tot tien uur open moet zijn is om kwart voor tien al gesloten en het personeel is niet te traceren voor de receptioniste. Geen ontbijt. In het restaurant is het voltallige personeel bezig de omzet van de vorige dag te tellen. Ik moet wachten. Daarna maken twee obers ruzie over wie mij ‘moet nemen’. Ieder van de obers is verantwoordelijk voor een aantal tafeltjes die hij op orde wil houden. De ober die de discussie verliest haalt zuchtend de damasten servetten weg en er voor in de plaats komen papieren servetjes en een placemat. Ik zou kunnen knoeien of rommel maken.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Centraal Azië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s