De Grote Sprong

Ik verlaat Almaty en volg de hoofdweg in de richting van Bisjkek. Na ongeveer twintig kilometer komt de afslag naar het noorden. Ik ben de enige die die afslag neemt. Even stoppen om een sigaret te roken, de rituele voorbereiding voor de Grote Sprong over de steppe. Het is zeshonderd kilometer tot Balqash. De wind brengt de geur van gras. Akkers en boomsingels tot ik de Kürti over ben en dan neemt de steppe de overhand. Nog vaag zijn contouren te zien van verlaten akkers tot ook die verdwijnen en er alleen nog steppe is. Kort borstelig groen en grijsgroen gras golft naar de horizon; geen enkele boom. Droge beekbeddingen. Na honderdtachtig kilometer komt een pleisterplaats: een tankstation en een lange rij eetgelegenheden in woonwagens en oude treinwagons. Ongewassen kinderen, stof en papier dat dwarrelt in de wind en thee die zout smaakt. Het kantoor van het tankstation is zwaar getralied; er is een piepklein luikje waar ik geld doorheen schuif voor tien liter benzine. Verder de lange weg over de steppe af: grazende koeien, in de verte een kudde paarden, dromedarissen en ook een paar kamelen met slappe bulten als hangtieten op de rug. Na driehonderd kilometer komt het Balqashmeer in zicht, grijsblauw en groen als volle jade. Langs de hemel trekken schapenwolken, boodschappers uit een verre wereld: misschien de Kaspische Zee, misschien het Aralmeer. Het waait hard. In de loop van de middag krijgt de atmosfeer het benauwd en de schapenwolken trekken samen tot een heftige onweersbui. Gelukkig kan ik schuilen bij een tankstation aan de rand van een dorp. De plaatselijke Oeralbezitters komen hun motoren tonen en vergelijken met mijn BMW. Hun motoren zijn niet van kunststof maar van echt metaal, rijden harder (wel honderdvijftig kilometer per uur), gebruiken minder benzine (vier liter op honderd kilometer) en zijn véél goedkoper (zevenhonderd dollar) dan mijn BMW. Alleen mijn aluminium velgen oogsten bewondering. De onweersbui trekt het meer op. In de namiddagzon schitteren de regengordijnen melkwit en verbinden de donkergrijze wolken met het groene water van het meer. De lucht klaart bleekblauw op. Tegen acht uur ’s avonds bereik ik Balqash. Witte rook uit fabrieksschoorstenen slaat neer op de stad. Het moet hier heel ongezond zijn maar rokende schoorstenen betekenen wel werk en hoop. Een uitgeleefd sovjethotel is mij in het vooruitzicht gesteld maar ik vind aan de rand van de stad een heel redelijk motel met een parkeerplaats en een bewaker met een groot pistool. Ik heb er goed gegeten, bier gedronken en geslapen.

Van Balqash naar Karaganda is vierhonderd kilometer en de steppe is nog leger. Geen leven, geen paard, geen koe, geen dromedaris, geen kameel, geen weggebruiker. Ik ben hier helemaal alleen. Pas tegen het einde van de ochtend komt er verkeer tegemoet. Het zullen mensen zijn die vroeg uit Karaganda zijn vertrokken. In de loop van de middag verandert bijna onmerkbaar het landschap. Wat langer gras, er stroomt water in beekbeddingen, in laagten bloeien zeeën gele bloemen. Een enkele boom, in de verte een boomsingel, een dorp en nog een dorp. De steppe rond de dorpen is gemaaid en het hooi verzameld, af en toe een graanveld. De wilde steppe gaat over in cultuurland. Toch nog plotseling doemt de stad op, als de Bijlmer vanuit Abcoude. Hoge flats. De mensenwereld te midden van het niets. Langs de invalsweg liggen shabby bedrijfsterreinen maar Karaganda heeft een echt centrum met statige avenues. Volgens de Lonely Planet is hotel Karaghanda “best value in town.” Het is in ieder geval erg duur: vijfendertighonderd Tenge, meer dan vijfentwintig dollar, voor de goedkoopste kamer met douche. Het Sovjetsysteem spookt er nog rond en het kapitalisme beleeft er de pubertijd. Ik moet gelijk betalen en de portier vraagt vijfhonderd Tenge om op mijn motor te passen. Ik heb een bewaakte parkeerplaats gevonden voor vijftig Tenge. Op iedere etage zitten twee dames die alles in de gaten houden en de toiletartikelen verschaffen: een stukje zeep, een sachet shampoo, een piepklein handdoekje en een theedoek. Het badwater geeft een walgelijke vette weezoete geur af. ’s Nachts word ik opgebeld met de vraag of ik een dzjewoesjka, een meisje, wil.

Van Karaganda over Pavlodar naar Semey is meer dan achthonderd kilometer. Semey heette vroeger Semipalatinsk en is berucht vanwege de atoomproeven die de Sovjets er hielden in de nabij gelegen Polygon. Direct na Karaganda neemt de steppe weer het heft in handen alsof er niets is gebeurd. Bij Pavlodar steek ik de Ertis over. De Ertis is een vrij meanderende rivier, niet bedwongen door kribben als de Nederlandse rivieren. De oude lopen zijn in het landschap herkenbaar als watergeulen met rietkragen en langs de rivier staan mooie oude ooibossen met veel wilgen. Na Pavlodar verandert het landschap. Er komen meer bomen. Er zijn veel dode bomen, vooral loofbomen maar ook naaldbomen. Het gevolg van een hardvochtig klimaat of misschien van de kernproeven? Er cirkelen roofvogels, dus is het waarschijnlijk geen milieuverontreiniging want dan zijn roofvogels als eerste het haasje. Het zal het klimaat zijn. In de buurt van Semey raakt het land geheel bebost; ik ben de steppe uit en het Siberische land in.

Het is gelukt, de Grote Sprong. Zonder problemen. In Almaty ben ik nog bang gemaakt door een Amerikaan met een Oeral die verhaalde van dronken pistoolzwaaiende agenten en van pseudoagenten die hem zijn jerrycan afhandig probeerden te maken. Het was alleen maar ver.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Centraal Azië en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s