Song Kol

Song Kol is het op een na hoogst gelegen meer ter wereld op het Titicana meer in Zuid Amerika na, op 3500 meter, en bereikbaar via een bijna 4000 meter hoge pas. Als je daar over bent ligt het voor je: een blauw meer in een weidse grasvlakte omringd door bergen met besneeuwde toppen. Ik rijd door het gras langs een paar grafheuvels en langs een in onbruik geraakte landingsbaan totdat ik een mooi plekje voor mijn tent heb gevonden aan de oever van een riviertje. Daar ben ik dan: in the middle of nowhere. In the middle of nowhere? In het paradijs! En zoals het hoort in het paradijs: ik ben er helemaal alleen, op een paar yurts in de verre verte na. Er lopen kuddes koeien en paarden – prachtbeesten met een glanzende vacht – en om mij heen liggen lage heuveltjes, de burchten van marmotten. Dat zijn flinke beesten, ter grootte van een kat, en ze zitten op hun burchten op de uitkijk. Als ik naar ze toe loop geven ze een schreeuw en verdwijnen in de holen van hun burcht. In het gras barst het van de bloemen: wilde asters, anjers, berggentiaan, edelweiss. Ik zou willen wandelen maar dat heeft geen zin: het paradijs is overal en waar moet je dan naar toe? Dus zit ik voor mijn tentje en kijk naar de verandering van de kleuren in het licht van de zakkende zon. Man raucht etwas, man trinkt etwas, man wartet, zo muss es sein (uit Aufstieg und Fall der Stadt Mahagony van Bertolt Brecht). Daar ben ik te ongedurig voor; ik wil het paradijs wel maar niet te lang. Ik zet mijn radiootje aan en val midden in een uitzending van Radio Wereldomroep Nederland, zonder gepiep of gefluit maar helder en duidelijk. Ik hoor de weersverwachtingen van de landen in Europa. Waarom dat naar Azië wordt uitgezonden is mij een raadsel. Daarna de BBC Worldservice met een discussie over de naderende Amerikaanse verkiezingen en dan de BBC Proms met een uitvoering van Handel’s Watermusic in de late schemering. Het zijn geluiden uit een andere wereld.

De nacht overspoelt het land. Het wordt koud, bitter koud; ik lig in mijn slaapzak met mijn sweater en sokken aan. Omdat ik helemaal alleen ben en niet weet wie of wat hier allemaal rondloopt – de nomaden van de verre yurts hebben me vast opgemerkt – heb ik het alarmslot op de motor gedaan. Ik herinner me de ervaring van een collega-reiziger, vermeld op de website van HorizonsUnlimited: hij had zijn tent opgeslagen ergens op de Mongolische steppe; ’s morgensvroeg kroop hij uit zijn tentje … zijn motor was weg, gestolen! Daarom deed ik het alarmslot op de motor. Midden in de nacht gaat het ding af. Ik storm naar buiten, met het hart in de keel, maar is er niets of niemand te zien. Het gebeurt tot tweemaal toe. Zijn het de marmotten die aangetrokken worden door het glanzende metaal? Gaat het alarm spontaan af? Ik ben vreselijk geschrokken maar ontvang de mooist denkbare nachthemel als goedmaker. De eerste keer spiegelt de maan in het meer en licht het landschap op in tonen grijs. De tweede keer is de maan onder, de nacht draagt de sluier van de Melkweg en alle juwelen van sterren en een broche met Venus, de vroege verkondiger van de dageraad. ’s Morgens is de tent aan de buitenkant stijf bevroren. Er zijn in de directe omgeving van de motor geen sporen van dieren of mensen te zien.

Ik had wel dagen aan het Song Kol meer willen blijven. Ik ben er een dag en een nacht gebleven. Ik ben bang dat het gaat regenen. Met regen durf ik de bergweg niet af. De weg naar Song Kol zou goed zijn, was me in Kochkor verzekerd. Na het laatste dorp verdwijnt het asfalt en op de berghelling verandert de weg in een stenig pad met akelige haarspeldbochten. Als ik dat van te voren geweten had, dan had ik van Song Kol afgezien. Gelukkig weet ik niet alles van te voren. De motor heeft merkbaar minder vermogen door de ijle lucht en hij heeft het zwaar op de steile helling. De koude bergwind zorgt gelukkig voor extra koeling. Naar boven gaan is moeilijk maar naar beneden gaan is nog veel moeilijker. Driehonderd kilogram dat de kortste weg naar beneden wil moet in bedwang gehouden worden en de tamelijk kleine wielen maken de motor op het stenige pad nerveus. Voorzichtig in de eerste versnelling naar beneden, remmend op de motor. Als ik een keer de voorrem gebruik slipt de motor weg in de stenen. Het heeft me een benauwd moment bezorgd. Omdat ik nu de wind in de rug heb krijgt de motor niet genoeg koeling, de ventilator brengt onvoldoende soelaas, en raakt oververhit. En dan ontstaan er ook vapour locks waardoor de motor geen benzine krijgt en afslaat, net in een vreselijke haarspeldbocht. Ik ben beneden gekomen, nat van het zweet, met een uitgedroogde mond en pijn in mijn armen. Ik neem me voor zoiets nooit meer te doen. Zo’n voornemen heb ik vaker gemaakt.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Centraal Azië en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s