Handel langs de Zijderoute

De Zijderoute: de naam roept een exotisch beeld op van karavanen kamelen beladen met zijde, porselein, ivoor, specerijen. De Zijderoute is niet één route maar een heel stelsel. Routes vanuit China, langs de rand van de Gobi woestijn en het Tiensjan gebergte. Routes vanuit India, door Afghanistan. Die routes ontmoetten elkaar in het tegenwoordige Oezbekistan, bij Buchara en Samarkand, en waaierden weer uit. Naar het noorden over Khiva langs de Kaspische Zee en de Zwarte Zee tot Istanboel. Naar het westen over Merv in Turkmenistan en Teheran tot Damascus en Aleppo. Een gigantisch spinnenweb van handel en van tochten vol gevaar. Wat dreef die mensen van de betrekkelijke veiligheid van huis en haard? Het vooruitzicht van rijkdom, zucht naar avontuur? Volgden ze gewoon hun meester of konden ze niet aarden op één plek? Hadden ze, zoals ik, bij vertrek dat beklemmende gevoel, die lichte misselijkheid? Ik volg nu hun route en voel me met hen verbonden zoals ik me verbonden heb gevoeld met de chauffeurs van de Turkse trucks op weg naar Masshad, Asjchabad, Kaboel die het doen voor het geld, voor hun gezin in Tekirdağ, maar zeker ook omdat ze niet kunnen aarden. Soortgenoten.

Ik was drie dagen in Khiva want Khiva moet. De oude binnenstad is vrijwel volledig intact. Muren met stadspoorten naar alle windrichtingen en daarbinnen moskeeën, medressa’s en mausolea. Alles is uitstekend gerestaureerd en onderhouden. Er ligt geen vuilnis, geen sigarettenpeuk, geen snipper papier op straat. Het lijkt wel een museum en dat is het ook: Khiva staat op de Unescolijst van werelderfgoederen. In elke medressa is wel een museum ondergebracht: het muziekinstrumentenmuseum, het muntenmuseum, het ambachtsmuseum, het historisch museum. Merkwaardigerwijs is er geen museum gewijd aan de medressa’s zelf. ’s Morgens tegen tienen komen de eerste toeristen – een enkele groep want het toeristenseizoen is alweer voorbij – en na drieën ligt alles er weer verlaten bij op wat spelende kinderen en de uitbaatsters van souvenirkramen na, alsof de bewoners van de binnenstad het dringende verzoek hebben gekregen binnen te blijven om het beeld van het sprookje niet te verstoren. Behalve de oude binnenstad is er ook Nieuw Khiva, Russisch Khiva. Er is daar een reuzenrad dat ’s avonds loom ronddraait zonder klanten en er tegenover is een park met een biertuin.

De muren van het oude Khiva.

De muren van het oude Khiva. Op de achtergrond het Russisch stadsdeel met een reuzenrad.

Van Khiva naar Buchara. Tot Beruni gaat de weg door het aangename rivierenlandschap van de Amu Darja die ik oversteek via een wrakke pontonbrug. Sommige pontons hangen gevaarlijk scheef. En daarna, van Beruni tot Buchara: woestijn, vierhonderdvijftig kilometer schaars begroeide zandduinen. Het is ongelofelijk saai omdat bijna nergens uitzicht is, bijna nergens de horizon te zien. De weg is een gang met een blauw plafond en gele muren met groene spikkels en dat vierhonderdvijftig kilometer lang. De enige afwisseling vormen de posten van de YXP, de politie. De vragen zijn altijd dezelfde. “Waar ga je naar toe?” “Waar kom je vandaan?” “Uit welk land kom je?” Ik kom uit Galandija. “Wat voor merk is dat?” “Hoeveel kost zo’n motor?” Ik zeg altijd “vierduizend dollar.” Dat is een fiks maar nog voorstelbaar bedrag. “Voor dat geld heb je een auto!” Dat is precies wat ik wil horen want wie wil in zo’n vergelijking nog mijn motor? Of ze even op de motor mogen zitten? Dat laat ik zelden toe want dan is het hek van de dam. De een na de ander wil op de motor en vervolgens willen ze weten hoe de motor start. Dat moet je dan weigeren en je kunt beter aan het begin weigeren. Een enkeling mompelt “para” (geld) of lispelt “dallaar?” maar echte druk wordt er niet uitgeoefend. Het schijnt dat de president van Oezbekistan zwavel en vuur heeft gespuugd over corruptie en draconische maatregelen in het vooruitzicht heeft gesteld. Het prettigst zijn de posten die door twee agenten worden bemand. Is er maar één agent dan wordt hij niet op de vingers gekeken en kan dus doen wat hij wil. Zijn er meer agenten dan krijg je te maken met de dynamiek van een groepsproces en de uitkomst daarvan is zelden positief. Vriendelijk blijven en grenzen trekken. Het helpt.

Het is saai en het is heet en de motor wordt gloeiend heet. Aan de hete luchtstroom heb ik een eerstegraads brandwond aan mijn kuit overgehouden. Heel lang verklaar ik de gloeiende luchtstroom uit de wind die schuin van voren komt en door de radiator en over het motorblok blaast. Eindelijk begint te dagen dat ik bedonderd ben bij het tankstation van Beruni. Ik heb voor A93 betaald maar A76 geleverd gekregen. Ik had het kunnen weten: ik zag de kleur van de benzine veranderen van blauw naar geel maar ik trok daar geen conclusie uit. Overigens is op het hele traject van Beruni tot Buchara niets anders dan A76 te krijgen. In Buchara vind ik na lang zoeken een tankstation dat A93 in voorraad heeft maar daar is de elektriciteit uitgevallen waarmee de pomp wordt aangedreven. Een tankstation werkt in Oezbekistan nog volgens het oude sovjet systeem: je moet vooraf melden hoeveel liter je van welke soort benzine wil hebben en ook vooraf betalen. Op de pomp zit een klok of een bel en daaraan kun je zien of horen hoeveel liter is geleverd. Die klok of bel geeft steeds een signaal bij de levering van een liter en dat biedt een mogelijkheid tot oplichting: als de eigenaar de pomp laat uitvallen en daarna weer opstart – “Sorry, elektriciteitsprobleem” – dan geeft de pomp wel een signaal maar is de liter niet geleverd. In Buchara is mij zo minstens drie liter door de neus geboord. Verhaal halen is er niet bij want je hebt al betaald en de pomphouder haalt zijn schouders op. Onderweg van Buchara naar Samarkand ben ik nog eens bedonderd. Terugkomend van de kassa zag ik nog net de pompbediende de A76 slang terughangen. En ik rook het want A76 heeft een doordringende plasticgeur. Benzine koop je in Oezbekistan op aanbeveling. De eigenaar van hotel Furkat in Samarkand wijst me de weg naar het enige tankstation dat, naar zijn zeggen, betrouwbaar is. Gelukkig staat tegenover slechtheid altijd goedheid. Voor de lunch stop ik bij een wegrestaurant. Thee, brood en tomatensalade. De bediende brengt ook een kom yoghurtsoep; “Our national dish” zegt hij. Ik hoef de lunch niet te betalen want ik kom helemaal uit Galandija en heb wel onbesjbin – vijftienduizend – kilometer gereden om hen te bezoeken.

Net als Khiva heeft ook Buchara moskeeën, medressa’s en mausolea. En haar eigen aardige bouwwerken: overkoepelde markthallen en waterbassins waaromheen zich eertijds het sociale leven afspeelde. De Russen hebben de meeste bassins gedempt om hygiënische redenen. Er is er nog maar één over, Labi Haus, met openluchtrestaurants en terrassen waar de toeristen en de lokale bewoners van de oude stad elkaar kunnen bekijken. Vliegen voeren er op tafel reidansen uit, kinderen en eenden zwemmen in het drabbige water en het bier is zuur. De Russen hadden gelijk en met dat gelijk hebben ze ook de oude karavanserais afgebroken. De Russen hebben meer gedaan. In 1920 hebben ze de stad gebombardeerd om een antibolsjewistische opstand te bedwingen. Zo heeft historisch Buchara haar huidige gedaante gekregen. Veel is verdwenen, er zijn grote open plekken in de stad en de muren van de oude burcht zijn wel zorgvuldig gerestaureerd maar daarbinnen zijn de meeste gebouwen ruïnes. Wat is overgebleven wijst eerder naar de verwoestingen van de afgelopen eeuw dan naar het exotisch verleden. Maar ’s avonds na elven, als het stadje slaapt, verbergt de duisternis de wonden en komt dat verleden toch enigszins tot leven als ik loop over het stille plein voor de Kalon Moskee, door de lege markthallen en langs Labi Haus. In het maanlicht glanst het tegelwerk. Er zitten nog een paar mensen op de trap van de medressa, even te zien in het licht van de koplampen van de laatste auto, en boven in de minaret brandt zwak licht. In de duistere markthal struikel ik bijna over een tapijthandelaar die zich naast zijn waren heeft uitgestrekt en bij Labi Haus ruik ik de vette geur van de gedoofde barbecues. Zo moet de nacht eeuwen geleden ook zijn geweest.

Buchara: Kalon moskee en minaret.

Buchara: Kalon moskee en minaret.

Naast oud Buchara is er ook nieuw Buchara; van sovjet makelij met te brede boulevards, te hoge overheidsgebouwen en te grote hotels. Ik moet er zijn om geld te wisselen bij het filiaal van de Nationale Bank van Oezbekistan en dat is een belevenis. De eerste keer dat ik er kom kunnen ze geen honderd dollar wisselen want er zijn te weinig Sym. Alleen masochisten, zelfmoordenaars en gekken brengen in Oezbekistan hun geld naar de bank. Verstandige mensen bewaren hun spaargeld thuis. De tweede keer is de deur van de wisselafdeling gesloten maar na herhaald kloppen – en bonzen door de veiligheidsagent – wordt toch open gedaan. Binnen zitten twee meisjes en veel zin in service hebben ze niet. Oké, ik kan vijftig dollar wisselen. Nou goed dan, honderd dollar. Voor dat geld krijg ik een stapel bankbiljetten toegeschoven. Ik tel ze na: het is negentigduizend Sym. Eén dollar is duizendtwintig Sym – het staat op het bord – en ik mis dus nog twaalfduizend Sym. Glimlachend worden uit een lade nog wat bankbiljetten getrokken. Het zijn er tien van duizend en ik moet nog eens vragen om de resterende tweeduizend Sym. Ook de kwitantie die ik bij het verlaten van Oezbekistan moet kunnen overleggen wordt pas na herhaald vragen zuchtend opgemaakt. Als ik de afdeling verlaat gaat de deur weer in het slot. ’s Avonds tel ik het geld na en mis vijfhonderd Sym. Het is niet veel, een halve dollar, maar toch de prijs van een pakje sigaretten.

Samarkand is ontsnapt aan de mummificatie van Khiva en aan de verwoesting van Buchara. Wéér moskeeën, medressa’s en mausolea. De bouwwerken die samen de Registan vormen zijn onbescheiden van omvang en bedekt met oogverblindend tegelwerk. Ze vormen het klapstuk van Samarkand maar zijn niet veel meer dan façades waarachter de tijd en de verwaarlozing hun sporen hebben achtergelaten. De Bibi Khanym moskee is achter haar indrukwekkende façade nog slechts een ruïne. Tussen de geglazuurde tegels van de koepel groeit gras. Geef mij maar het Russische stadsdeel: aantrekkelijke door bomen beschaduwde lanen waarlangs sierlijke, een beetje popperige, lage gebouwen staan, gepleisterd en geschilderd in pasteltinten. De architectuur van tsaristisch Rusland. De Alexej kathedraal, met het formaat van een flinke dorpskerk, is piekfijn in orde, zowel van binnen als van buiten. Maar de tsarenerfenis is ongewenst en de architectuur heeft geleden. Eerst ongewenst onder de sovjets die zogenaamd-moderne gebouwen hebben neergezet en nu ongewenst onder het nieuwe regiem dat de Russische tijd het liefst wil vergeten. De Alexej kathedraal staat op een lege vlakte met een enkel brutaal gebouw.

De Registan in Samarkand.

De Registan in Samarkand.

In het Russische stadsdeel is ook een filiaal van het GUM-warenhuis, ooit de icoon van wat het communistisch systeem aan materieel geluk vermocht voort te brengen. Ik ben daar heel benieuwd naar. Van buiten is het een jaren zeventig bunker en van binnen is het alsof de tijd sindsdien heeft stil gestaan. Het grootste deel van de verlichting doet het niet en wat nog brandt verspreidt een vaal gelig licht. De roltrappen zijn kapot evenals de airconditioning en in het kale betonnen trappenhuis hangen reclamefoto’s van jaren her. Op de overloop van de eerste verdieping staan een paar gokautomaten. Die doen het wel. Producten zijn ongeïnteresseerd en op hun onvoordeligst uitgestald. In een vitrine staat naast elkaar: één doos tissues, twee nagelschaartjes, een paar plastic flessen shampoo en wat spullen van Lancôme. Een deel van de vitrines en schappen is leeg. Hier word je niet verleid tot een impulsaankoop. Dat is te merken: het overvloedig aanwezige personeel hangt dodelijk verveeld over de toonbanken of zit gezellig bij elkaar in geanimeerd gesprek. Als ik even blijf staan bij een onbemande toonbank wordt van de overzijde van het looppad geroepen “gesloten, pauze!” Het warenhuis is inderdaad een icoon maar dan van het westerse beeld van het communisme.

De monumenten van Khiva, Buchara en Samarkand zijn de geldmachines van Oezbekistan en de Oezbeken weten het geld er aardig uit te slaan. Voor het bezoek aan de burcht van Khiva moet vijfhonderd Sym – een halve dollar – worden betaald. Dat valt mee maar om het uitzichtplatform te beklimmen moet duizend Sym extra worden betaald en voor het bezoek aan de gevangenis nog eens vijfhonderd Sym. Het bezoeken van de medressa’s aan de Registan in Samarkand kost vierentwintighonderd Sym en nog eens achthonderd Sym als ik foto’s wil nemen. De politie heeft daar een aardig handeltje: wie drieduizend Sym aan hen betaalt, zwart, mag de minaret beklimmen. Ze dringen daarop erg aan. Ik heb de beurs op de knip gedaan. Het gaat me niet om die paar dollar maar ik ben die vreselijke Oezbeekse matrones zat met hun “ticket mister!” en achter de façades is meestal weinig aansprekends te zien. De bouwwerken zijn fotogeniek, soms indrukwekkend of bijzonder – in elke stad is er wel één: het Pahlavor mausoleum in Khiva, de Kalon moskee in Buchara, de medressa’s aan de Registan in Samarkand – maar iets verbluffends of geniaals, zoals de Shah moskee in Isfahan, heb ik niet gezien. Het schijnt dat Timoer en zijn kleinzoon Ulubekh architecten en kunstenaars verzamelden als anderen postzegels maar veel heeft dat niet opgeleverd. Timoer heeft een plaats in de geschiedenis te danken aan zijn verwoestingsdrang; andere heersers vonden een plaats in zijn duistere schaduw vanwege hun uitzinnige wreedheid. Ulubekh was een uitzondering maar zijn erfenis bestaat uit astronomische tabellen, de beste van zijn tijd, niet uit bouwwerken. Hij onderwees in de medressa niet alleen de Koran maar ook astronomie, wiskunde, geschiedenis en geografie. Hij is om die reden vermoord, door zijn zoon op aandrang van de geestelijkheid, en zijn observatorium is met de grond gelijk gemaakt. Ook de wijze van bouwen verraadt het gebrek aan geest: veel is scheef, hangt uit het lood, is niet bestand tegen de tijd. Als de Russen niet hadden geïnvesteerd in restauratie was er helemaal niks meer te zien geweest. De medressa’s van de Registan hebben ze moeten uitgraven en vrijwel geheel herbouwen. Khiva, Buchara en Samarkand waren verzamel- en verdeelstations op de karavaanroute maar hebben de handel nimmer gecontroleerd. Ze hebben elkaar vooral bevochten. Het waren backwaters, provinciesteden, niet te vergelijken met Damascus, Aleppo of Istanboel die de handel werkelijk controleerden en waar het heeft geritseld van genialiteit.

Er is nog iets aan de hand met die moskeeën, medressa’s en mausolea: op een enkele na zijn ze leeg, dood. De ziel is er uit. Een moskee krijgt pas haar charme door de aanwezigheid van mensen. Mensen die bidden, lezen, praten, slapen. Die zijn er niet. De bouwwerken zijn decorstukken van een toneelstuk dat lang geleden van de planken is gehaald. De communisten hadden de pest aan de islam, hebben de godsdienst uit het volk geslagen en ook het nieuwe regiem moet er niets van hebben. En zo zijn de bouwwerken gedegradeerd tot geldmachines, om de argeloze toerist “oh” en “ah” te laten roepen. Fotogeniek maar ook treurig.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Centraal Azië en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s