Avant-garde in Nukus

Ik passeerde de brug over de Amu Darja en kwam aan in Nukus, in Oezbekistan net over de grens met Turkmenistan. In Centraal Azië. Waar begint Centraal Azië? Bij de Iraans-Turkmeense grens? Ik vind van niet. Turkmenistan is een soort niemandsland tussen het Midden Oosten en Centraal Azië, een soort buitenland van Iran. Maar als je aan de oever staat van de Amu Darja, de oude Oxus, dan ben je zeker in Centraal Azië.

Ik was twee dagen in Nukus voor het Karakalpakstan Museum met Russische avant-garde kunst. Hier, in dit onbetekenende provinciestadje, heeft de kunstenaar en verzamelaar Igor Savitsky een enorme collectie bij elkaar gebracht van schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerk uit eerste helft van de twintigste eeuw. Impressionisme, expressionisme, constructivisme, magisch-realisme, een enkele naïeve en sociaal-realisme voordat Stalin het tot propaganda sloeg. Schilderijen van Moskouse stadsgezichten en van de Oezbeekse woestijn, van dronkemanstaferelen en wilde dansfeesten uit de Roaring Twenties, portretten van mannen en vooral vrouwen in de gesluierde stijl van het impressionisme en in de uitbundige kleuren van het expressionisme. Wie zijn die mensen en wat is er van hen geworden? Schilderijen van de katoenoogst, van de aanleg van een pijpleiding en van een weg, uit de jaren twintig toen er groot optimisme heerste en het sociaal-realisme nog een ziel had. Allemaal mij onbekende kunstenaars. Het is een tragische collectie. Veel van die kunstenaars zijn omgekomen in de oorlog of in de Goelag tijdens de zuiveringen. 1938, ’42, ’43 zijn veel voorkomende sterfdata. Levens die zouden zijn uitgewist als Savitsky niet een enkel werk, soms een klein oeuvre, had verzameld en voor Stalins terreur verborgen. Die kunstwerken roepen “Ik was er; ik heb geleefd!” Ik zie een schilderij van een landschap: met veel vaart geschilderd maar met een onbeholpen techniek. Het stickertje meldt ‘1914-1938’; vierentwintig jaar geworden. Ik zie schilderijen in wilde streken, in nerveuze streken en andere die bedachtzaam zijn opgezet: de karakters van de kunstenaars. Ze hebben geleefd! Savitsky heeft meer dan tachtigduizend werken – tachtigduizend! – in veiligheid gebracht in dat provinciestadje Nukus, ver van Moskou en ver van Stalin. Wat een moed en volhardendheid!

Al die werken zijn tentoongesteld en vooral opgeslagen op de bovenverdieping van het Karakalpakstan Museum in een oud haveloos gebouw. Het is er stoffig en er zijn grote vochtplekken op de muren en de plafonds. Er is een heel eenvoudig rookmeldsysteem en een prehistorische airco die het eigenlijk niet doet. Sommige schilderijen zijn erg krom getrokken maar dat kan ook het gevolg zijn van slechte opspanning. De wanden van de zaaltjes en de gangen hangen berstensvol: drie of vier lagen boven elkaar, boven de deur, achter de deur. Er is geen vierkante meter onbenut gelaten. Hier kan men zich de luxe van smaakvol presenteren niet permitteren. Wat niet opgehangen kan worden staat tegen de wanden, rijen dik. Dit museum bezoeken is een ontdekkingsreis met de opwinding die daarbij hoort. Ik haal een schilderij uit de rij: een vrouwenportret in rood. Het volgende: een trein in een landschap. Alles willen zien is onbegonnen werk. Het is te veel, het is niet te doen, het blijft prijsschieten. Er wordt gewerkt aan verbetering, voor zover de financiën dat toelaten. Er is een nieuw gebouw neergezet, een echt modern museumgebouw, waarin een deel van de collectie is tentoongesteld zoals het hoort. Maar de emotie is verdwenen, de emotie van het requiem voor al die omgekomen kunstenaars. Geen schilderij fluistert daar “Kijk naar me, ik was er!” En je hebt geen schatgraversvreugde.

Ik heb een hele middag helemaal alleen in het oude museum doorgebracht met de dames van de oppas. Slechts een enkeling maakt de sprong van honderdtachtig kilometer die het meer toeristische Khiva scheidt van Nukus. Dat is mede te danken aan de Lonely Planet die Nukus omschrijft als “desolaat” en “het hart van een ecologisch rampgebied”. Dat is niet aardig en bovendien de halve waarheid. Natuurlijk ligt Nukus in een ecologisch rampgebied met een opdrogend Aralmeer en door pesticiden vergiftigd water. En het is ook waar dat Nukus niet vibreert; het is maar een provinciestadje diep in ver weg Karakalpakstan. Maar dat hoef je toch niet zó op te schrijven? Er kan toch ook iets aardigs worden gezegd? Want het is óók waar dat de mensen daar iets van hun leven proberen te maken. Er is een heel levendige dagmarkt met groente en fruit en met wrakkige snottebellende softijs machientjes waaruit een ijsje vijf cent kost en met kraampjes waar ‘Gazli Suu’, priklimonade, wordt verkocht. De prik komt niet van koolzuur maar van lucht die onder druk in de limonade wordt geperst en dat is leuke techniek. Nee, Nukus is niet desolaat of het hart van een ecologisch rampgebied maar gewoon een aardig provinciestadje, goed om een paar dagen op adem te komen en kunst te zien. Ga naar Nukus!

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Centraal Azië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s