Het tipje van de sluier

Ik wilde naar Iran uit nieuwsgierigheid naar de islamitische weg naar de moderniteit die het land zou bewandelen. Ik ben er anderhalve maand geweest. Veel meer dan een verkenning van het land, wat krabbelen aan de oppervlakte van de samenleving en vermoeden wat daar onder zit, zat er niet in. Ik moet dus nog een keer terug.

Iran, land van besneeuwde bergen en peilloos diepe ravijnen. Hoogvlakten met eiken, olijven en brem. Rode en gele klaprozen die wuiven in de wind. Koelte. Maar ook de steppe met blauwgrijze distels en de schroeiend hete woestijn met naakte rotsen, zandduinen, zoutmeren, oasen en de luchtspiegelingen daarvan. Hier kun je rijden door drooggekookt land en tegelijkertijd opzien naar bergen met strepen sneeuw op de toppen. Iran is ook het land van steden met gouden namen: Teheran, Qom, Shiraz en vooral Isfahan met de mooiste moskeeën van de wereld. De Shah moskee is een monument van wiskundige schoonheid, een volmaakte smaragd, en op een steenworp afstand daarvan de Lotf Allah moskee, de meest gracieuze bonbondoos die ik ooit heb gezien. Het heiligdom van Fatima in Qom met spiegelmozaïeken in het voorportaal en in de schrijn die de zon en de menigte caleidoscopisch reflecteren waardoor het gebouw lijkt te bewegen. De woestijnsteden, vooral Yazd, met een doolhof van straatjes en steegjes langs huizen en blinde muren met bogen en portieken. Geen wand is recht en geen hoek scherp. Dat kan alleen met leem, bij uitstek het materiaal voor handwerk. In de namiddag, als de zon laag staat, straalt dat leem een oudroze gloed uit. In al die steden zijn parken en fonteinen; zo mooi en zo goed onderhouden heb ik ze in het hele Midden Oosten niet gezien. De tuin van Eram in Shiraz en de tuin van Shahzade in Mahan bij Kerman. Het gaat om water. Stromend water, watervallen en fonteinen; gemurmel, geplas en geklater. Perken met rozen, viooltjes en geraniums en lanen met pijnbomen. Schakeringen van groen, rood, geel en roze. De geur van naaldbomen en rozen. Koele plekken in de schaduw van de bomen bij het water. Fonkelende waterdruppels op rozenbladeren. Vorm en geluid, geur en kleur, koelte en hitte, licht en schaduw: de Iraanse tuinarchitectuur gaat voor een totaalkunstwerk. Allemaal aangelegd door de rijken en machtigen die het zich konden permitteren in dit gortdroge land water te bezitten en er mee te spelen.

Bagh-e Shazadeh in Mahan.

Bagh-e Shahzadeh in Mahan, zuidoost Iran

Iran is ook gewoon het Midden Oosten. Het leven begint ’s avonds, na de hitte van de dag. Drommen mensen, marktstalletjes met gaslicht, slingers van gekleurde lampen. Bij de ingang van de bazaar stinkt het naar rotting. In het vuil van de dag scharrelen kakkerlakken en ’s avonds rennen in Teheran de ratten door de goten. Van de handelswijken krijg ik nooit genoeg. Als ik in Teheran mijn hotel uit ga en rechtsaf de Amir Kabir Avenue in sla, dan kom ik in de wereld van de auto-onderdelen. Nooit eerder zag ik zo’n gigantische verzameling uitlaten, autohoezen, stoelhoezen, ruiten, deuren, motorblokken, smeermiddelen, lagers, sturen, sierstrippen. Sla ik linksaf, dan kom ik in de tentenwereld. Alle winkels verkopen dezelfde onpraktische en veel te zware tent hoewel ik in anderhalve maand Iran nergens iemand heb zien kamperen. Ook het verkeer is Midden-Oosters: auto’s, myriaden brommertjes, trekkarren en een enkele fiets krioelen door elkaar. Op die brommertjes kunnen drie volwassen kerels of een heel gezin worden vervoerd of een stapel autobanden of een motorblok. En ze zijn voorzien van knipperende lichtjes en toeters en vaantjes en kwastjes en zadeldekjes. Iedereen kruipt voor, snijdt, rijdt tegen de verkeersstroom in of parkeert midden op de rijbaan. Het is chaos en het gevolg van de ‘ikke eerst, ikke eerst’ mentaliteit die in het hele Midden Oosten heerst. Een verschil is dat Arabieren het conflict mijden terwijl Iraniërs het graag lijken aan te gaan. Er vallen twintigduizend doden per jaar in het verkeer.

In de gelaatstrekken van de mensen is de hele geschiedenis van Iran weerspiegeld. De Farsi met hun donkere huid, dik zwart haar en donkere ogen met prachtige wimpers; mooie mannen. Indo-Europeanen. Er zijn Arabische, Turkse en Aziatische gezichten; de erfenis van opeenvolgende veroveraars. Er zijn ook Noord-Europese gezichten – Russisch of Grieks bloed? – en langs de Golfkust negers. Die zijn hier niet als veroveraars gekomen. Er is veel verscheidenheid en dus ook veel onderscheid. Vooral tussen Farsi, Arabieren en Koerden. Maar het belangrijkste onderscheid is toch tussen mannen en vrouwen. Onder de mannen is een kleine irritante groep idioten en belhamels. Idioten die uit hun autoraampje hangen en roepen “Joehoe, hello, from where?, hey!, goodbey!” Belhamels die je op straat staande houden, je voor de gek houden, je naroepen, opzettelijk tegen je aanbotsen of je van de motor proberen te duwen. Het is ongelofelijk en ik ben dat gedrag in het hele Midden Oosten niet eerder tegen gekomen. Het is, gelukkig, een kleine minderheid. Tegenover hen staat Ali die me gidste in Isfahan, nieuwsgierig was naar mijn motor en vooral heel trots op de zijne. Tegenover hen staat de hotelhouder in Tabaz die me verwelkomde met “Ik wist dat je zou komen”. Tegenover hen staan anderen die gewoon een praatje willen maken, de weg wijzen, als tolk optreden, gewoon nieuwsgierig zijn of hun Engels willen oefenen. Tegenover hen staan de kinderen waarvoor “hello” een prestatie is en daarbij hun witte tanden bloot lachen. Die idioten en belhamels zijn in mijn geheugen al lang vervaagd maar Ali is er in gegrift. Het geheugen is een wonder.

De Iraanse vrouwen zijn over het algemeen knap, in ieder geval goed verzorgd. Ze zijn in grote aantallen op straat, ze werken en niet in de minste baantjes. Velen spreken goed Engels en het is gemakkelijk met ze in contact te komen. Ze verschillen hemelsbreed van hun zusters in de rest van het Midden Oosten, inclusief Turkije. Als ik iets moet regelen en ik kan kiezen dat te doen met een man of met een vrouw, dan kies ik onmiddellijk voor de vrouw omdat bij haar de kans het grootst is dat ze me verstaat, verstand van zaken heeft en ook wil helpen. Die vrouwen willen contact en zijn daarin serieus. Ze vragen om een gesprek of nodigen uit aan tafel. In Isfahan ontmoet ik een moeder met haar dochter en die zit op Engelse les. Ze wil graag oefenen en heeft een hele serie vragen. Als die op zijn, kijkt ze wat hulpeloos naar haar moeder. Die stoot haar aan: ga door! Wat een geweldige moeder! Of het meisje van hooguit acht. Ze vraagt of ik tijd heb om met haar te praten. Ze heeft een oom in Canada en daarvan heeft ze het enorme polshorloge gekregen dat ze draagt. Van dat horloge kan de wijzerplaat open en daarachter is een doosje waar haar kauwgum in kan. Het Engels heeft ze niet van haar oom geleerd; ze zit al vier jaar op Engelse les. Voor zulke meisjes en vrouwen maak ik graag tijd.

Natuurlijk, de chador, de hoofddoek. Die is verplicht en wordt verdedigd als islamic custom. Als het echt een breed geaccepteerde gewoonte was hoefde het niet te worden voorgeschreven. Ik heb geen vrouw gesproken die de hoofddoek zag zitten. De meesten leggen zich er bij neer, sommigen haten het ding. De vrouwen vechten terug. In Teheran en andere grote steden danst de hoofddoek gevaarlijk ver op het achterhoofd, min of meer in bedwang gehouden door een in het haar gestoken zonnebril. In Kerman zag ik twee meisjes met een chador in camouflagekleuren. Dat zullen de ayatollahs niet bedacht hebben. Sommige vrouwen compenseren de verplichte bedekking aan de bovenzijde met vrijwillige ontbloting aan de onderzijde: tenen met gelakte nagels. Misschien is de hoofddoek de verteerbare prijs die vrouwen moeten betalen voor hun opmerkelijke positie. Verteerbaar … als het daarbij zou blijven. Daarbij blijft het niet. Op het politiebureau van Kerman, waar ik wacht op de verlenging van mijn visum, kom ik in gesprek met de Iraanse vertegenwoordigster van een Nederlandse hulporganisatie die werkt in het verwoeste Bam. Vier dagen per week zit ze in Bam bij die organisatie en drie dagen in Kerman waar ze een eigen internetcafé drijft. Tussen de bedrijven door handelt ze via het internet in goud. Vergeleken met haar ben ik een sukkel maar ik ben dan ook een man. Die snelle meid uit Bam licht voor mij het tipje van haar sluier. Ze had dolgraag internationaal recht willen studeren in de Verenigde Staten maar ze is vierentwintig en niet getrouwd en mag daarom het land niet uit. Was ze wel getrouwd, dan had haar echtgenoot officieel toestemming moeten geven. Ze drukt driftig op de toetsen van haar mobieltje en begint een geagiteerd gesprek. Als ze klaar is legt ze uit: ze belde haar vriend, die zou haar komen ophalen maar hij is weer te laat en nu heeft ze geen tijd meer voor hem. Ik vraag of die vriend wellicht een geschikte kandidaat is om …. Ze kijkt me met afschuw aan: geen sprake van, als ze met hem trouwt gaat hij de baas spelen. Ze zucht: “Het probleem van ons vrouwen is dat we van mannen houden.”

Ik heb geen Iraniër ontmoet die zich positief uitliet over de toestand van het land. Ik hoef er niet naar te vragen. Zij die het Engels niet machtig zijn, roepen “Iran, no good” of maken een simpel wegwerpgebaar. Jongeren klagen over de enorme werkloosheid en dat niks mag; geen feestje, niks. Klagen tegen elkaar heeft geen zin want iedereen zit in hetzelfde schuitje en dan zoek je het oor van een vreemdeling. Ik heb me in Iran soms een therapeut gevoeld. In andere landen van het Midden Oosten is de situatie ook beroerd maar daar kunnen mensen nog zeggen “Ik heb niet leren lezen en schrijven. Maar mijn kinderen … en misschien wordt er een wel dokter.” Er is daar hoop. Hier niet; hier is de universiteit binnen het bereik van velen maar er is niets daarna. Het is verschrikkelijk frustrerend. Veel jongeren keren zich af van de politiek, gaan niet meer stemmen. Sommige jongens worden rancuneus – dat zijn de belhamels – andere zoeken vergetelheid in de drugs. Iran heeft een gigantisch drugsprobleem. Op het Khomeini plein, het hart van Teheran, is het ’s avonds vergeven van de verslaafden. Meisjes daarentegen zetten de tanden op elkaar en studeren nog harder en nog meer. Een vertelt me dat op haar Engelse cursus achttien meisjes zitten en twee jongens. Je kunt het toekomstige probleem aan zien komen. Als er iets in het systeem verandert, dan zijn die meiden voorbereid maar de jongens niet. Die jongens zullen verandering tegenhouden, niet omdat ze zoveel te winnen hebben bij de huidige situatie maar omdat ze veel te verliezen hebben bij verandering. Dat wordt nog een heel gevecht.

Kritiek is niet toegestaan. In Isfahan raak ik in gesprek met een gepensioneerde verzekeringsman. Het regiem heeft een puinhoop gemaakt van het verzekeringswezen, vertelt hij, en de toestand van het land is beroerd. “Dat kun je hier niet hardop zeggen want kritiek op de regering is kritiek op de geestelijkheid en kritiek op de geestelijkheid is kritiek op God. Dat is blasfemie en daarvoor kom je hier op zijn minst in de gevangenis. We hebben honderden van zulke gevangenen.” Blasfemie, godslastering; je eigen falen achter God verbergen, dat vind ik nou godslasterlijk. Iran is een theocratie; hier regeert de geestelijkheid in de naam van God. Wie zich afvraagt waar ‘scheiding van kerk en staat’ precies over gaat: nee, het gaat niet over hoofddoekjes en, nee, het gaat er ook niet om of een dominee, bisschop of ayatollah een politiek ambt mag bekleden. Het gaat om wat die verzekeringsman vertelt: kritiek op de staat is iets anders dan kritiek op God. De verzekeringsman en ik bespreken het geval van een universiteitsdocent die wegens blasfemie ter dood is veroordeeld. Hij had gezegd dat de mensen niet als apen achter de geestelijkheid aan moeten lopen. Op dat vonnis is niet alleen in het buitenland maar ook in Iran zelf toch veel kritiek gekomen? Er is dus kritiek mogelijk! De verzekeringsman lacht: “Dat staat in jouw krant (ik lees de Engelstalige Iran News) maar niet in de Farsibladen. In onze kranten staat ergens onderaan op een binnenpagina dat deze of gene wegens blasfemie is veroordeeld. Zonder commentaar. De leugen is hier norm geworden.”

Godslastering en leugens. De ayatollahs met hun ‘islamitische weg’ hebben de mensen eerder van God af geduwd dan naar God gebracht. Ik heb in het hele Midden Oosten geen land bezocht waar de godsdienst zo koel wordt bejegend als in deze Islamitische Republiek van Iran. Op de oproep tot gebed wordt door jongeren gereageerd met een hoofdknikje, het schamelste gebaar van devotie. Niemand staat op. De overleden imam Khomeini is bijgezet in een nieuwe moskee, even buiten Teheran. Die moskee maakt deel uit van een heel complex met winkels en kiosken. De imam wilde mensen bij zich hebben, naar het schijnt. Het is jammer voor hem: als ik de moskee bezoek is er vrijwel niemand en de parkeerterreinen eromheen zijn leeg. Gelukkig rennen er wat kinderen rond, anders was het helemaal een dooie boel. Het kan toeval zijn, gewoon de verkeerde dag, maar het grootste deel van de winkels is gesloten en leeg en het hele complex is nog steeds in aanbouw, deels alweer in verval en hier en daar in renovatie. Het spreekt boekdelen. Imam Khomeini mocht willen dat hij maar een deel van de belangstelling kon trekken die Fatima in Qom trekt. Daar staat het parkeerterrein vol bussen en zijn er lange rijen voor het bezoek aan haar schrijn. Maar Fatima staat dan ook voor een heel andere religieuze beleving dan imam Khomeini. Zij doet wonderen, hij niet.

Wat willen de mensen? De mensen willen, zoals overal in het Midden Oosten, zo vreselijk graag er bij horen, modern zijn, gewoon mee mogen doen, serieus genomen worden door de rest van de wereld en vooral door het Westen. Het regiem is daarvoor een obstakel maar hoe krijg je het weg? Het regiem is er gekomen met de revolutie van 1979. In vredesnaam geen nieuwe revolutie, dat vinden de mensen. Het zal millimeterschuifwerk worden, een taaie strijd waarin de vrijheid geleidelijk wordt veroverd. Dat betekent minstens twee verloren generaties en dat is erg. De mensen willen wel hulp uit het buitenland maar zeker geen interventie. Het Westen is het lichtend voorbeeld maar wordt tegelijkertijd met grote achterdocht bekeken, zoals overal in het Midden Oosten. Die achterdocht wordt gevoed door de voortdurende kwelling van de Palestijnen waarvoor het Westen geen belangstelling lijkt te hebben. De achterdocht wordt gevoed door het schandaal van de mishandelingen in de Iraakse gevangenissen: Bush of Saddam, het maakt kennelijk geen verschil. Ik kan wel tegenwerpen dat de schuldigen nu tenminste ter verantwoording worden geroepen maar aan showprocessen is men in Iran gewend.

Ik heb gemerkt dat in Iran de houding van het Westen in de Iraaks-Iraanse oorlog van de jaren tachtig een diep trauma heeft achtergelaten. Niet het aangevallen Iran werd gesteund maar de aanvaller Irak. Honderdduizenden doden, alleen om een paar ayatollahs een hak te zetten. Bij elke Iraanse stad is wel een oorlogskerkhof. Ik bezocht het kerkhof bij Isfahan. Het is indrukwekkend. Niet omdat de doden in het gelid zouden liggen, zoals op onze oorlogskerkhoven, want in het Midden Oosten ligt nooit iets in het gelid. Niet vanwege de omvang, hoewel iemand mij vertelt dat er op dat kerkhof achtenveertigduizend doden zouden liggen. Het is indrukwekkend omdat alle graven voorzien zijn van een foto: de doden hebben een gezicht. Sommige zijn opgeblazen pasfoto’s. Andere zijn trouwfoto’s, foto’s van diploma-uitreikingen of van andere officiële gebeurtenissen. Er zijn zo-maar-kiekjes en foto’s die aan het front zijn genomen, met de loopgraaf op de achtergrond. Duizend verschillende gezichten: dromerig, naïef, verwachtingsvol, oplettend, gespannen, ernstig vanwege de plicht, ernstig vanwege de ervaring met de dood, lachend van bravoure. Kinderen in kapotte truien, mannen in hun trouwpak, een enkeling in uniform. Sommige foto’s beginnen te vervagen. Een oude vrouw, gebogen, haar omslagdoek sleept over de grond, loopt langs de voorste rij graven. Elke foto krijgt van haar een aai. Bij een blijft ze staan. Ze houdt de foto met beide handen vast, buigt zich voorover en kust het portret. Ik ben later gaan kijken: een jonge jongen, een kind nog, met grote ernstige ogen. Zo maar.

 

Shohada, begraafplaats voor de martelaren

Shohada, begraafplaats voor de martelaren, achter Imam Khomeini’s schrijn.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Midden Oosten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s