Tussen Dasht-e Kavir en Dasht-e Lut

De woestijn roept. Ik kan er niks aan doen. Ten noordoosten van Kerman ligt de Dasht-e Kavir, de zoutwoestijn, en ten oosten de Dasht-e Lut, de zandwoestijn. Het zijn grote diepe bekkens en het moet er onmenselijk heet zijn. Daartussen ligt een wat hoger gebied dat wellicht een beetje milder is. Daar kies ik voor: de weg van Kerman naar Mashhad tot Deyhuk en dan terug over Tabas naar Yazd. De eigenaar van hotel Akhavan ziet mij niet graag op vrijdag vertrekken. Het is dan stil op de weg, zegt hij, en daarom een beetje gevaarlijk. Als ik vraag wat er dan gevaarlijk is, maakt hij een vaag schietgebaar. De drugstransporten uit Pakistan en Afghanistan. Een Rode Kruis arts die ik in hotel Akhavan ontmoet vertelt dat veertig procent van de mannelijke inwoners en vijftien procent van de vrouwen in Bam is verslaafd. Kinderen worden er verslaafd geboren. Er worden bendeoorlogen uitgevochten. Hij ziet de gevolgen: schot- en steekwonden. Ik reis alleen en moet op mijn tellen passen. Tot diepe tevredenheid van de hoteleigenaar ben ik op zaterdag vertrokken: “It is safe now and you will enjoy it.” Tot Tabas is vijfhonderdzestig kilometer en de langste tocht die ik ooit op één dag door een woestijn heb gemaakt.

Van Kerman loopt de weg door de uitlopers van het Kuhrudgebergte. De hellingen zijn bedekt met kleine grijsbruine bolvormige struikjes. Hier en daar zijn wat spatten groen, aan de top van de puinkegels uit de zijdalen en op de dalbodems. Bergen werken als een spons: ze houden het water vast en dat lekt er aan de randen uit. Te oordelen naar de spatten groen zijn er tamelijk veel bronnen. Het is heerlijk motorrijden: lekker veel en niet te scherpe bochten en de lucht is koel. Maar dan komt de weg uit het gebergte; een lange afdaling en elke meter lager wordt het heter. Het nieuwe landschap is een cadans van lage heuvelruggen en lange puinhellingen. Dit land is verdronken in eigen puin waaruit hier en daar een rotspunt steekt als een drenkeling. Geen landschap maar de ruïne van een landschap. Het bestaat uit horizontalen, alleen de rechte weg wijst helling op de hemel in. De hellingen vormen parabolen die langzaam de horizontale as naderen zonder haar te raken. Ze zijn enorm, wel tien tot twintig kilometer lang, en gevormd door water: de sporadische regenbui die het puin meeneemt en sorteert. Bovenaan grof puin, dan grind en, als de helling lang genoeg is, beneden zand. Was er geen stromend water dan zouden de puinhellingen recht zijn, een hoek van vijftien tot twintig graden maken, en het puin niet gesorteerd. In de woestijn is water de grootste dreiging. Deze weg wordt er tegen beschermd door lange wallen en dammen om het water in de wadi’s te leiden en daar in bedwang te houden. De uiteinden van de wadi’s zijn door het zand overstoven, alleen herkenbaar aan de lage struikjes die langs de randen groeien en grillige groene lijnen in het land vormen. Groen: ze kunnen water bereiken. De bladeren zijn kleine staafjes die, als je ze breekt, een druppel opleveren. Elke woestijn is anders. Ik heb de eindeloze grindvlakten van de Syrische woestijn gezien, de zandwoestijn van de Sahara en de rotswoestijn in de Sinaï.

Helling op, helling af. Om de dertig kilometer staat er langs de weg een kleine moskee. Een haveloos leeg gebouwtje, van binnen bekrast en bevuild. Hier wordt niet gebeden. Toch zijn het dankbare plaatsen: de moskee heeft een afdak en er is water want een moslim moet zich wassen voor het gebed. Ik bén dankbaar want het is heet, gloeiend heet, en de wind wakkert aan en maakt het motorrijden zwaar. Windhozen draaien pirouetten. Ik ben bang voor ze want de zuiging van een windhoos is sterker dan die van een vrachtauto. De horizon lost op in nevel. Ik zie een oase in een zilveren meer, een luchtspiegeling. Af en toe doemt uit de nevel een bergrug op – koelte – maar de weg buigt zich er pesterig omheen. Na honderdzestig kilometer helling op helling af komt Nayband in zicht. Dat is een gehucht met een tankstation, een theehuis en een oase met palmbomen en tuinen. In het theehuis zitten vrachtwagenchauffeurs. Ze willen weten of ik whisky of wodka bij me heb. Ze worden vervelend, dus thee opdrinken en wegwezen. Na Nayband is er weer hetzelfde landschap. Er staan bordjes langs de weg: telefoon en benzine over honderdtwintig kilometer, honderd kilometer, tachtig kilometer. Ze wijzen naar de volgende oase, naar Deyhuk. Er staan ook bordjes die waarschuwen voor overstekende dromedarissen. Ze zijn er inderdaad, kleine groepjes statig voortschrijdend. Er ligt er een dood langs de weg, kennelijk aangereden, en inmiddels gemummificeerd. Er ligt ook een dode vos; die beesten leven overal. Af en toe passeer ik kleine oasen. Er loopt geen weg naar toe. Ze zijn blijkbaar te klein om te benutten. Misschien is één van die oasen wel het origineel van de luchtspiegeling die ik honderd kilometer eerder zag. Bij Deyhuk verlaat ik de weg naar Mashhad en neem de weg over Tabas naar Yazd. Gelukkig gaat die het gebergte in. Het is inmiddels vijf uur en de grootste hitte is voorbij. Weer fijn motorrijden. Maar de bergrug is smal, de lol gauw voorbij en voor me ligt weer een eindeloze vlakte. Om zes uur rijd ik Tabas binnen, afgepeigerd en uitgedroogd. Ik had een thermosfles thee bij me maar die is gaan lekken. De eigenaar van hotel Baghman is al van mijn komst op de hoogte – “Ik wist dat je zou komen” – en heeft een kamer in orde gemaakt. Iemand heeft gebeld dat een reiziger in aantocht is. In de woestijn reis je niet onopgemerkt.

Van Tabas naar Yazd. Op de honderdveertig kilometer tot Robat-e-Posht Badam is er helemaal niets, geen dorp, geen tankstation, geen moskee. Alleen lange puinhellingen die eindigen in het zand. Het waait hard en het bruine zand stuift in een dunne laag over de weg. Ik ben even bang dat het tot een zandstorm zal komen, vooral omdat de nevel bruin kleurt, maar de weg gaat weer helling op en het zand maakt plaats voor stenen. Er staan een paar dromedarissen roerloos langs de weg. Ze reageren niet als ik groet. Na Robat wordt het landschap wat vriendelijker: bergruggen, dorpen in de laagten en meer begroeiing. Er zijn ook moskeeën, nu ik ze niet meer nodig heb. Om kwart over vier rijd ik Yazd binnen, weer afgepeigerd en uitgedroogd. Er gaat niets boven de woestijn.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Midden Oosten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s