De Iraanse lus

Ik wil doen wat de meeste bezoekers aan Iran op de een of andere manier doen: de Iraanse lus. Teheran, Qom, Isfahan, Shiraz, Kerman, Yazd, Kashan, Teheran. De westelijke helft van die lus – Qom, Isfahan, Shiraz – biedt vooral cultuur en daarnaast natuur en bij de oostelijke helft is dat precies andersom.

Qom wordt door de toeristen meestal overgeslagen met de gedachte dat het een heilige stad is en dus wel erg vervelend moet zijn. Dat is jammer want Qom is wel een heilige stad maar vooral een bedevaartsoord met alles wat bij zo’n oord hoort. Hier ligt Fatima begraven, de zus van Imam Reza die zelf in Mashhad ligt begraven, en mensen trekken in drommen naar haar toe. Het parkeerterrein in de droge rivierbedding staat vol bussen. Ieder sjouwt met tassen en koffers. Het jongste kind draagt de jerrycan met water. De bedevaartgangers komen uit Iran, uit Irak en Koeweit en zelfs uit Pakistan en India. Veel Arabische hemden en hoofddoeken; de Koeweiti’s in hun lange witte hemden met opstaand boord zoveel chiquer dan de anderen. Kleurige omslagdoeken van de vrouwen uit Pakistan; het hoeft dus niet allemaal zwart te zijn. Als andere grote bedevaartsoorden heeft Qom iets meeslepends; al die mensen zijn gekomen met hetzelfde doel en daarvan gaat een grote kracht uit. Een bedevaart bestaat uit opgave en opluchting. Dat hoort bij elkaar. Je gaat er naar toe om inspiratie, om hulp bij problemen of ziekten. Daar moet je iets voor over hebben; het kost moeite om er te komen. Daar staat de opluchting tegenover niet de enige te zijn die zoekend is, troost behoeft, problemen heeft. Gedeelde smart is halve smart. In de straten rondom het heiligdom rijgen juweliers, boekhandels met stichtelijke lectuur, souvenirwinkels en koekjeswinkels zich aaneen. De juweliers zijn er voor de vrouwen, de boekhandels voor de ouderen die er een nieuwe Koran aanschaffen en de souvenir- en koekjeswinkels moeten het vooral van de kinderen hebben. Lekker eten hoort er ook bij. Overal zitten gezinnen op matten en dekens met brood, tomaten en een pan. Mensen fotograferen elkaar als bewijs, als aandenken aan opgave en opluchting. Een fontein is een favoriet decor. En aan het einde van de dag sjokt iedereen terug naar de bus voor de lange reis naar huis. Met nog vollere tassen en koffers.

Net als in Teheran word ik bij aankomst in Isfahan verwelkomd door idioten die uit het raampje van hun auto hangen en roepen “Hello, from where? Joehoe. Goodbey.” Het ergst zijn de twee die naast me komen rijden, me even bekijken en dan plotseling een duw tegen mijn motor geven zodat ik bijna de macht over het stuur verlies. Dat is een verbijsterende ervaring. Er is gelukkig ook een witte raaf, Ali. Hij loodst me op zijn motor door het drukke verkeer naar het Enghelab plein, naar het Saa’di hotel en, als dat me niet bevalt, naar het Amir Kabir hotel. Het contactpunt is de motor. Ali is niet alleen nieuwsgierig naar de mijne maar ook trots op de zijne die hij heeft uitgerust met een aansluiting voor de mobiele telefoon, extra knipperlichten en een politiesirene.

Isfahan heeft een aantrekkelijk centrum: brede boulevards met bomen er langs, grote parken, een romantische rivier met bruggen uit de Safavid periode en het Haghsh-e Jahan plein dat tegenwoordig heel revolutionair het Khomeiniplein heet. Het plein is een van de grootste van de wereld. Het meet vijfhonderd bij honderdzestig meter en geldt als een stedenbouwkundig hoogstandje. Oorspronkelijk aangelegd voor het polospel is het plein nu fraai beplant en bestraat en omgeven door twee verdiepingen hoge bebouwing in de lichtgele baksteen die zo kenmerkend is voor Isfahan. De belangrijke gebouwen dienen als ankerpunten: de ingang van de bazaar, het Ali Ghapu paleis, de Lotf-Allah moskee en de Shah moskee. De laatste is een wonder van monumentaliteit. Om de moskee naar Mekka te richten staat hij met een hoek op het plein. De gang vanaf het frontportaal maakt daardoor ook een hoek. Ben je die voorbij, dan sta je plotseling op het binnenhof van de moskee. De argeloze bezoeker wordt overvallen. Het binnenhof is aan alle zijden omgeven door arcaden met spitsbogen in vlakke wanden. In elke zijde is een groot rechthoekig portaal met een diepe nis. Tegenover de ingang van het binnenhof ligt de moskee, bekroond met een koepel. Niet precies een halve bol: de top is iets toegespitst en de basis gaat iets over de helft van de bol. Net iets. Spannend; een halve bol was saai geweest. Vlakken, rechthoeken, bogen, cirkels; dat is het geheim van deze moskee: wiskunde. Geen ballerina, als de Blauwe Moskee in Istanboel, maar wiskunde. De wanden, de minaretten en de koepel zijn van bedekt met tegelwerk dat ingewikkelde guirlandes van bloemen uitbeeldt. Blauw en paars zijn de hoofdkleuren van het binnenhof, groen en blauw van de binnenzijde van de moskee en blauwgroen is de kleur van de koepel en de minaretspitsen. Samen met de wiskundige vormgeving maakt dat tegelwerk de moskee tot een edelsteen; een smaragd van volmaakte vorm en kleur. Volmaakt, wel nageaapt maar nooit geëvenaard. Bouwwerken als de Shah moskee worden maar eens in de honderd jaar gebouwd omdat genieën zeldzaam zijn. Er zijn weinig bezoekers. Een groepje westerlingen met een gids. Jasje, dasje; sommigen hebben het tasje met het notebook op de schouder. Misschien zakenmensen, waarschijnlijker congresgangers. Ze zijn gauw verdwenen. Ik zit alleen, in een nis, en kijk naar de kruipende schaduwen over het donkergrijze plaveisel van het binnenhof. Een man komt me halen, neemt me mee naar de moskee, dirigeert me naar een plaats onder de koepel en maakt het gebaar van een handklap. Ik klap in mijn handen. Een fractie van een seconde later valt het geluid neer als een schot. De koepel weerkaatst en concentreert de klap precies op die plek. Geen meter naar links, geen meter naar rechts. Precies op die plek. Het is fysica. Dit is de wereld van de wiskunde en de natuurwetten, van de abstracte God.

Aan het plein staat nóg een meesterwerk: de Lotf-Allah moskee, de meest gracieuze bonbondoos die ik ooit heb gezien. Een monumentaal frontportaal zonder de mannelijke minaretten van de Shah moskee, met een poort bovenaan een korte trap. Achter die poort ligt een gang die een cirkelboog beschrijft en die gang komt uit in een intieme achthoekige moskee. In elke hoek wentelt een pilaar omhoog en omhoog naar het koepelgewelf. Er hangt heel mooi gedempt licht. Wat een gratie, vrouwelijke gratie! Het schijnt dat de moskee is gebouwd voor de prinsessen van het safavidische hof in het Ali Ghapu paleis aan de overzijde van het plein. Ik stel me voor dat die prinsessen hier hebben gedanst en gebeden want deze moskee roept zowel op tot uitbundigheid als tot inkeer. Meesterwerken zijn zeldzaam omdat genieën zeldzaam zijn maar aan het Naghsh-e Jahan plein staan er twee!

Van Isfahan naar Shiraz: vijfhonderdzestig kilometer door een steppelandschap met geel gras, klaprozen en verspreide bomen. Erg veel aandacht kan ik voor dat landschap niet hebben want ik ben doodmoe. Vanwege schijterij. Ik kan verzekeren dat leeglopen op een hurktoilet geen pretje is. Iran is, als andere landen in het Midden Oosten, een eldorado voor bacteriën. De oorzaak is de schamele hygiëne. De keukenjongen draagt heel keurig rubberen handschoenen. Jammer is alleen dat hij er voortdurend mee langs zijn neus veegt. Het lijf went er aan, na een tijdje. Ik wil in Shiraz bijkomen. Daarom heb ik gekozen voor het comfort van een middenklasse hotel met airco, handdoeken, tv met de BBC Worldservice, roomservice, ontbijt, attente receptie en een ondergrondse parkeergarage zodat ik me over de motor geen zorgen hoef te maken.

Steppelandschap van Iran

Steppelandschap van Iran

Shiraz is een mooie stad maar je gaat er vooral naar toe vanwege de ruïnes van Persepolis, ongeveer zestig kilometer naar het noorden. Persepolis: de stad van de Grote Perzen, van Cyrus, Darius, Xerxes. Ik ben er geweest. Niet op de motor maar in een airconditioned auto met chauffeur en gids. Heerlijk: ik word bij mijn hotel opgehaald, een hele dag rond gereden, de gids houdt de deur voor me open en ik hoef niet na te denken. Allemaal geregeld door een heel aardig meisje van Pars Travel Agency, voor vijfenveertig dollar exclusief toegangskosten. Ali is mijn gids. Hij spreekt goed Engels met een slepend Farsi accent. Ali volgt een of andere master of science opleiding waarmee hij in de toekomst een officiële toeristengids kan worden. Hij is nog in opleiding maar kent alle bewakers en alle gidsen en beschikt over veel detailkennis. Die kennis is er kennelijk net in gestampt want als ik een vraag tussendoor stel krijg ik standaard als antwoord “That I will explain later but now…” Ik moet de volgorde niet verstoren. Hij laat zich niet van de wijs brengen en is erg goed in feiten. Hij dreunt de namen van de heersers op als waren het oude bekenden van hem en van mij, weet van elk reliëf te vertellen welke volkeren er op staan en wat de symbolen betekenen. Kortom: aan Ali heb je wat, als je van feiten houdt. Hij wijst op een reliëf: “Kijk, daar heb je de Joden.” Als ik brutaal vraag waaraan hij dat kan zien wijst hij op de haarlok. Het verhaal van Ester – de Joodse vrouw van Xerxes die haar volk voor uitroeiing behoedde – kent hij niet. Het komt kennelijk niet in zijn boeken voor en wat daarin niet voorkomt is niet belangrijk. Hij vraagt niet om uitleg. Hij verwacht dat ik zijn informatie moeiteloos absorbeer: “As you remember I told you …” Als Ali even niet informeert is hij bezig met zijn haar of met zijn nieuwe mobiele telefoon van Siemens – “Beter dan Nokia” – met ingebouwde camera. Hij vraagt hoe je het woord ‘Siemens’ uitspreekt. Tussendoor licht hij mij in over het dubbelleven van de bemiddelde Iraanse jongeman. Hij houdt niet van wijn maar wel van bier, echt bier, en dat is te krijgen net als hasjiesj en vrouwen. Als je geld hebt. Ali is een aardige jongen en Persepolis een interessante plaats. Natuurlijk bestaat Persepolis uit erg veel omgevallen pilaren – het is verwoest door de hooligan Alexander de Grote – maar de trappen naar de terrassen en de wandreliëfs zijn goed bewaard gebleven. Het heeft wat om over trappen te lopen waar vijfentwintighonderd jaar geleden Darius, Cyrus, Xerxes en Alexander hebben gelopen en stenen aan te raken die drama’s van wereldformaat hebben meegemaakt.

Dankzij de rustpauze in Shiraz en het comfort van een auto met chauffeur ben ik weer aardig opgeknapt voor de lange tocht naar Kerman. De weg kronkelt langs berghellingen en ravijnen met loodrechte wanden en de puinkegels in die ravijnen zijn bedekt met eikenbomen. Een spectaculair landschap. Even buiten Shiraz staat een file want een vrachtauto is door zijn remmen gegaan, heeft een auto geramd en in het ravijn geduwd. Verderop heeft een tankauto de bocht niet gehaald en is langs de rotswand opengescheurd. Het is kennelijk al enige tijd geleden gebeurd want de olie is ingedampt tot teer waarin wat vogels aan hun einde zijn gekomen.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Midden Oosten en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s