Op zoek naar de vader van Nabil S.

Al Hasakah is de hoofdstad van de gelijknamige provincie in het uiterste noordoosten van Syrië, een stoffige onbetekenende driehoek die ingeklemd ligt tussen Irak en Turkije en bewoond wordt door Koerden en Arabieren. Ik moet in Al Hasakah zijn vanwege een verplichting: ik heb beloofd, als ik in die buurt kom, te kijken wat ik kan doen voor Nabil S., een Syrische vluchteling in Nederland. Hij behoort tot die ongelukkige groep die tussen wal en schip is terecht gekomen: in Nederland krijgt hij geen asiel maar terugkeer naar Syrië zit er niet in. Ik ga proberen zijn vader op te zoeken. Ik zie er niet naar uit. De toestand in de provincie is gespannen als gevolg van ongeregeldheden tussen die Koerden en Arabieren. Het Syrische regiem, dat allergisch is voor opstootjes en daarom alles in de gaten houdt, heeft het voetballen op etnische grondslag over het hoofd gezien. De orde is bruut hersteld en een vrolijke boel zal het in Al Hasakah vast niet zijn. Ik verwacht er niet het geschikte klimaat aan te treffen om eens uitgebreid en in het openbaar navraag te doen naar de familie van een politieke vluchteling. Dat wordt op eieren lopen.

De aankomst in Al Hasakah is niet veelbelovend: de stad is nog groezeliger dan ik me had voorgesteld en de eerste persoon die ik er ontmoet is een agent die bars vraagt wat ik eigenlijk kom doen. Zo ben ik in Syrië nog nergens bejegend. Het hotelwezen houdt ook niet over. Iemand brengt me naar een hotel; hij drukt duim, wijs- en middelvinger tegen elkaar, het gebaar voor ‘goed’: een bedompt hok met in elke kamer drie kaartende en boerende Arabieren. Daar kan ik nog wel bij en eventueel willen ze voor mij de kamer met het vuile wasgoed ontruimen. Dank u, laat maar. Op eigen kracht vind ik er nog een van het hetzelfde laken een pak en dan hotel Alsnabel dat iets beter is maar ook niet om enthousiast over naar huis te schrijven. Inmiddels heeft het manvolk zich over mijn motor ontfermd. Ze hebben hem op de bok weten te krijgen, een zit er als een koning bovenop en twee hangen aan het stuur. En ze zijn uitdagend rellerig. Dat heb ik ook nog niet meegemaakt in Syrië. Het wordt Alsnabel. De ontvangst is uiterst stroef. Verder valt het eigenlijk wel mee: mijn kamer is Spartaans maar redelijk schoon en ik heb een douche. Er zullen vast nog tijden komen waarop ik met weemoed terugdenk aan de geneugten van hotel Alsnabel.

Ik ga op zoek naar de vader van Nabil. Ik heb wel een naam maar geen flauw idee waar ik zoeken moet. In de etalage van een boekhandel staat een Russisch-Arabisch en een Engels-Arabisch woordenboek. De boekhandelaar is de hulp die ik nodig heb. Met hem begint een circus van hulpvaardigheid die mij de beroerde ontvangst in Al Hasakah zal doen vergeven. De boekhandelaar schrijft de naamgegevens in het Arabisch. Dankzij mijn beroerde uitspraak maakt hij een fout die grote gevolgen zal hebben: hij schrijft vaders naam als ‘Kamil’ in plaats van ‘Ghamel’. Wat rondvragen loont: “Jawel, die woont dáár, niet ver weg.” De boekhandelaar gaat met mij mee naar de aangewezen straat. Het is de verkeerde straat; er woont geen Kamil S. en dus gaan we terug naar de boekwinkel voor een nieuwe poging. De handelaar stuurt lopers uit. Hij betaalt ze en wil geen geld van mij: “Dat hoort niet.” Ik krijg thee. De ene loper na de andere komt onverrichter zake terug. De naam S. – een christelijke naam – is wijd verbreid in Al Hasakah maar een Kamil S. is niet bekend. Er ontstaat een oploop bij de boekwinkel. Ik zweet peentjes, bang dat iemand opeens zal zeggen “Dat is toch de vader van die politiek vluchteling….” Uit de kring van omstanders komt een oudere heer naar voren. Hij stelt zich voor als Georgos, van Turkse afkomst en katholiek. Aangezien S. een christelijke naam is oppert hij de kerken langs te gaan. Misschien kent iemand daar Kamil. Georgos en ik trekken langs de Armeense kerk, de Syrisch-orthodoxe kerk, de Katholieke kerk. De protestanten slaan we over. “Daar heb je niks aan” zegt Georgos. Ik schud handen van veel geestelijken en zij schudden allemaal ‘nee’: Kamil S. kennen ze niet. Op de binnenplaats van de Katholieke kerk schud ik ook de handen van een jongen met een groot gouden kruis om de hals. Is het waar? Kom ik uit Nederland, uit Utrecht? Zijn moeder, broer en zus wonen daar, in Houten om precies te zijn. “Volgend jaar, misschien mag ik ook naar …” en “Nederland is zóóóó’n land.” Hij begint hartverscheurend te huilen. Ik leg een hand om zijn schouder. Meelevendheid wordt beloond. Iemand haalt een non uit de kerk: nee, Kamil S. kent ze niet; wel Ghamel S. De schrijffout komt boven drijven. Georgos en ik worden in een auto geduwd en een paar straten verder gereden. We gaan de trap op van een appartementengebouw. Ik klop aan. De deur gaat open en daar staat Ghamel S., de vader van Nabil. We zijn drie uur verder…

Ghamel is een broze oude man, mager en licht gebogen. Hij heeft een stoppelbaard en heel verdrietige ogen. Hij toont me een foto van Nabil en een van zijn vrouw, de moeder van Nabil, die twee maanden geleden is overleden. Nabil kon niet bij de begrafenis zijn. Er komen meer mannen binnen, broers van Nabil. Stevige mannen met dikke snorren; het type dat ik altijd instinctief mijd. In dit mannengezelschap wordt vader alleen maar brozer. Georgos, ik en de chauffeur zitten op de bank en de broers op de bank er tegenover. Tussen de twee banken, tussen wij en zij, is een salontafel geperst. Het is een kleine kamer. Er hangen heiligenprentjes aan de wand. Er is ook een ‘mooie kamer’ maar die heeft de sfeer van een rouwkapel vanwege de foto van moeder waarover een rozenkrans is gehangen. De sfeer is ongemakkelijk. Vader gaat zitten, staat op, loopt rond, gaat weer zitten. Ik krijg een glas water en daarna Georgos en de chauffeur ook. Dan worden kopjes klaar gezet en komt de thee. Het ijs begint te breken, vooral dankzij de kleinzoon die goed Engels spreekt. Hij zit op een school voor getalenteerde kinderen, vandaar. Hij vertaalt voor mij: het gaat goed met Nabil in Nederland. Ik wil het wak in het ijs niet laten dichtvriezen door te beginnen over zijn uitzichtloze positie. Vader knikt: “Nabil belt bijna elke dag.” De broers zijn wat achterdochtig: hoe goed ken ik Nabil eigenlijk? “Eenmaal gezien en eenmaal gesproken” zeg ik, een leugentje om bestwil. Ik heb Nabil gezien noch gesproken; het contact is verlopen via een familie die zich over hem heeft ontfermd. Dan nemen de broers het gesprek over: wat ik vind van mister Bush en of de Europeanen achter de oorlog in Irak en achter de Israëlische bezetting van Palestina staan? Er volgen lofzangen op “our president mister Bashir Assad” die zo’n geweldig leider is en zoveel veranderingen heeft doorgevoerd. Het ligt me op de lippen op te merken dat de oude Assad een catastrofe moet zijn geweest als de jonge zoveel veranderingen heeft moeten doorvoeren. Ik slik de opmerking in. Wat voor boodschap geven de broers? Denken ze dat ik een agent ben en willen ze duidelijk maken dat ze goede loyale Syriërs zijn? De kleinzoon licht voor mij het tipje van de sluier. Hij wijst op zijn vader en zijn oom en vertelt glunderend dat ze “heel hoog zijn in de Baath partij.” Ik probeer Nabil tot het onderwerp van ons gesprek te maken in plaats van mister Bush en mister Bashir Assad maar Nabil is duidelijk geen favoriet thema. Ze houden heel veel van Nabil, zeggen ze, en hij was heel populair in Al Hasakah maar kunnen we het nu hebben over de relatie met de Europese Unie en over de Spanjaarden die hebben aangekondigd binnenkort Irak te verlaten? Het is een vreselijke conversatie. Ik vraag vader of ik wat foto’s van hem mag maken, voor Nabil. De oude man knikt. Hij kan het gesprek volgen, dankzij de vertaling van zijn kleinzoon, maar blijft afzijdig. Hij heeft bij zijn zonen niets in te brengen. Zijn stoel heeft hij naast me geschoven, aan deze zijde van het ijzeren gordijn van de salontafel. Ik merk dat hij me af en toe bekijkt en hij houdt en streelt mijn hand, de hand van de boodschapper van Nabil. Hij moet heel veel van Nabil houden. De broers rammen gewoon door. Georgos en de chauffeur vinden het mooi geweest en vertrekken. Ik blijf want vader houdt mijn hand vast. Hij leidt me naar de mooie kamer, voor de foto’s. Hij wil graag gefotografeerd worden naast het portret van zijn vrouw. Ik maak er nog een van hem, zittend op de bank – hij buigt zijn hoofd licht naar het portret – en nog een close-up. Na de fotosessie kust hij me op beide wangen; hij is heel geëmotioneerd. We gaan terug naar de living, naar de broers. Eindelijk brengen ze zelf Nabil ter sprake: ze hopen dat het hem goed zal gaan in Nederland, hij is er al zes jaar en moet daar maar blijven. Ze vragen wat ik daarvoor kan doen. Ik ben een Arabier en beantwoord een vraag met een wedervraag: wat kunnen zij doen voor Nabil? Er valt een ongemakkelijke stilte. Een van de broers wijst naar boven: alleen God kan uitkomst bieden. Nabil is weer van tafel. Ik moet beslist blijven eten; ze zullen gegrilde kip laten halen. Ik rammel maar sla het aanbod af. Ik zou graag nog even bij de vader blijven maar ik heb geen zin meer in de Baath broers. Ik sta op, schud handen, wordt door vader nog eens gekust en dan naar buiten. Gelukkig. Het is elf uur. Alle eetgelegenheden zijn inmiddels dicht dus zonder eten naar bed.

De volgende ochtend ben ik vroeg opgestaan. Een ontbijt kan ik niet krijgen en bij het afrekenen probeert de hotelbaas me voor twee en een halve dollar te tillen. Hij vraagt extra geld voor de televisie die alleen sneeuw te zien gaf, voor de ijskast die ik niet gebruikte, voor de verwarming en de airco die je nooit tegelijkertijd gebruikt en voor ‘service’. Ik ga even langs de boekhandelaar – “U hoeft mij niet te bedanken, het hoort gewoon zo” – en dan weg. Weg van Al Hasakah, weg van Alsnabel, weg van de Baath broers, weg. Het is een uurtje rijden naar de grens en dat uurtje lucht op. De baas van de politie bij de grensovergang is een dikke gemoedelijke kerel met een bulderstem: “Heb je het leuk gehad in Syrië?” Ik houd van Syrië en Al Hasakah laat ik buiten het antwoord. “Heb je thee gekregen? Nee? Mahmouuuut!” De bank weigert mijn Syrische ponden om te wisselen in dollars. Ik doe mijn beklag bij de politiebaas. “Aan die bank heb je niks. Geef hier. Hoeveel wil je wisselen?” Ik heb twaalfhonderdvijftig pond (vijfentwintig dollar) en zeg dat ik tevreden ben als hij twintig dollar geeft. “Dat is goeie handel!” buldert de baas. Ik houd van Syrië.

Via de bemiddelende familie in Nederland heb ik Nabil verslag gedaan van de ontmoeting met zijn vader. Via die familie krijg ik ook een reactie van Nabil. Hij schrijft: “Vanuit heel mijn hart bedank ik u, omdat u iets goeds voor mij heeft gedaan. En ik hoop dat u nog steeds goede en warme gevoelens krijgt bij het Syrische volk na het bezoek aan Al Hasakah. U heeft zoveel gedaan, en uit heel mijn hart hoop ik u ooit te ontmoeten. Ik wil u ontmoeten omdat u aanwezig bent geweest in het huis waar ik ben opgegroeid, ik wil u ontmoeten omdat u met uw ogen mijn familie heeft gezien. Ik wil u graag aanraken omdat u de hand van mijn vader heeft vastgehouden. Bedankt dat u daar bent geweest, ik hoop dat u voor de rest mag genieten van een goede reis. Bedankt, Nabil S.” Arabischer kan niet.

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s