Kijk niet achterom, kijk vooruit

De Autoroute du Soleil: duizend kilometer asfalt in langgerekte bochten. Heuvel op, heuvel af; akkers, weilanden, boomgaarden, bossen. Eentonig mooi. In het noorden is het landschap kaal en bruin en grijs. In Midden Frankrijk bloesemen de vruchtbomen wit en roze. In het zuiden domineert het groen van eiken, pijnbomen en olijven. Luik, Luxemburg, Metz, Nancy, Dijon, Lyon, Valence, Orange, Avignon. De namen roepen herinneringen op aan de autovakanties naar Spanje toen zo’n tocht nog een onderneming was zoals nu deze reis.

Denken over wat komen gaat roept een beklemmend gevoel op, een lichte misselijkheid, alsof ik op weg ben naar iets akeligs. Voorlopig is er niets aan de hand. Ik verheug me op Turkije; ik ken de Turken als handige, hartelijke en aardige kerels waarmee te lachen valt. Ik ben nog nooit in Iran geweest maar verwacht van de Iraniërs hetzelfde. Ik verlang naar het Midden Oosten, naar de nieuwsgierigheid van de kinderen, naar het aanraken, naar de verhalen, naar het leven dat nog niet in cijfers is verstikt. Maar daarna: … Centraal Azië en Siberië. Bij Centraal Azië denk ik aan de woeste horden van Atilla de Hun, van Dzjengis Khan en Timoer Lenk. Bij Siberië aan de Goelag en aan modder en kou. Tussen Chita en Khabarovsk, tweeduizend kilometer, schijnt geen doorgaande weg te zijn; dat traject heet onder langeafstandsmotorrijders de ‘Zilov Gap’. Ik verwacht ingestorte staten en ingestorte economieën. Ik heb visioenen van het onbarmhartigste kapitalisme, van corrupte agenten en bandietenbenden. De Lonely Planet waarschuwt voor overvallen op de weg tussen Bisjkek en Almaty. Ik las reisverhalen die tjokvol zaten met oplichters, gauwdieven en nepagenten. Heel Centraal Azië door en heel Siberië tot Vladivostok en Vladivostok is zo onvoorstelbaar ver weg. Waar ben ik aan begonnen?

Vooruit kijken is beklemmend, achterom kijken stukken gemakkelijker. Ik heb de reis minutieus voorbereid, de route uitgestippeld, kilometers en dagen geteld. Voor de Centraal Aziatische landen en Rusland zijn uitnodigingsbrieven nodig. Die moeten van te voren worden aangevraagd en er moet op staan wanneer ik kom en hoe lang ik blijf. Daarom moet ik plannen maken en ook om zeker te weten dat ik de Siberische winter voor zal blijven. Ik heb uitgerekend: naar Vladivostok is vijfentwintigduizend kilometer en daar zal ik tweehonderd dagen over doen. Ik kom in de tweede helft van september aan in Vladivostok zodat ik Siberië zal doorkruisen in het begin van de herfst, in ieder geval vóór de winter. Er is ook andere voorbereiding: het loslaten. Je moet klaar zijn om te reizen: niets mag onaf zijn want er valt niets meer recht te zetten. Ik heb mijn huis schoongemaakt. Het is nog wel mijn huis maar het heeft mij niet meer. Een ander kan het gebruiken. Ik heb mijn testament bijgewerkt en mijn gouden halsketting heb ik afgelegd en opgeborgen. Ik heb een vertrekborrel gegeven om na te gaan of alles goed was. Het zijn allemaal rituelen om los te laten want je moet ‘thuis’ niet meenemen. Van mijn ouders heb ik geen afscheid genomen; ik ben er zeker van ze terug te zien en je moet God niet op een idee brengen. Ik heb ze nog eens goed bekeken en het valt me op dat ze nu echt oud zijn. Mama loopt licht gebogen, slikt pillen tegen aangezichtspijn, om het bloed te verdunnen en “om aan te sterken”. Ze is vreselijk bang voor bronchitis want “ik kan die hoest niet meer verdragen”. Ze eet geen appels meer want “dat prikt zo op mijn tong” en geen bananen want “daar krijg ik maagpijn van”. Het huishouden gaat zichtbaar moeizaam. De levensavond. Papa heeft diepe plooien in zijn gezicht, sleept met een been, heeft moeite met eten en is stokdoof zonder hoorapparaat.

De ochtend van mijn vertrek moet mama nog veel kwijt. Over tante Ans en tante Lenie en over tante Cor uit Amersfoort die ze van de zomer nog een keer willen bezoeken. Dat het zo jammer is dat er geen hoorspelen meer zijn want ze slaapt slecht en luistert dan naar de radio want “anders ga ik piekeren.” Waarover? Ik heb het niet gevraagd. Over het weer: “Het was precies zo’n weer toen je broer Jos geboren werd.” Over de juffrouw van de lagere school die achtentachtig is geworden en kort geleden overleden: “Ze had jullie graag op haar school willen hebben maar ik kon gelukkig zeggen ‘het zijn jongens’ want het was toen nog een meisjesschool. Ik wilde jullie niet op een dorpsschool hebben.” Pieker je daarover? Of je het goed hebt gedaan? Ik heb het niet gevraagd. Ik ga de bagage op de motor laden. Papa kijkt toe en mama gaat bezig met de was. Als ik klaar ben vraag ik of ik een foto van ze mag maken. Mama wil niet en begint te huilen. “Het is zo ver en het duurt zo lang. Als er iets gebeurt kan ik niet naar je toe.” Ik sla een arm om haar schouder, huil met haar mee en probeer te troosten. Ze hervindt zich, loopt naar binnen en komt terug met vijftig euro: “alvast voor je verjaardag.” Nu wil ze toch op de foto, met papa. Ik maak er twee, stop de camera weg, trek mijn jas aan, neem mijn helm en geef ze allebei nog een zoen. Ik stap op en start de motor. Dan komt mama aangedribbeld. Ze legt haar hand op mijn arm en zegt “kijk niet meer achterom, kijk vooruit.”

Dit bericht werd geplaatst in 2004-2005: de wereld rond, Over mij, Vertrekken en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s