Wachten

Oud Akko binnen de muren is een wirwar van straatjes, steegjes en pleintjes met kinderkopjes. Er zijn drie khans te bewonderen, waarvan er één nog helemaal compleet is (Een khan is een onderkomen voor karavanen). Allemaal erg romantisch maar, helaas, ook allemaal erg uitgestorven. Zelfs de winkels in de soek zijn gesloten. Leven doet oud Akko niet; er hangt wat jeugd rond en er is een enkele verdwaalde bezoeker zoals ik. Voor leven moet je in nieuw Akko zijn, het joodse stadsdeel. Daar zijn de restaurants, cafés en winkels open en is er ook nog publiek dat wat betalen kan. Net als in Jeruzalem is het werk, en dus het inkomen, geconcentreerd in de joodse stadsdelen; daar zijn de overheidsgebouwen en de dienstverlening en de industrie.

Na een dag of twee heb ik Akko voor gezien gehouden. Ik was de enige gast in het Lighthouse Hostel, een prachtig Arabisch herenhuis maar een beetje vies, vooral de douches en de toiletten. Daar had ik geen zin in. Dus terug naar Tel Aviv, naar het Old Jaffa Hostel. Het is er vol geworden. Er zijn oude bekenden en nieuwe gezichten. Er is een groepje Polen bijgekomen (ze werken hier; als ze niet werken zuipen ze), een heel dunne Brit (praat voortdurend in mededelingen), een excentrieke joodse man die met zijn kleren aan slaapt en verder nog wat onduidelijk volk. Gebleven zijn David, de enorm dikke Kevin uit Zuid-Afrika, de Russen en de grijsmuizige vrouwen. Het Old Jaffa Hostel is een gemeenschap van passanten, maar wel een gemeenschap. Het is er gezellig.

Veel om handen heb ik niet; eigenlijk wacht ik hier tot de veerboot op 1 november vertrekt. Het is geen strandweer. Het is buiig, er staat een stormachtige wind en het is fris (voor Tel Aviv; dat is nog altijd een dikke twintig graden). Sinds begin mei heb ik geen wolkje, laat staan regen, gezien. Ik heb de BMW-dealer opgezocht en onderhoud laten uitvoeren. Ik wandel wat door Tel Aviv en heb het Diasporamuseum bezocht. Het museum is het oog van de propagandaorkaan die in Israël woedt. Overal, op elke straathoek, in elke boekhandel, in elk tv-programma, wordt het eigen gelijk en het eigen recht schril uitgeschreeuwd en het ingewikkelde leven vervormd en ontkend tot een eenvoudig ‘wij’ tegen ‘zij’ en worden ‘zij’ als demonen neergezet. Het gelijk en het recht is het onderwerp van het Diasporamuseum. Het vertelt van het leven van de joodse gemeenschappen verspreid over de wereld, zelfs hoog in de Kaukasus en diep in China, en van de trek naar het beloofde land. Juist in dit museum is de propaganda vrijwel afwezig, in ieder geval nauwelijks voelbaar, als de windstilte in het oog van een orkaan. Het ligt verborgen op het universiteitsterrein in het noorden van Tel Aviv en de sfeer is er rustig, bijna sereen. Het museum heeft een prachtige verzameling maquettes van synagogen van overal ter wereld. Mooie houten synagogen uit de Oekraine en de grote synagoge van Amsterdam staat er ook. Foto’s tonen interieurs van joodse huizen in de diaspora: Biedermeijer interieurs, moorse interieurs uit Marrakech, Latijns-Amerikaanse casas. Bijschriften wijzen op de overeenkomsten: de lamp, de kandelaar. Ondanks de verscheidenheid: één volk. Op films vertellen mensen het verhaal van hun leven. Foto’s tonen de verscheidenheid: donkere mensen, lichte mensen, Mongoolse gezichten, Kaukasische gezichten. Met die verscheidenheid toch één volk met één verlangen: volgend jaar in Jeruzalem. Naast de bijna niet te vatten drift ‘volgend jaar in Jeruzalem’ staat het ‘nooit meer’: de foto’s en films van de aankomst van de overlevenden van de holocaust. Het ‘nooit meer’ van de onttakelde slachtoffers maar ook, gelukkig, het ‘nooit meer’ van van energie en strijdlust blakende jongemannen. Je moet het Diasporamuseum bezocht hebben om Israël te begrijpen.

Buiten woedt de orkaan van de propaganda en het geweld. De Israëliërs zijn na de moord op de minister van toerisme Bethlehem en nog wat Palestijnse plaatsen binnengetrokken. Er zijn veel doden en nog meer gewonden gevallen en er is grote materiële schade. De gemoederen zijn weer eens op het kookpunt beland; bij de Palestijnen de gemoederen van de wraak en bij de Israëliërs de gemoederen van de frustratie. En, het was te verwachten, de Palestijnen hebben teruggeslagen. Gisteren: twee Palestijnse politiemannen, lid van Islamitische Jihad, hebben hun geweren leeg geschoten op winkelende en wachtende mensen. Resultaat: vier of vijf doden en tientallen gewonden. En dan zijn er de kleine zaken. Een Israëlische soldaat is disciplinair gestraft omdat hij bij een checkpoint systematisch de koplampen van Palestijnse auto’s kapot sloeg. Een klas Palestijnse kinderen van 13 jaar, uit Jaffa op schoolreisje in de Negev, is aangevallen en mishandeld door zo’n vijftig tot zestig joodse 18-jarigen, vanwege Arabische muziek op een radio. En zo gaat dat hier dag in dag uit. Helemaal niks bijzonders te melden? Ja, toch wel: bij ons in de straat is een autobom ontploft! Nog geen honderd meter van het Old Jaffa Hostel en op de route die ik elke dag neem naar bakker Abu-en-nog-wat! Geen terroristenbom maar een criminele afrekening volgens de politie (Jaffa is nogal crimineel naar het schijnt). De materiële schade valt mee en of er gewonden gevallen zijn weet ik niet.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s